3 maart 2020
Achtergronden
door: Hanno van der Loo
In de afgelopen weken was ik aanwezig bij de ‘Sportverkiezingen 2019’ van enkele middelgrote gemeenten in ons land. Net als de landelijke verkiezingen tijdens het nationale Sportgala in december zijn dit ook op lokaal niveau schoolvoorbeelden van appels met peren vergelijken. Maar goed, het voorziet kennelijk in een behoefte (vooral als je fan bent van de gelukkige winnaar) en is een tamelijk onschuldig verschijnsel. Toch?
De jeugdcategorieën ‘sportmeisje’, ‘sportjongen’ en ‘talent’ hebben altijd mijn speciale belangstelling. Met name als volgens de beoordelingscriteria niet alleen de prestaties die in het afgelopen jaar zijn geleverd meewegen, maar ook de door de jury gesignaleerde potentie voor succes in de toekomst. Het eerste is al een hachelijke zaak (appels, peren), maar het voorspellen van de sportieve toekomst vereist volgens mij een deskundigheid die zeer dun gezaaid is, zeker onder de lokale sportbestuurders en journalisten die doorgaans het oordeel moeten vellen.
Uitwassen
In één gemeente vermeed men deze discussie over ‘talent’ door geen jeugdprijzen uit te reiken. In plaats daarvan maakte men een negenjarig jochie - Nederlands kampioen in zijn leeftijdscategorie - ‘sportman van het jaar’. Inderdaad, in de algemene categorie, waarin mannen en vrouwen bovendien gezamenlijk streden om één titel. Ik wens hem en zijn ouders een overdosis nuchterheid toe.
In een andere gemeente waren er kraakheldere criteria om het ‘talent van het jaar’ te kiezen. Inmiddels zijn deze criteria niet meer te vinden op de website van de betreffende organisatie, dus ik kan ze hier niet letterlijk citeren, maar het kwam erop neer dat van deze sporter verwacht werd dat hij/zij Nederland in de toekomst succesvol zou gaan vertegenwoordigen op EK’s, WK’s en Olympische Spelen. Bij zo’n beschrijving zie ik een sporter van 19-20 jaar voor me die inmiddels geen junior meer is, maar de laatste stappen naar het internationale niveau nog moet maken. De jury bleek anders te hebben beslist en riep een uit de kluiten gewassen 13-jarige het podium op om de prijs, waaraan in dit geval ook een geldbedrag met drie nullen vastzat, in ontvangst te nemen.
Potentie
Als dit soort uitwassen de deskundigheid van de gemiddelde sportbestuurder op lokaal niveau weerspiegelen (wat ik niet hoop, maar wel een beetje vrees), dan hebben we nog een lange weg te gaan. Meer en meer is immers duidelijk, dat het herkennen van sporttalent op vroege leeftijd zeer hachelijk, zo niet onmogelijk is. Zo blijkt uit een recente publicatie van Anneke Ellens en collega’s1 bijvoorbeeld, dat zeer veel zwemmers die als junior op het hoogste internationale niveau actief zijn geweest (in dit geval minimaal een halve finale 100 meter vrije slag hebben gezwommen op een Europees Jeugd Kampioenschap (EJK), n=268) nooit een EK, WK of Olympische Spelen halen. Dit bleek slechts 79 van hen te zijn gelukt (29%). Van hen (zie figuur hieronder) komt het merendeel (ruim 70%) op die internationale seniorenkampioenschappen niet verder dan de series. Aan de andere kant zijn er ook zwemmers die als senior wél het olympische podium halen, maar als junior nooit aan een EJK hebben deelgenomen. Kort samengevat: wat je als junior presteert zegt niet zoveel (of vrijwel niets) over je latere prestaties als senior. Uit allerlei ander onderzoek blijkt bovendien, dat deze regel sterker opgaat naarmate de betreffende sporter jonger is.
Consensus
Dit is niet de plaats voor een uitgebreid betoog over deze materie. Maar in het kort is de huidige sportwetenschappelijke consensus dat het op jonge leeftijd herkennen van ‘dat ene talent’ (vrijwel) onmogelijk is en dat het toegankelijk maken en houden van hoogwaardige training en begeleiding voor een zo groot mogelijke groep jeugdsporters een beter alternatief is om toekomstig internationaal succes na te streven. Dit wordt kernachtig samengevat door Michiel de Hoog, die de visie van Aloys Wijnker (recent aangesteld als manager voetbalbeleid van de KNVB) als volgt beschrijft:
‘Nee, het heeft geen enkele zin om voetballertjes van acht, negen jaar te scouten. Dus hef die BVO-jeugdteams op, help voetbalclubs in de regio met jeugdtrainingen, en bovenal: heb geduld…’ Of: ‘Vergeet het scouten van dat kleine groepje jongste kinderen; besteed meer aandacht aan een grotere groep en investeer pas in de besten als ze ouder zijn.’
Bredere basis
De recent in de Tweede Kamer zeker gestelde minimale hoeveelheid lichamelijke opvoeding (2 uur per week) op de basisscholen gaat ook een bijdrage leveren aan de gewenste bredere basis.3 Verder moet het niveau van de training en coaching de komende jaren een kwaliteits-impuls krijgen door het aanstellen van meer en beter opgeleide professionals.4
Referenties
Hanno van der Loo (1968) is voormalig tienkamper en studeerde bewegingswetenschappen aan de VU in Amsterdam. Hij werkt als sportwetenschappelijk adviseur, auteur en docent via bureau AdPhys in Boskoop (www.adphysbureau.nl) en is hoofdredacteur en uitgever van SPORTgericht (www.sportgericht.nl).
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.