Skip Navigation LinksHome-Nieuws-Open Podium-Item

Pleidooi voor de terugkeer van de vakleerkracht maar dan ‘nieuwe stijl’ 24 november 2015

door: Peter van Tarel

Bij de voetbalvereniging van mijn zoontje kan je via een metalen buitentrap naar de kantine. Bij nat weer is deze trap spekglad. Af en toe glijdt er dus wel eens iemand uit. Knie kapot, schaafwond. Vervolgens wordt er een pleister geplakt en gaat men over tot de orde van de dag, terwijl ik me vertwijfeld afvraag af of er niet iets aan de oorzaak gedaan moet worden.

Datzelfde gevoel heb ik als ik kijk naar alle regelingen, subsidies en impulsen om inactieve mensen aan het sporten te krijgen. Koen Breedveld (hoogleraar Sportsociologie aan de Radboud Universiteit) gaf het al eens aan: 'niet Epke maakt sporters van ons, maar de gymleraar'. En laat die nu steeds meer uit het schoolbeeld verdwenen zijn.

Breedtesportimpuls, NASB-subsidie, Sportimpuls, BOS, Combinatiefuncties en nog talloze nationale, provinciale en gemeentelijke regelingen zijn in het leven geroepen om mensen aan het bewegen te krijgen. Maar ze voelen voor mij als pleisters plakken. Want waarom aan de achterkant proberen te repareren terwijl we aan de voorkant niet investeren?

"De vakleerkracht ‘nieuwe stijl’ legt contacten met clubs en experts, denkt mee over voeding, inrichting van het schoolplein en lesprogramma’s"

Spin in het web
Is dit dan weer een pleidooi voor de terugkeer van de vakleerkracht? Jazeker. Maar dan wel voor de vakleerkracht ‘nieuwe stijl’. Eentje die niet alleen verantwoordelijk is voor kwalitatieve goede gymlessen, maar is de spin in het web als het gaat over een gezonde onderwijsomgeving. Hij legt contacten met clubs en experts, denkt mee over voeding, inrichting van het schoolplein en lesprogramma’s waarbij reguliere onderwijsprogramma’s (zoals rekenen) gecombineerd worden met bewegen.

Geeft hij naast al deze taken ook nog les? Uiteraard, want zijn les wordt steeds belangrijker! Hij voert namelijk het KNGU Beweegdiploma in voor alle groepen één en twee. Geen kind meer naar groep drie zonder Beweegdiploma! En op het rapport van Lars verdwijnt de voldoende voor motoriek en ruim voldoende voor inzet. In ruil daarvoor krijgt Lars een persoonlijk sportadvies op maat: voor welke sporten heeft hij aanleg, welke aandachtspunten zijn er voor hem met betrekking tot bewegen, hoe ontwikkelt Lars zich fysiek en hoe gedraagt hij zich in een team? Want waarom krijgen kinderen wel uitgebreid advies over hun sociaal-emotionele ontwikkeling, hun rekencapaciteiten of leesvaardigheid, maar niet over hun beweegkwaliteiten? Goed kunnen bewegen is immers ook een talent.

Motorisch Remedial Teacher
Nog een voorbeeld van investeren aan de achterkant. In 2013 werden in de wijk waar ik woon maar liefst 224 kinderen doorverwezen naar een Motorisch Remedial Teacher (MRT). Stel je voor: dat zijn ruim tweehonderd kinderen afkomstig van vier scholen! Nog een opvallend feitje: van de 224 kinderen waren er 202 jongens bij! In de meeste gevallen komen leerkrachten er in groep drie achter dat kinderen, en dan met name jongens, motorisch achterlopen ten opzichte van de gestelde kerndoelen. Deze kinderen hebben problemen met bal gooien, bal vangen, de koprol, balanceren, hinkelen en huppelen.

Enerzijds kun je je afvragen of je voor jongens en meisjes wel gelijke beweegdoelen zou moeten hanteren. Meisjes ontwikkelen zich fysiek immers anders dan jongens. Maar als je deze doelen wel wilt hanteren, is het van belang dat ieder kind voldoende begeleiding krijgt om eraan te voldoen. Maar mogen we dat verwachten van een groepsleerkracht, die over het algemeen beperkte kennis heeft van beweegbegeleiding?

