28 augustus 2018
Achtergronden
Ooit werkten zij met volle passie in de sport. Als directeur van een sportbond, als voorzitter daarvan of werkend voor een andere sportorganisatie. Op een zeker moment verlieten zij die sportwereld en kozen ze voor een carrièreswitch naar een ander domein. Waarom maakten zij die stap? Hoe is het hen sindsdien vergaan? Hoe kijken zij terug? Wat kan de sportwereld leren van passanten die nu hun professionele sporen op een ander vlak verdienen?
Vandaag de blik van Stan Stolwerk, in de sport onder meer werkzaam geweest als directeur van de Nederlandse Klim en Bergsport Vereniging en Nederlandse Handboog Bond.
Werk buiten de sport
1. Waarom heb je destijds besloten in de sportwereld te gaan werken, hoe ben je erin terecht gekomen?
“Dat was destijds een vanzelfsprekende route. Vanuit fanatieke sportbeoefening ging ik naar de Academie voor Lichamelijke Opvoeding (ALO). Ik werd docent lichamelijke opvoeding, deed de studie bewegingswetenschappen en zo rolde die bal naar de sportwereld. Tegelijkertijd zocht ik ook snel verbreding en verdieping, want er is meer te koop in de wereld. Denk aan marketing, bedrijfskundige vakken, management, filosofie, enzovoort. Ik was en ben een nieuwsgierig man en zo ging het van onderwijs in de sport naar ondernemen in de sport. Uiteindelijk ben ik leiding gaan geven in sportorganisaties.”
2. Waarom heb je besloten om de sportwereld te verlaten?
“Als ik erop terugkijk, zie ik een aantal redenen die gaan van persoonlijk tot inhoudelijk. Het heeft zeker te maken met die blijvende nieuwsgierigheid en het zoeken naar openheid: ik miste een innovatieve drive in met name de wereld van de bonden. De challenge response theory van wetenschapper Arnold Toynbee was voor mij zeer herkenbaar. Dan heb ik het over in rituele cirkeltjes draaien, teveel dezelfde mensen die aan dezelfde knoppen draaien en vertrouwen op mensen die de antwoorden hadden op de vragen van gisteren, maar per definitie niet geschikt zijn antwoorden te geven op de vragen van morgen. Laat staan op die van overmorgen. Daarbij refereer ik aan de visie van bijvoorbeeld Steven van Belleghem, the customer the day after tomorrow: de klanteis van overmorgen is nu reeds bepalend. Ik houd mijn hart vast voor het adaptatie- en anticipatievermogen in de georganiseerde NOC*NSF-sportomgeving.”
“Verder had ik genoeg van de subsidieverslaving en de energie die in aanvraag en verantwoording ging zitten. De onbespreekbaarheid van dat systeem: ideologisch en logistiek. Elk jaar het zelfde rondje schaatsen. Medewerkers waren vooral bezig met de interne gerichtheid - belang van de eigen taak, stoel, functie - in plaats van de klantvraag. Ik denk dat de sport vastzit in HRM-structuren uit een verleden. De competentieprofielen van 60 procent van huidige medewerkers is in mijn ogen niet geschikt meer voor de vraag en behoefte van overmorgen. Finaal is er volgens mij een Deltaplan sport nodig om ervoor te zorgen dat er een team komt dat toegerust is op de nieuwe klantvraag. Dat gaat je niet lukken met mensen die aangenomen zijn op een profiel dat paste bij de eeuwwisseling. Wanneer je daar niet een keer écht op gaat acteren blijft de sport vooral praten over veranderen, transitie en kantelen. Als je dat echt wil heb je gewoon andere mensen nodig.”
3. Ben je totaal ander werk gaan doen of zijn er in essentie niet zo veel verschillen?
“Ik ben erachter gekomen dat een verbindende en stimulerende rol - bijvoorbeeld als directeur - in een ambitieuze omgeving me ligt. Ik wil graag de ander, de organisatie, de wereld en mezelf vooruit brengen. Het ontwikkelen van strategie en visie past bij mij. Luisteren, leren, analyseren; een plan maken met een team en volhouden. In essentie bestaat er niet zo veel verschil, maar ik ben bewuster geworden van de omgeving. Waar is de omgeving waar men ook die ambitie en drive heeft, kent en bereid is ernaar te handelen? De omgeving die niet vastzit in verstarde systemen, eigen ego's en ‘zo doen we het hier’. Die match herken ik nu eerder door ervaring, analyse en de goede vragen stellen aan de voorkant. Op die manier ontstaat een enorm werkplezier. Ik denk met regelmaat terug aan een kreet die ik eens las: ‘life’s too short to work with assholes.’
