2 oktober 2012
Achtergronden
De maatschappelijke rol van betaald voetbalclubs wordt mede dankzij de inspanningen van de Stichting Meer dan Voetbal steeds groter en de activiteiten komen ook steeds beter over het voetlicht. Hoe zit dat met het amateurvoetbal? Zit de maatschappelijke rol van voetbal daar eigenlijk niet in de genen? Berend Rubingh en Sjors Brouwer deden in opdracht van de Stichting Meer dan Voetbal onderzoek naar het functioneren van de amateurverenigingen en stelden daarbij twee vragen centraal: ‘Hoe functioneert de voetbalvereniging?’ en: ‘Wat maakt dat de voetbalvereniging beter kan functioneren?’ Onlangs presenteerden zij het rapport ‘Back to Basics’. Brouwer is binnen de KNVB verantwoordelijk voor de implementatie van het overheidsprogramma VSK, waarbinnen de filosofie een prominente plek in heeft.
Berend Rubingh houdt zich als docent en consultant al jaren bezig met onderzoek naar het functioneren van sportverenigingen. In de afsluiting van het project Tijd voor Sport kwam hij in aanraking met de KNVB. “Daar bestond grote overeenstemming over de analyse van de wijze waarop verenigingen functioneren”, aldus Rubingh. Uit dat eerste contact kwam het idee voort Rubinghs verhaal over het functioneren van sportverenigingen te verwerken in een filmpje. De samenwerking ging verder en dat leidde uiteindelijk tot het gezamenlijke onderzoek van Rubingh en Brouwer. De twee in de inleiding genoemde vragen maken ook onderdeel uit van het promotieonderzoek waar Rubingh mee bezig is aan de Vrije Universiteit van Brussel.
Brouwer en Rubingh begonnen hun onderzoek met een inventarisatie van onderzoek dat al gedaan was naar sportverenigingen. “Er was vooral onderzoek beschikbaar op macroniveau”, vertelt Rubingh. “Daarbij gaat het vooral over de rol van de vereniging in de maatschappij en de maatschappelijke verbanden. Maar er was nog nauwelijks onderzoek op microniveau. Hoe functioneert de vereniging als organisatie. Daar lag onze focus, wij kijken ernaar vanuit de organisatiekunde en de veranderkunde. We kregen uit de literatuur wel een indicatie van hoe we verder zouden moeten met verenigingen en dat zijn we gaan toepassen op twintig verenigingen.”
Drie functioneringsprincipes van verenigingen
De theorie van Rubingh en Brouwer gaat uit van drie functioneringsprincipes, waaraan verenigingen in meer of minder mate kunnen voldoen. Het eerste principe is dat van verenigen. “Dat is de traditionele manier waarop verenigingen functioneren. Een aantal mensen verenigt zich en het functioneren is gebaseerd op de cultuur van de organisatie, gedeelde normen en waarden en sociale controle.” Het tweede functioneringsprincipe is bedrijfsmatig. “De groei van verenigingen heeft ervoor gezorgd dat de onderlinge verbanden in de vereniging veel losser zijn geworden. Dan werkt die sociale controle en die groepsdwang niet meer en het antwoord van veel verenigingen was om organisatiekundige principes uit het bedrijfsleven te gebruiken. Dat ondergraaft de solidariteit en het maakt dat de organisatie gaat functioneren op basis van marktwerking. Daar is op zich niets mis mee, maar het is iets anders dan een vereniging. Je zou eerder moeten spreken van een club, zoals je bijvoorbeeld fitnessclubs hebt.” Het derde functioneringsprincipe betreft de vereniging die een maatschappelijke rol wil vervullen en allerlei banden wil aangaan met andere organisaties zoals overheden en onderwijs. Dat zijn verenigingen met een meer ideëel doel of omgekeerd: verenigingen die in stand worden gehouden door de overheid vanwege de maatschappelijke rol die ze vervullen. Bij de meeste verenigingen lopen die drie functioneringsprincipes door elkaar.”
Hulp van de KNVBDaarmee is de vraag hoe verenigingen functioneren voor een groot deel beantwoord, maar hoe kan de KNVB verenigingen helpen om zelfstandig zo goed mogelijk te functioneren? Daarvoor ontwikkelden Rubingh en Brouwer een simpel model. “Boter, kaas en eieren”, zegt Brouwer. “We benoemen een aantal processtappen. Als eerste helpt het als een vereniging haar eigen leidende functioneringsprincipe en de kracht van de eigen organisatie kent. Dat vindt de vereniging door middel van collectieve zelfreflectie waarbij alle geledingen van de vereniging worden betrokken. Met dit inzicht kan de vereniging een droom formuleren en als je zover bent volgen daaruit bijna als vanzelfsprekend acties om die droom te realiseren.”
Het belangrijkste onderdeel van het antwoord op de vraag hoe je verenigingen kunt helpen beter te functioneren is het wezenskenmerk van alle verenigingen. Rubingh: “Alle verenigingen zijn anders en ze hebben allemaal hun eigen mix van de drie verschillende functioneringsprincipes. Dus voor een algemeen antwoord moeten we op zoek naar de overeenkomsten. En de belangrijkste overeenkomst is dat verenigingen allemaal zelfstandige organisaties zijn. Hulp is dus alleen zinvol als die is gericht op het vergroten van de zelfstandigheid en meer specifiek het probleemoplossend vermogen. Geef ze geen vis, geef ze een hengel.”
Implementatie Back to BasicsDeel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.