"Het blijkt dat in groep 1 en 2 kinderen om verschillende redenen niet voldoen aan de motorische norm"

Het jongetje dat moeilijk kan rennen krijgt geen extra begeleiding, maar mag op doel staan. Daarmee leert hij echter niet om goed te bewegen. Het blijkt dat in groep 1 en 2 de kerndoelen in veel gevallen niet worden gehaald. Kinderen kunnen om verschillende redenen niet voldoen aan de motorische norm. Het gevolg is dat ze worden doorverwezen naar MRT.

Wederom wordt daarmee geprobeerd om aan de achterkant te repareren wat er aan de voorkant misgegaan is. Overigens is in 2015 het aantal doorverwijzingen verwaarloosbaar vanwege het feit dat de verantwoordelijkheid voor MRT vanuit de gemeente is overgedragen aan de scholen. Die hebben hier echter nog geen plan voor opgesteld, waardoor kinderen nu tussen wal en schip raken. Voor mij een duidelijk signaal dat we snel aan de voorkant moeten investeren!

Er is méér nodig...
Zijn we er hiermee dan? Zeker niet. Het zou natuurlijk te simpel zijn om te stellen dat het invoeren van de vakleerkracht nieuwe stijl de jeugd aan het bewegen krijgt en houdt. Ik heb weliswaar de overtuiging heb dat het goed kunnen bewegen bijdraagt aan sportplezier en daarmee uitval reduceert. Maar er is meer nodig.

Zo zal de leefomgeving meer moeten uitnodigen om te (leren) bewegen. Voorbeeld: bij ons voor het huis ligt een grote open ruimte met bosjes, een boom, een glijbaan en een wipkip. Althans, er stond een wipkip totdat de kinderen in onze straat daar te oud voor werden en hem uit baldadigheid uit de grond hebben gegraven. Dat was nadat verschillende plannen van de buurt voor andere toestellen door een gemeenteambtenaar resoluut waren afgekeurd. De wipkip werd door de gemeente opgeruimd waarna er nog bosjes, een boom en een glijbaan restten.

"En nu staat er een eenzame glijbaan. Tot zover de uitnodiging tot bewegen vanuit de omgeving..."

De boom werd al gauw een klimboom. Hele groepen kinderen leefden zich uit, totdat buurtbewoners klachten daarover indienden met als argument dat een boom geen klimtoestel is. De bosjes werden vervolgens door fietsende kinderen omgeturnd tot een crossbaan. Na enkele weken werden de bosjes verwijderd en kwam er betegeling voor in de plaats. En nu staat er nog een eenzame glijbaan. Tot zover de uitnodiging tot bewegen vanuit de omgeving. Probeer je eens voor te stellen welke mogelijkheden er ontstaan wanneer de verantwoordelijke wethouders van Sport, Ruimtelijke Ordening en Onderwijs met elkaar om tafel zouden gaan om hun beleidsdoelstellingen te combineren. De kinderen uit onze buurt zouden daar veel plezier van kunnen hebben!

Professioneel kader
Een andere stap die van belang is voor het meer laten bewegen van jeugd is het opleiden en aanstellen van professioneel kader bij verenigingen. Kinderen bij een vereniging krijgen is namelijk erg eenvoudig. Maar kinderen bij de vereniging houden is enorm moeilijk. Daarvoor is kwalitatief goed sportaanbod nodig, verzorgd door opgeleid kader.

In mijn ogen is de trainer één van de belangrijkste factoren voor het behoud van jeugdleden. Maar in veel gevallen is de jeugdtrainer helaas een sluitpost. Op de selectiegroepen staan als vanzelfsprekend de beste trainers. De kinderen in die groepen zijn echter bovengemiddeld gemotiveerd en haken minder snel af. Maar de kinderen met talent voor breedtesport worden voornamelijk beziggehouden door een goedwillende ouder, die toevallig tijd heeft op momenten dat anderen werken.

Ondanks dat deze ouder enorm zijn best doet om de kinderen nuttig bezig te houden, ontbreken meestal de kennis en vaardigheden die eigenlijk nodig zijn. En dat terwijl we weten dat ouders bereid zijn om meer te betalen voor betere kwaliteit van het aanbod. Bovendien groeit het aantal ondernemende trainers die arbeidsperspectief zien ontstaan. Hier liggen dus enorme kansen voor verenigingen!

