Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Achtergronden
Hoe meer hoe beter

Hoe meer, hoe beter?

28 augustus 2012

Achtergronden

door: Marjan Kok

Bewegen is gezond. Daarom willen we dat kinderen veel sporten. Dus hup, na afloop van de schooldag op de fiets of achterbank naar de verschillende clubs. Gebracht door hun ouders die - op hun beurt - een sport maken van gezinsmanagement. In hoeverre draagt al deze activiteit bij aan de ontwikkeling van kinderen? En: heeft het zin om diverse sporten te agenderen of kun je het ook houden bij de ene voetbalvereniging op de hoek? In dit artikel worden bevindingen uit de topsport belicht.

De laatste jaren is er vanuit de wetenschap veel aandacht voor de optimale route waarlangs de sportieve ontwikkeling van kinderen zou moeten verlopen om uiteindelijk als (jong)volwassene de internationale top te bereiken. Vooral over de te volgen route tijdens de basisschoolleeftijd (6-12 jaar) bestaat discussie. Kunnen kinderen zich het beste vroeg specialiseren door doelbewust te trainen in de sport waarin zij uiteindelijk willen uitblinken? Of kunnen zij beter deelnemen aan uiteenlopende sport- en bewegingsactiviteiten waarin plezier en beleving van bewegen uitgangspunt is? Om vervolgens pas later te beginnen met doelgerichte specialisatie?

Onderzoek naar de loopbanen van topsporters in onder meer hockey, basketbal, netbal, ijshockey en triatlon wijst er op dat het beoefenen van meerdere sporten tijdens de kindertijd het bereiken van de top in ieder geval niet hindert. Aan beide routes zijn voor- en nadelen toe te schrijven. Zo leidt vroege specialisatie tot snellere groei in de betreffende sport en wordt het hoogtepunt van prestatie eerder bereikt (leeftijd van 15-16 jaar). Het nadeel van deze vroege specialisatie is dat deze benadering eerder leidt tot burn-out, verlies van intrinsieke motivatie en plezier tijdens het trainen. Sporters die als kind meerdere sporten hebben beoefend (diversificatie), bereiken over het algemeen op een later moment hun piek in de doelsport. Daar staat tegenover dat zij minder geblesseerd raken, zich ook later in hun carrière verbonden voelen aan hun sport en er langere sportieve carrières op na houden.

Niet elk kind hoeft topsporter te worden. Gelukkig maar. Ook in een breder perspectief is het interessant om te weten hoe beide routes bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen. Dit levert relevante informatie op om keuzes van verschillende partijen - zoals ouders, gymdocenten en beleidsmakers op het gebied van breedtesport - te onderbouwen.

Sportactiviteiten, fysieke fitheid en motorische ontwikkeling
De Vlaamse onderzoeker Job Fransen en zijn collega’s (2012) deden een grootschalig onderzoek naar de sportactiviteiten van jongens in de leeftijd van 6-12 jaar in relatie tot hun fysieke fitheid en grove motoriek. Hiervoor testten zij 735 jongens van negen sportclubs en 26 basisscholen in Vlaanderen in drie verschillende leeftijdscategorieën: 6-8 jaar (161 jongens), 8-10 jaar (310 jongens) en 10-12 jaar (264 jongens). Zij vulden een vragenlijst in om te bepalen hoeveel uur per week de kinderen in hoeveel verschillende sporten actief waren. De vragenlijst hield rekening met zowel recreatieve activiteit als het sporten in georganiseerd verband. Indien nodig werden de kinderen door hun ouders of verzorgers geholpen bij het invullen van de vragenlijst.
Door een team van getrainde testleiders werden bij de kinderen gangbare testbatterijen afgenomen om fysieke fitheid (Eurofit Physical Test Battery) en grove motoriek (KörperkoordinationsTest für Kinder) te meten. De volgende aspecten werden hierin meegenomen:

• lengte en gewicht;
• kracht;
  - spierkracht (sit-ups en opdrukken vanuit kniesteun);
  - maximale statische kracht (handknijpkracht);
  - explosieve kracht (staande vertesprong);
  - lenigheid;
  - lenigheid van lage rug en hamstrings (sit-and-reach test);
• snelheid en wendbaarheid;
  - 10 x 5 meter sprint test;
• uithoudingsvermogen;
  - shuttle run test;
• grove motoriek;
  - achteruit lopen op een balk;
  - zijwaarts bewegen over kisten;
  - hoogspringen op één been;
  - zijwaarts springen.

Aan de hand van de verzamelde gegevens werden de kinderen per leeftijdscategorie met elkaar vergeleken en ingedeeld in een groep kinderen die relatief veel sport en een groep kinderen die relatief weinig sport. Afhankelijk van leeftijdscategorie en groep lag de scheidslijn tussen drie en zes uur sporten per week. Na analyse bleek dat er geen significante verschillen waren in het aantal sporturen van kinderen die actief waren in één sport ten opzichte van kinderen die actief waren in meerdere sporten. Dit betekent dat de kinderen die meerdere sporten beoefenen, niet vanzelfsprekend meer tijd aan sport spenderen en dat de kinderen die maar één sport beoefenen, daar relatief veel tijd in steken.

