24 augustus 2010
Achtergronden
door: Adri Broeke
Game over. Geen relaxte wandel-, fiets- of vaartochten meer in de ongerepte natuur. Niet langer in een ongedwongen sfeer zwemmen, badmintonnen, pitchen & putten of met een wijntje binnen handbereik jeu de boulen met vrienden, kennissen of familieleden. Het is weer voorbij die mooie? zomer. De dagelijkse portie sportief bewegen gaat voorlopig in de ijskast.
Voor good old Albert Buisman is daar geen sprake van. Het actief, ongedwongen bewegen in recreatief verband dient wat hem betreft weer veel hoger in het dagelijks leven en het sportbeleid op de agenda komen te staan. De kwaliteit van de 'op plezier en voldoening van het bewegen zelf' gerichte sportbeleving mag ook de komende tijd niet ondergesneeuwd raken. Met het oog hierop heeft praktijkwetenschapper Buisman samen met sportbeleidmedewerkster Nanda van der Wiel een toegankelijk boek geschreven over de rol en betekenis van sportieve recreatie in sportland Holland. Back to the seventies?
Sportieve recreatie, een handreiking voor sportief beleid
In de jaren zestig van de vorige eeuw richtte de nieuwe generatie haar pijlen op het onderdanige 'klootjesvolk' en de arrogante, regenteske bestuurders. Met hogere doelen als zelfontplooiing, emancipatie, inspraak en tolerantie voor ogen moest de verbeelding aan de macht. Een en ander manifesteerde zich in allerlei protestbewegingen en maatschappijkritische stromingen op het gebied van welzijn en cultuur.
In het verlengde van deze tegencultuur ontspon zich in het begin van de jaren zeventig een ideologisch gekleurde discussie over de betekenis van sport in de snel veranderende vrijetijdssamenleving. Progressief 'links' stond lijnrecht tegenover conservatief 'rechts'. Met enkele aanpassingen van de reglementen en regels dachten de vertegenwoordigers uit de 'rechtse' hoek (sportbonden, NSF) de traditionele wedstrijdsport ook voor recreanten meer toegankelijk te kunnen maken. Men sprak toentertijd in dit verband van 'recreatiesport' als tweede weg voor de niet-prestatieve sportbeoefening in georganiseerd verenigingsverband. De linksgeoriënteerde voorstanders van de zogenoemde ongeorganiseerde sport - waaronder de landelijke dienst voor Bewegen, Recreatie en Spel (BRES) en de Stichting Spel en Sport - kozen expliciet voor het ontwikkelen van een nieuw type sportieve arrangementen en sportvoorzieningen. Sportinstuiven, camping- en dagrecreatie activiteiten, buurtsportweek en zelfgeorganiseerd sportief bewegen in daarvoor speciaal ingerichte openbare ruimten (trimpaden, trapveldjes e.d.) dienden onder de noemer 'sportieve recreatie' tot een geheel nieuwe sportbeleving voor alle -en met name de van oudsher achtergestelde- doelgroepen te leiden.
In de handreiking van Buisman en Van der Wiel gaan ze niet diep in op deze principiële 'links-rechts' strijd in de kijk op sportbeleid. Ze kiezen voor een neutrale? antropologische visie op sportbeleving en betekenisgeving van mensen in de verschillende fasen van hun ontwikkeling (van peuter tot bejaarde) tijdens hun levenslange sportloopbaan. Het merendeel van de tekst bestaat uit een beschrijving van diverse recreatieve vormen van sport die mensen in de verschillende leeftijdfasen kunnen beoefenen. Tussen de regels door wordt milde kritiek geleverd op de gemeenten die in hun sportnota's de instrumentele benadering van sportief bewegen veel te sterk benaderen en/of kritiekloos staan ten opzichte van de georganiseerde wedstrijdsport. Je moet je niet vastleggen op één dominant denkkader, maar durven spelen met de verschillende betekenissen die sport voor individuen en groepen kan hebben, is de genuanceerde kernboodschap. De belangrijkste - tamelijk open deurachtige - aanbeveling voor gemeentelijke sportbeleidmakers luidt: ‘stimuleer dat sportorganisaties flexibeler inhaken op de betekenissen (plezier, sociaal contact, natuurbeleving, gezondheid, risico, competitie e.d.) die hun leden aan sportief bewegen geven en creëer zo nodig zelf een vernieuwend sportief aanbod (pag. 167)’.
Het is goed dat de schrijvers hernieuwd de aandacht vestigen op het belang van persoonlijke belevings- en ervaringsberichten van de sporters zelf als tegenwicht voor alle kwantitatieve effectrapportages. Sportbeleid is pas sportief beleid als er een evenwichtige en eerlijke verdeling is van geld, menskracht en voorzieningen voor zowel de georganiseerde wedstrijdsporters als het anders georganiseerde sportieve bewegen van alle burgers. Vanuit een in dubbel opzicht sportief diversiteitsbeleid behoren de mogelijkheden en motivaties van iedere bewoner in elke gemeente van evenveel waarde te zijn. Zeker de jongste jeugd,de niet gefortuneerde 60+ senioren en de bewoners in achterstandssituaties mogen bij de verdeling van de schaarse overheidsmiddelen op sportgebied niet het kind van de rekening worden. Persoonlijk ben ik het daar al sinds de zeventiger jaren hartgrondig mee eens. Of Ivo Opstelten en Mark Rutte c.s. deze visie op sportief beleid onderschrijven? Ik vrees dat sport voor deze heren en dames naast een rechtse lobby steeds meer een 'rechtse hobby' aan het worden is. Niet dan, Geert?
Leestip:
Buisman, A & N. van der Wiel (2010). Sportieve recreatie, een handreiking voor sportief beleid. Amsterdam: Uitgeverij SWP.
Adri Broeke verdedigde op donderdag 25 maart jl. zijn proefschrift ‘Professioneel Sportmanagement Vernieuwen’ aan de Rijks Universiteit Groningen. Hij verdient(de) de kost als bollenpeller, bakkersknecht, gymleraar, beroepsopleider, consultant, lector en onderzoeker. Zijn favoriete boek is: ‘De A.F.C.’ers’ van J.B. Schuil.
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.