"Ik geloof in investeren aan de voorkant met vakleerkrachten nieuwe stijl, een uitdagende leefomgeving en professioneel kader bij verenigingen"

De basis om mensen aan het bewegen te krijgen en te houden is echter het creëren van een patroon, zoals Koen Breedveld betoogde. En patronen zijn relatief eenvoudig aan te leren, maar ongelooflijk lastig af te leren. Daarom geloof ik in investeren aan de voorkant met vakleerkrachten nieuwe stijl, een uitdagende leefomgeving en professioneel kader bij aanbieders zoals verenigingen. Er zullen altijd mensen blijven die niet of onvoldoende blijven sporten/bewegen, maar we kunnen het aantal wel verkleinen door op de juiste plekken te investeren.

Efficiëntere inzet financiële middelen
Zijn er financiële middelen beschikbaar om te investeren? Jazeker, maar dat vraagt om een herschikking in sportland. Er zijn immers vele subsidieregelingen van VWS, NOC*NSF, provincies, gemeenten en sportbonden; allemaal gericht op een verhoging van de sportparticipatie. Met een frisse blik zouden die middelen een stuk efficiënter ingezet kunnen worden, minder versnipperd.

Bovendien gaat er ook veel geld om in de ondersteuning van sportaanbieders. Zo hebben veel sportbonden een eigen ondersteuningsafdeling, evenals provinciale sportraden en gemeentelijke sportbedrijven. Allemaal komen ze op dezelfde locaties, soms zelfs voor dezelfde organisaties. Mijn vereniging kan bijvoorbeeld gebruik maken van ondersteuning door de KNGU, door de provinciale sportraad en door de gemeente. Het gaat dan om gedeeltelijk dezelfde producten en diensten. Ook hier valt dus een efficiency-slag te maken, zodat middelen meer ingezet kunnen worden aan de voorkant.

Ik zal de voetbalvereniging van mijn zoontje adviseren om niet te investeren in mooie pleisters met het clublogo erop, maar in een andere trap.

Peter van Tarel is ruim zestien jaar werkzaam bij de Nederlandse Volleybal Bond, momenteel als regiomanager. Hij heeft in die periode ruime ervaring opgedaan op het gebied van sportmanagement en met de diverse sportstimuleringsregelingen. Daarnaast is hij voorzitter van een Omnivereniging met ruim 700 leden en vader van drie sportende kinderen. Voor meer informatie: peter.van.tarel@nevobo.nl

« terug

Reacties: 20

Jacob van Schaik
24-11-2015

Als voorzitter van Stichting Sport=Baas bevorder ik vakkundig bewegingsonderwijs op het basisonderwijs. Ook mijn gedachte is bewegen te bevorderen bij de basis en dus op de basisschool en dus niet pas bij de sportverenigingen, hoewel de naam anders zou kunnen doen vermoeden. In het Sociaal Domein wordt gesproken van zo veel mogelijk ondersteuning van Algemeen Gebruikelijke Voorzieningen, dat is eerder een school dan een sportvereniging gezien de budgetbeperkingen van velen. De initiatieven voor superlatieven en specialiteiten zijn talrijk, maar ik wil waken om budget te blijven fragmenteren en de basis te veronachtzamen. Begin bij het begin van iedereen, dus groep 1 op elke basisschool; neem geen hindernissen weg, maar leer zo vroeg mogelijk daar mee om te gaan. Dus ik pleit niet voor een andere trap voor voetballertjes, maar voor verbetering van de locomotorische vaardigheden (horizontaal, verticaal en diagonaal .. ;-) ) Verder heb ik slechts hulde voor deze column van Peter van Tarel. 

Hilde Bax
24-11-2015

Dit pleidooi voor de vakleerkracht bewegen & sport/bewegingsonderwijs nieuwe stijl in het basisonderwijs onderschrijf ik volledig. Op school worden alle kinderen bereikt, juist ook de kinderen die vanuit thuis minder worden gestimuleerd om te bewegen en/of te sporten in verenigingsverband.

Onder deskundige leiding worden kinderen op school geïntroduceerd in veel verschillende sport- en bewegingssituaties. Op school ligt de basis voor een leven lang bewegen en sporten en daar moet ervaren worden dat bewegingsactiviteiten plezierig zijn om (met elkaar) te doen. De leerervaringen op school zouden moeten maken dat kinderen hun keuze voor sport en bewegingssituaties buiten de school kritischer en meer verantwoord kunnen maken. Daarvoor is natuurlijk belangrijk dat de vakleerkracht contacten heeft met gemeente en sportaanbieders buiten de school. Ook zouden kinderen in de lessen moeten leren samen aan de slag te gaan met sport en bewegingssituaties en regeltaken op zich te nemen. Sociale vaardigheden komen op een speelse manier aan bod. Verder levert b&s op school een (bescheiden) bijdrage aan de beweegnorm. Investeren in de vakleerkracht nieuwe stijl is investeren in de jeugd van nu en volwassenen in 2032.