4. Waarin verschilt meer in het algemeen werken in de sportwereld van werken in je huidige omgeving?
“Het brede speelveld: van verzekeraar tot belangenbehartiger, reisoperator, media en app-bouwer en dat tevens internationaal. Waarom stoppen bij de grens? De enorme bereidheid tot veranderen: ik spreek liever van meebewegen. Trend en marktanalyses direct vertalen naar de praktijk. Het team doet pilots, investeert en hoeft daarmee niet naar een bestuur, beleidscommissie of nog erger. We zorgen dat er geen sprake is van een subsidieverslaving, maar dat we de community goed bedienen. Dat is de basis. Ook is er geen sprake van ledenverslaving, maar we zorgen dat consumentendata het aanbod stuurt.”
5. Zie je ook overeenkomsten tussen je huidige werkomgeving en die van de sportwereld?
“Natuurlijk. Uiteindelijk werk je met een team aan een bepaalde ambitie. De kern is dus: het samenwerken laten slagen. Het goede team samenstellen - dat ook periodiek aanpassen - en hen laten floreren zodat de ambitie gerealiseerd wordt. Ook hier bij NKC werken we met tweehonderd vrijwilligers. Die zijn bijzonder, maar hebben geen eigen positie. Ze zijn onderdeel van het team en werken aan dezelfde ambitie. Qua model is de NKC een vereniging. Vanaf medio 2019 is er een model met een Raad van Toezicht, passend bij de strategische ambitie 2022. We spreken bij NKC van een consumentenplatform in plaats van vereniging en daar zoek je (periodiek) een passende governance bij.”
6. Als je met de kennis en ervaring van nu terugkijkt naar toen, wat zou je dan anders gedaan hebben toen je nog in de sport werkte?
“Investeren in de bestuurlijke benchmark. Voorkomen van bestuurlijk gedoe. Waar rekenen zij de organisatie en directie nu echt op af? Wat vinden ze echt belangrijk? Waar liggen ze wakker van? In samenhang daarmee: investeren in de bestuurlijke kwaliteit. Ik zeg wel eens gekscherend: ‘Zodra een sportbestuurder door de poort van het complex rijdt doet hij zijn stropdas af en zet daarmee ook zijn hersens uit’. Waar die mensen veelal topbanen in het dagelijks leven hebben en geweldig besluitvaardig zijn, analyseren en visie hebben, varen ze in hun werk als bestuursvrijwilliger ineens op de emotie en is elke ratio weg. Bizar. Met andere woorden: investeren in de bestuurlijke kwaliteit is randvoorwaardelijk.”
“Veel clubs en bonden weten daarbij ook niet wat ze willen. Ze weten zelf niet wat ze willen zijn en voor wie. Het hangt allemaal met elkaar samen. En dan is men al blij als er een bestuursvacature ingevuld is: wie tijd heeft is dan belangrijker dan wie kwaliteit heeft. Dat geeft ook teveel ruimte aan ego’s, cv-opleukers, olympische ticketzoekers en zogenaamde netwerkbrengers uit de politiek. Je kan ambities enkel bereiken met passende mensen.”
7. Aan wie met wie je gewerkt hebt in de sportwereld denk je met veel genoegen terug en waarom?
“Aan een aantal jonge mensen die ik heb kunnen coachen, zien binnenkomen en doorgroeien. Dat proces begeleiden boeit me ook nu nog. Natuurlijk is er een aantal mensen die ik toen opzocht en die van grote waarde waren. Ik zou ze willen typeren als kritische onafhankelijken, maar eigenlijk zocht ik toen (en nu) inspiratie, trusted advisors en meer outside op. Zoals eerder aangegeven: er is zoveel meer buiten je actuele werkomgeving.”
8. Wat kan de sportwereld volgens jou leren van de wereld waarin je nu werkt?
Ik wil drie dingen noemen die de sportwereld kan leren van mijn huidige werkomgeving:
9. Denk je ooit nog eens terug te keren in de sportwereld?
“De sportwereld is een erg grote container. Dus ja, waarom niet? Ik zie de sportwereld hierbij wel groter dan de heilige graal van NOC*NSF. Er is een beperkt aantal ondernemende bonden die het begrijpt en zal overleven. De rest wordt of is aan alle kanten ingehaald en levert geen meerwaarde voor sportliefhebber. De vraag is wat hun toekomst is. Naast die perspectiefvolle bonden zijn er veel sportgerelateerde ondernemingen waar ik eventueel van toegevoegde waarde zou kunnen zijn met de ervaring opgedaan hier bij NKC en eerder bij onder meer ANWB golf. De kern van wat ik doe en leuk vind is transitie, verandering en kantelprocessen leiden. Waar wil een club naartoe, de ambitie bepalen en die realiseren. Dat kan op veel plaatsen, ook nog steeds in de sport.”
“Ik heb de afgelopen jaren ook bij een aantal sportbonden een keer een verhaal gehouden over waarom wij als ledenorganisatie wel groeien: namelijk door de ledenfocus los te laten. Ook dat zie ik als terugkeer in de sport: het delen van mijn ervaring, want ik ben en blijf uitermate betrokken bij de sportwereld. Ik sluit eigenlijk per definitie nooit iets uit en blijf nieuwsgierig en open voor uitdagingen.”
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.