Het doel van het gehele onderzoek was om te achterhalen of er verschil in fysieke fitheid en grove motoriek te vinden is tussen kinderen die veel en kinderen die weinig uur per week sporten. En of er verschil in fysieke fitheid en grove motoriek bestaat tussen kinderen die één of meer sporten beoefenen. Om hier uitspraken over te kunnen doen, vergeleken Job Fransen e.a. (2012) de testscores van de groepen per leeftijdscategorie.

Effect van aantal uur sporten in de week en het aantal beoefende sporten
In alle leeftijdsgroepen presteerden de kinderen die meer tijd spendeerden aan sport beter op explosieve kracht en op de grove motoriek dan hun minder actieve leeftijdsgenoten. Verder vonden de onderzoekers bij de 8-10 jarigen prestatieverschillen in snelheid en wendbaarheid en uithoudingsvermogen. In de leeftijdscategorie 10-12 jaar werd een prestatieverschil gevonden op de lenigheid. Deze verschillen waren significant en pakten positief uit voor de kinderen die veel sporten. Bij vergelijking van andere metingen/tests werden er geen significante verschillen gevonden tussen de kinderen die veel of weinig sporten. Het is misschien wel opmerkelijk te noemen dat dit dus ook gold voor lichaamsgewicht. De kinderen die weinig sporten zijn gemiddeld niet zwaarder dan kinderen die veel sporten.

Als gekeken wordt naar het effect van het aantal sporten dat de kinderen beoefenden, valt op dat zo goed als alle significante verschillen te vinden waren in de leeftijdsgroep 10-12 jaar. In deze categorie presteerden de kinderen die meerdere sporten beoefenden beter op spierkracht, explosieve kracht, snelheid en wendbaarheid, uithoudingsvermogen en grove motoriek. Dat de verschillen vooral te vinden zijn in de oudste groep kinderen, is in lijn met de bevindingen uit de topsport dat het beoefenen van meerdere sporten zich relatief laat in de ontwikkeling uitbetaalt.

Conclusies en praktische implicaties
Kortom, het onderzoek laat zien dat de omvang van het aantal sporturen een acuut, positief effect heeft op de explosieve kracht en grove motoriek van kinderen. Verder lijkt het erop dat de diversiteit aan ervaringen die kinderen opdoen in de verschillende sporten positief uitpakt aan het einde van de basisschoolleeftijd. Kinderen hebben hierdoor mogelijk een brede basis aan capaciteiten en vaardigheden waarvan zij plezier kunnen hebben in hun dagelijkse en sportieve leven.

De keuze om als ouder je kind te stimuleren om één of juist meerdere sporten te beoefenen of om als gymdocent de diversiteit van aangeboden bewegingsuitdagingen te bepalen, hangt af van wat je belangrijk vindt voor kinderen. Als je het op een bepaald moment wenselijk vindt om ze succes te laten ervaren van het snel beter leren bewegen kun je kiezen voor specialisatie. Als je het daarentegen belangrijk vindt om verschillende sport- en beweegervaringen mee te geven voor een bredere basis, kun je kiezen voor diversificatie. Het belangrijkst is misschien wel om na te gaan waar een kind het meeste plezier aan beleeft. Dat wat je leuk vindt, wil je vaker doen. En zoals de eerste conclusie van dit onderzoek aangeeft, zijn kinderen die vaker en meer sporten fitter en hebben ze een betere grove motoriek.

Voor scholen en gemeenten ligt er de noodzaak sportactiviteiten toegankelijk te maken voor zoveel mogelijk kinderen. Ook het bundelen van organisaties en sportclubs in de driehoek van buurt, onderwijs en sport om een brede deelname aan de bewegingscultuur mogelijk te maken, verdient ook vanuit dit onderzoek aanbeveling. Zo krijgen zoveel mogelijk kinderen optimale ontwikkelkansen: ook kinderen van ouders zonder grote portemonnee of ouders met minder ambities op het gebied van gezinsmanagement.

Bron:
Fransen, J., Pion, J., Vandendriessche, J., Vandorpe, B., Vaeyens, R., Lenoir, M. Philippaerts, R.M. (2012). Differences in physical fitness and gross motor coordination in boys aged 6-12 years specializing in one versus sampling more than one sport. Journal of Sports Sciences, 30(4), blz 379-386.

Marjan Kok werkt bij EXPOSZ, het opleidings-, advies- en onderzoekscentrum voor Sport en Zorg dat verbonden is aan de Faculteit der Bewegingswetenschappen van de Vrije Universiteit. Marjan is gespecialiseerd in het onderwerp motorisch leren en richt zich hierbij vooral op het maken van de vertaalslag van wetenschappelijke kennis naar de sportpraktijk. Dit deed ze in haar werk als hogeschooldocent op de Haagse Academie voor Lichamelijke Opvoeding, nu doet ze dat bij EXPOSZ door sportcoaches en docenten LO te scholen. Voor meer informatie: m.j.kok@vu.nl

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.