Jo Lucassen
24-11-2015

Peter,

Je slaat de spijker keihard op zijn kop!

Gelukkig komt er langzaamaan meer aandacht voor het bewgingsonderwijs op de basisschool. Want, zoals je betoogt: als we weten te voorkomen dat kinderen op jonge leeftijd achterstanden in motorische vaardigheid en deelname bekwaamheid oplopen, kan veel kostbaar en moeilijk repareerwerk achterwege blijven. Daarin speelt bewegingsonderwijs op school voor alle kinderen een belangrijke rol en daarom is de kwaliteit van vakleerkrachten broodnodig (op zijn minst in combinatie met de bij gym actieve bevoegde groepsleerkrachten). Maar naast de leerkracht op school zijn andere 'sport- en beweegopvoeders' ook van belang. Ouders kunnen veel doen in de stimulering van een sportieve leefstijl bij kinderen. Bij een deel daarvan komt die rol echter niet goed uit de verf. Omdat negen van de tien kinderen in de basisschoolleeftijd kortere of langere tijd op een sportclub zitten (en vaak al op jonge leeftijd) liggen ook daar prachtige kansen en mogelijkheden om de basis te leggen voor een levenslang enthousiasme voor sport en bewegen. Terwijl de sportclubs in Nederland kinderen veelal met open armen ontvangen, is de scope soms nog erg smal en is er weinig aandacht voor ontwikkeling in de breedte (sportadvies) en voor blijvende deelname. Nu staat het beste kader vaak juist voor de selectieteams en moet de jeugd het soms doen met goedwillende ouders. Om op dit punt voortuitgang te boeken en de begeleiding van kinderen als geheel te verbeteren is inzet van beter kader een absoluut vereiste. Sportverenigingen, scholen en ouders moeten elkaar daarnaast meer opzoeken, over de schutting van hun eigen terrein heen willen kijken hoe ze door samenwerking de stimulansen voor levenslang sport- en beweegplezier voor hun pupillen kunnen bundelen en versterken: op naar maximale synergie in de keten van sport- en beweegopvoeders.

Daan
24-11-2015

Goede ideeen!

Ik durf nog wel een stap of twee verder te gaan. 

1) Dat wordt voor sport geldt, geldt ook voor cultuur: tekenen, handvaardigheid, muziek, toneel, dans. immers dat zijn ook kwaliteiten! 

2) Laten we in dezelfde slag de schoolroosters aanpassen. Lessen sport, (maar ook cultuur!) als onderdeel van het schoolroosters. Stel dat iedereen op de basisschool tussen twee en vier, vier dagen per week, iedereen aan muziek sport, toneel of aan het pianospelen is.

(Omdat dat roostertechnisch waarschijnlijk wat moelijk is kun je dat natuurlijk ook tussen 12 en 2 doen, of tussen 10 en 12 zodat niet iedereen tegelijk sport, muziek, of toneel doet,  (en in groep 2 & 3 zwemles!!).

Voor de toppers: drie van de vier dagen hetzelfde, maar voor de 'normale' kinderen: afwisseling, dag 1 en 3 sport, dag 2 en 4 cultuur! En ja ...

... in samenwerking met profesionals: gymleraren, muziekleraren dramadocenten, muziekscholen, sportclubs, .... eindelijk een goede bezetting van sportvelden, zwembaden, muziekscholen, etc

... of wacht, nog beter: bouw scholen met sport en cultuurvoorzieningen als een gebouw (of in ieder geval dichtbij elkaar).

... het het wordt nog leuker: ook kinderopvang wordt zo eenvoudiger, immers ze zitten nu tot 4 (of 5?) uur op school en doen gewoon sporten, of dans of tekenen of pianospelen of dansen, gewoon als onderdeel van de school ...

Dit zou in ieder geval mijn ideaal zijn. Maar laten we eens beginnen met Peters plan :)

Frank
24-11-2015

Eens! Oh ja, misschien nog een vakleerkracht voor Techniek? 

Wim van Gelder
25-11-2015

Peter,

Groot deel van je verhaal onderschrijf ik van harte. Met name het pleidooi om de subsidies niet/minder te versnipperen!

Enkele vragen en opmerkingen:

-MRT project is bijzonder, klinkt inderdaad als dweilen met de kraan open. Ben benieuwd naar de selectiecriteria. In het algemeen zijn jongens gemiddeld vaardiger in gooien en vangen van een bal. M.i. is motorische vaardigheid overigens niet doorslaggevend bij toewijzing MRT.

- Hopelijk bieden de (vak)leerkrachten meer kwaliteit dan momenteel bij het Nijntje beweegdiploma wordt voorgesteld! Bovendien vormt een beweegdiploma een extrinsieke motivatie om te (gaan) bewegen.

- er zijn diverse onderzoeken die aantonen dat de gemiddelde motorische vaardigheid van kinderen in Nederland afneemt, maar waar heb je de vaststelling gevonden dat de kerndoelen voor groep 1 en 2 niet worden gehaald?

- er ligt een flinke taak voor opleidingen en nascholing om leerkrachten goed voor te bereiden om de door jou beschreven taken.

Alex Grünewald
25-11-2015

Beste Peter,

Heel goed verwoord!!!

Sander Dekker zou dit moeten lezen.....

en dan overgaan tot Actie, het is de hoogste tijd! 

Bart Poot
25-11-2015

Mooi en goed verhaal Peter! Ik zou het bewegen echter nog een leeftijdsfase eerder stimuleren. Waarom pas bij het basis onderwijs beginnen en niet al bij het kinderdagverblijf? Een leven lang gezond in beweging begint bij de jeugd. Essentieel in mijn ogen is het betrekken van ouders hierbij. Bewegen zal vanuit een intrinsieke motivatie moeten komen. Met andere woorden, gezond bewegen zal in je "DNA" moeten zitten. Dit wordt gestimuleerd vanuit je omgeving. Bewegen is leuk! En nog gezond ook! Vanuit de wetenschap is bekend dat in de jonge jaren, juist een brede motorische ontwikkeling essentieel is. Een vakleerkracht kan hier uitkomst bieden. Door kinderen (en ouders) een scala aan motorische vaardigheden (de basis van verschillende sporten) aan te leren, zullen ze zich motorisch beter ontwikkelingen en een keuze voor een sport kunnen maken op basis van de ervaringen die ze hebben met de sporten.

Nolanda van Well
25-11-2015

Beste Peter, ik ben het gedeeltelijk met je eens. Natuurlijk moeten er vakdocenten het bewegingsonderwijs verzorgen, maar voedingsonderwijs is een aparte specialisatie. Er zijn nl diverse stromingen die extra aandacht verdienen, bv zijn er kinderen met overgewicht die opgroeien zonder goede voeding, kinderen die herstellen van een ziekte, of kinderen die naar verhouding te weining voeding tot zich nemen tov hun sportactiviteit. Dit laatste zie ik nl veel bij onze topsporttalenten ( kinderen die 3-5 x per week trainen en daarnaast wedstrijden spelen denk hierbij aan wielrennen, CP voetbal, tennis etc etc. De hierboven beschreven groepen lopen vaak ook achter in hun lichamelijke groei en ontwikkeling. Ik zie veel in samenwerking want in mijn optiek is 1+1 =5. 

Leendert van Gaalen
25-11-2015

Aan de hoeveelheid reacties kun je al zien dat je een pleidooi houdt waarin veel mensen geinteresseerd in zijn en zich hard voor (willen) maken. Sport Knowhow XL interviewde ons na de zomer al eens over Monkey Moves (http://www.sportknowhowxl.nl/nieuws-en-achtergronden/nieuwsberichten/nieuwsbericht/98687/), het gepubliceerde onderzoek van de UG over bewegen in het basisonderwijs zet wat in gang en de Volkskrant schreef 2 weken geleden een flink artikel over kinderen in de sport.

Ik denk dat we met slimme sociale businessmodellen kunnen kijken hoe we dit kunnen aanpakken. Persoonlijk merk ik bij BSO's en KDV's een veel meer open houding voor goed beweegonderwijs dan bij basisscholen. Is dit een andere zakelijkere instelling? Of is hier iets anders aan de hand? Zijn basisschooldirecteuren gewoon te druk met andere zaken? Met het dalend aantal kinderen dat geboren wordt zullen basisscholen zich ook moeten gaan onderscheiden om hun bestaansrecht te behouden. Beweging (en cultuur) kan een school helpen zich te onderscheiden. Zou het niet mogelijk zijn de kosten te verlagen en de kwaliteit te verbeteren als we daar met gelijk gestemden eens naar kijken?

Pieter Cornelissen (Fontys Sporthogeschool)
25-11-2015

Beste Peter,

Fontys Sporthogeschool, als opleider van leraren Lichamelijke Opvoeding en als partner van het werkveld, is het vanzelfsprekend grotendeels met je eens en wacht dan ook niet meer af totdat de overheid tot inzicht en inkeer komt. Onderstaande actie is genomen.

SALTO en Fontys Sporthogeschool brengen de gymleraar terug in het basisonderwijs
Aanstelling van gymleraren op 22 SALTO-basisscholen is een feit

Stichting Algemeen Toegankelijk Onderwijs Eindhoven (SALTO) en Fontys Sporthogeschool (FSH) starten een samenwerking waardoor de gymleraar weer een plek krijgt in het Eindhovense basisonderwijs. Sinds de jaren ‘80 werd de gymles op de basisscholen veelal verzorgd door de klasse-leerkracht met aantekening. De kwaliteit en intensiteit van het bewegingsonderwijs is daardoor onder druk komen te staan. SALTO neemt nu acht net afgestudeerde en talentvolle docenten lichamelijke opvoeding in dienst. Daarnaast moet de inzet van stagiairs tijdens pauzes en bij naschoolse activiteiten de beweegtijd van leerlingen verder vergroten.

De acht nieuwe gymleraren komen bovenop de drie al aanwezige vakdocenten in eigen dienst en de combinatiefunctionarissen van Sportformule Eindhoven. De selectie van deze vakleerkrachten heeft plaatsgevonden in nauwe samenwerking met de Sporthogeschool. De beste onlangs afgestudeerden zijn geselecteerd en benaderd. Deze nieuwe vakleerkrachten verzorgen vanaf 9 november op alle SALTO-basisscholen, afhankelijk van de grootte van de school, gemiddeld 12 tot 24 gymlessen per week. Op iedere basisschool worden door FSH bovendien vier eerstejaars stagiairs geplaatst. Mogelijk volgt later een uitbreiding met ouderejaars studenten. De net aangestelde vakleerkrachten begeleiden deze stagiairs onder extra supervisie van vak-experts van FSH.

Voorschot

Met de samenwerking nemen SALTO en Fontys Sporthogeschool een voorschot op de plannen van de overheid om meer te investeren in het bewegingsonderwijs. Uit verschillende recente onderzoeken blijkt dat meer beweging gedurende schooltijd onder meer leidt tot een betere concentratie en schoolprestaties. Ook de staatsecretaris van onderwijs Sander Dekker onderschrijft dat en stelt: “Bewegende kinderen leren beter”.

Achtergrond

Sinds de jaren ‘80 is de vakleerkracht bewegingsonderwijs (de gymleraar) verdwenen van de basisscholen. De gymles wordt vanaf die tijd verzorgd door de klasse-leerkracht met een aantekening ‘vakbekwaam bewegingsonderwijs’. Over het algemeen levert dat een leskwaliteit en -intensiteit van een ander niveau dan de gymles van de hbo-opgeleide vakleerkracht. Daarnaast lijken maatschappelijke verschijnselen als bewegingsarmoede, overgewicht en obesitas (bij kinderen) een gevolg van gedrag dat in de kinderjaren al dan niet wordt aangeleerd en verankerd.

Samenwerking en Onderzoek
De samenwerking van SALTO en Fontys Sporthogeschool (FSH) betekent een forse investering in het Eindhovens bewegingsonderwijs. SALTO en FSH staan voor kwalitatief en kwantitatief hoogstaand onderwijs. FSH wil daarnaast in nauwe samenwerking met het werkveld bijdragen aan verantwoord en duurzaam bewegen met een rol voor kennis en onderzoek. De doelstelling op korte termijn is om kwalitatief hoogstaand bewegingsonderwijs te verzorgen en aan te tonen wat goed bewegingsonderwijs betekent.

De doelstelling op langere termijn is, om door middel van de koppeling met onderzoek door ouderejaars studenten van FSH, de positieve effecten van bewegingsonderwijs aan te tonen en daarmee het bewijs te leveren dat meer bewegen daadwerkelijk leidt tot betere schoolprestaties. Ook worden daarmee mogelijk de argumenten geleverd voor een eventuele verankering van vakleerkrachten bewegingsonderwijs in het basisonderwijs.

Klik op de navlogende link voor een beeldverslag van de regionale TV-zender: http://www.studio040.nl/nieuws/32875-salto-en-fontys-willen-gymleraren-op-basisschool-terug.html

Loek Jorritsma
25-11-2015

Laten we met z'n allen dan nog een stap extra zetten. De PvdA pleit er nu voor om 5 miljoen extra in te zetten om 25.000 arme kinderen lid te kunnen laten worden van sportverenigingen. Precies zo'n voorbeeld van versnippering van geld. Veel fundamenteler is het om vast te stellen dat lid zijn van een sportvereniging hetzelfde is als het volgen van onderwijs. In beide gevallen gaat het dan om het gebruik maken van het collectieve aanbod van verantwoorde begeleiding van de jeugd op weg naar volwassenheid en het daarbij ontdekken en ontplooien van ieders talenten. Het enige verschil is dan dat het bij schoolbezoek gaat om de Leerplicht, lid zijn van een sportvereniging is op vrijwillige basis. Doel bij het Onderwijs is het leren van sportieve en motorische vaardigheden, bij de vereniging is het de intrinsieke betekenis en de bijdrage aan een gezond leven. En omdat bijv. topsporter nu ook een 'beroep' is, draagt de combinatie van Onderwijs en Sport er toe bij dat het vak 'Topsporter' op de juiste maatschappelijk verantwoorde manier kan worden aangeleerd, beoefend en worden afgesloten.

Peter van Tarel
25-11-2015

Hartelijk dank voor jullie waardevolle reacties! Mooi om te zien dat er veel mensen zijn die mijn ideeën onderschrijven en aanvullen vanuit hun eigen vakgebied en perspectief. Dat geeft aan dat er veel nagedacht wordt over beter bewegingsonderwijs. Er staan ook mooie voorbeelden tussen en ik heb zomaar het vermoeden dat ik zo her en der wat afspraken ga maken om te sparren. Ik krijg ook de vraag hoe nu verder? Want met het spuien van ideeën alleen komen we er niet. Mijns inziens moeten we ervoor waken dat we niet beginnen met wéér een lobby in Den Haag en het formuleren van nationale beleidsprogramma's. Verandering van attitude of gedrag gebeurt veelal door noodzaak of inspiratie. Dat geldt ook voor beleidswijzigingen. De politieke noodzaak zal niet snel groot genoeg worden, ondanks alle rapporten en onderzoeken over het nut van goed bewegingsonderwijs. Dus laten we insteken op de inspiratiekant. De genoemde voorbeelden laten zien dat ondernemerschap op lokaal of regionaal niveau kan leiden tot verandering. Kijken naar kansen en inspelen op de lokale/regionale mogelijkheden. Om vervolgens succesverhalen breed te delen. Iedereen kan dus direct aan de slag om de situatie op dat niveau aan te pakken. Slagvaardigheid en creativiteit aan de onderkant kan leiden tot inzicht en besluitvorming aan de bovenkant!

Theo van de Rijt
25-11-2015

Voor mij is de kern van het verhaal die ene zin:

 "Ik geloof in investeren aan de voorkant met vakleerkrachten nieuwe stijl, een uitdagende leefomgeving en professioneel kader bij verenigingen".

Als KVLO, NISB en NOC*NSF een dagje met elkaar op de hei gaan zitten onder jouw leiding dan zijn we binnen de kortste keren verlost van van een heleboel ballast in sportland en kunnen we ons gaan bezighouden met kerntaken.

Ik sluit me van harte aan bij Jo Lucassen: inderdaad de spijker op zijn kop.

Peter van Tarel
27-11-2015

Beste Daan, dank voor je reactie. Je komt daarmee erg dicht bij mijn droom: "Ieder kind wordt op vakkundige en professionele wijze begeleid naar een sport of cultuur die bij hem past." Ik onderschrijf je ideeën dus!

Peter van Tarel
27-11-2015

Beste Nolanda, ook jij bedankt voor je reactie. Ik ben met je eens dat het thema voeding echt een specialisatie is. Zo zijn er meer. Daarom hoeft de vakleerkracht 'nieuwe stijl' ook niet alle expertise zelf in huis te hebben, maar moet hij zorgen dat hij verbindingen heeft met alle mogelijk relevante partijen die op basis van expertise ingevlogen kunnen worden. Dan is hij efficiënt.

Jenny Waning
28-11-2015

Hé Peter, we hebben hier natuurlijk al vaker met elkaar van gedachten gewisseld en je weet dat ik het met je eens ben. Als toevoeging nog wel het volgende. De gemeente heeft de verantwoordelijkheid voor mrt niet overgedragen aan het onderwijs, die lag daar altijd al. Wel is  de scholen te ondersteunen met mrt vanuit de combinatiefunctionarissen. Ondertussen is met de schoolbesturen gezocht naar een structurelere oplossing. Helaas is dat vooralsnog niet gelukt.

Wellicht overbodig, maar zowel sport als muziek helpt kinderen op school beter te presteren in de klassieke vakken.

Ook ik zou graag de vakleerkracht bewegingsonderwijs weer prominent aanwezig zien binnen het onderwijs, maar zolang dat niet zo is ben ik ook blij met de regelingen die er zijn om sport, bewegen en gezond leven te bevorderen.

Jenny Waning

Remo Mombarg
13-12-2015

Peter, een mooi en helder betoog! Ieder kind heeft recht op een sportieve opvoeding! Dit betekent dat vanuit een kind gedacht moet worden hoe een passend aanbod, adequaat begeleidersgedrag en een krachtige omgeving geboden kan worden. Dit betekent dat vakleekrachten, groepsleerkrachten, sportbegeleiders en trainers vanuit deze gedachte moeten gaan kijken wat het kind nodig heeft om te komen tot optimale ontwikkeling. Deze kindgerichte 'op maat' benadering maakt het noodzakelijk dat we meer aandacht besteden aan de kwaliteit van de mensen die zich met de sportieve opvoeding bemoeien. Het is namelijk best ingewikkeld om er voor te zorgen dat ieder kind wat leert (vaardigheid), ieder kind een positieve beleving (attitude) heeft en ieder kind leert hoe hij zijn eigen gedrag (zelfregulatie) kan reguleren. Uit divers onderzoek (Aart, 2015; Sluis, van der, 2014) blijkt dat een leerkracht die om kan gaan met deze diversiteit er voor kan zorgen dat alle kinderen van sport gaan houden en hun leven lang willen en blijven sporten. Dit vraagt om: stevige ALO, PABO+ en MBO-opleiding, bijscholing en onderzoek naar wat werkt voor ieder kind. Hierbij moeten we ons niet alleen richten op de toptalenten, maar zijn we verplicht om het talent uit ieder kind te halen! 

Jacob van Schaik
15-12-2015

Rene; In een betoog over passend aanbod en adequate begeleiding past in mijn optiek geen afsluitend pleidooi voor een PABO+ opleiding. Daar zijn twee argumenten voor. Ten eerste is lichamelijke opvoeding van (jonge) kinderen een vak en bovendien een dermate ingewikkeld vak dat het specialisatie vergt: de ALO. Ten tweede geef ik in overweging dat ook de cognitieve vakken die hoogwaardige begeleiding vergen. De talentvolle begeleiders bij die vakken zijn niet perse goede bewegers en moeten ook niet gedwongen worden een proeve van beweeg-bekwaamheid op een sportveld af te leggen alvorens hun geniale kanten in het lokaal te mogen tonen. Ook daar zou veel talent (dit keer bij de leraren i.p.v. leerlingen) verloren kunnen gaan. 
Ik ijver voor ALO-ers voor de LO-lessen. 

wouter
06-01-2016

Mooi stuk,

Hierop aansluitend:

Zou de overheid ook niet eens de salarissen van het VO en het PO wat betreft het bewegingsonderwijs moeten heroverwegen? Volgens mij worden de belangrijkste stappen in de motoriek niet gemaakt NA het twaalfde levensjaar... maar ERVOOR. En toch "verdienen" de VO docenten lichamelijke opvoeding gemiddeld aanzienlijk meer dan de PO leerkrachten.

Ook de KVLO maakt zich hier niet hard genoeg voor omdat: "de meeste leden van de KVLO uit het VO komen." (Citaat niet nader te noemen werknemer van de KVLO)

Ik kom duidelijk uit het PO. Als ik ze niet goed leer bewegen haalt mijn collega van het VO de opgelopen bewegingsachterstand niet meer in, zeker niet bij kinderen die niet de mogelijkheid hebben om van huis uit te sporten.

Jacob van Schaik:

Ik sluit me helemaal aan bij jouw argumenten wat betreft de PABO+ opleiding. Ik haal toch ook niet in een half jaar mijn "voor de klas staan" aantekening???

Verder:

Geen versnippering van gelden!! Investeer in capaciteit voor de door een ALO-er gegeven gymles in het PO.

Wouter Ooijevaar

Reactie toevoegen

Naam*
E-mailadres*
Reactie*
Stuur mij een e-mail als er een nieuwe reactie wordt geplaatst