26 mei 2015
Opinie
door: Harry Stegeman
We hebben het er maar druk mee. Moesten we eind vorig jaar al met OCW-staatssecretaris Sander Dekker meedenken over de toekomst van het onderwijs (zie mijn vorige column), twee maanden terug was het de minister zelf die ons opriep haar te helpen bij het in elkaar steken van de Nationale Wetenschapsagenda. Er zal straks in die agenda toch ook wel een stevige plek zijn voor onderzoek naar bewegingsonderwijs?
Op 12 maart was in De Wereld Draait Door – hét podium voor dat soort dingen, vandaag de dag – de aftrap van de Nationale Wetenschapsagenda. Katja Schuurmans, Mark Rutte en Hans Clevers mochten alvast de eerste onderzoeksvragen indienen. ‘U en ik, wij allemaal’ moesten nog tot 1 april wachten.
De Nationale Wetenschapsagenda is een uitvloeisel van de Wetenschapsvisie van het kabinet, die op meer aansluiting van het onderzoek bij de samenleving hamert. Het ministerie van OCW wil meer lijn brengen in de, nu nog, tutti frutti van programma's en agenda's die het moeten hebben van het overheidsbudget voor wetenschap. De agenda, die in het najaar van 2015 klaar moet zijn, gaat straks doorwerken in de profilering van de universiteiten en hogescholen, de programmering van de partners van de kenniscoalitie, de ontwikkelingsrichting van de nationale onderzoeksinstituten en de investeringen in grote onderzoeksfaciliteiten. Dat is het idee. Wie precies het naadje van de kous wil weten, komt op www.wetenschapsagenda.nl aan z’n trekken.
Inspiratiebron
Minister Bussemaker vindt dat de Nationale Wetenschapsagenda dé inspiratiebron voor onderzoekers moet worden, omdat het ‘essentieel is dat ze zich laten inspireren door de maatschappelijke kennisbehoeften’. Die ontboezeming schoot bij menige wetenschapper in het verkeerde keelgat. De een: ‘Alsof wetenschappers nu nog steeds als wereldvreemde zombies in hun ivoren toren zitten, en gewoon maar doen wat ze willen’. De ander: ‘Het zal toch niet zo zijn dat burgers ons de wet gaan voorschrijven en er geen ruimte overblijft voor nieuwsgierigheid, verbeelding en spontane invallen?’
En daar wond de minister zich weer over op: 'Het wordt me toch echt te gortig als nu ook de wetenschappers al een loopje nemen met de waarheid. Het kabinet schreef toch dat wetenschappers, ondernemers, maatschappelijke organisaties, betrokken burgers en de overheid sámen de wetenschapsagenda maken. Als dat geen klare taal is. We laten niemand iemand anders iets voorschrijven: we roepen juist op tot samenwerking. En laat vooral ook helder zijn dat deze inventarisatie zeker niet de volledige researchagenda gaat bepalen. Iedereen in de kenniscoalitie is het erover eens dat vrij onderzoek essentieel is voor goede wetenschap.'
Bijna twaalfduizend vragen
De termijn om vragen in te dienen liep op 1 mei af. De buit: op de kop af 11.699 vragen. Die worden momenteel door vijf wetenschappelijke jury’s van alle kanten bekeken. De idee: door inhoudelijk verwante vragen te bundelen ontstaat overzicht, worden patronen zichtbaar en komen mogelijke onderzoeksterreinen in beeld.
De kenniscoalitie gaat de komende maanden met kennisinstellingen, bedrijven, maatschappelijke organisaties, vragenstellers en andere geïnteresseerden ‘in dialoog’. Vervolgens maakt een stuurgroep een definitieve selectie van de vragen en groepeert deze binnen een stuk of tien thema’s of onderzoeksterreinen. En die samen gaan dus de nationale wetenschapsagenda voor de komende tien tot twintig jaar vormen.
Iedereen mocht meedoen
Dat ook wetenschappers of hun instellingen zelf onderzoeksvragen konden aandragen, stond vanaf de lancering van het project bij DWDD al vast. De nadruk heeft aanvankelijk misschien wat erg stevig op het grote publiek gelegen, erkent een woordvoerder. 'Maar dat was omdat we heel benieuwd waren naar wat er in dat domein te halen is.'
Nou, ook dit dus:
• Is het een weeffout of onvermijdelijk dat een democratie zich volgens de eigen spelregels kan opheffen? • Bestaat er een verband tussen de beloning van wetenschappers en de relevantie van hun ontdekkingen? • Waar zit de identiteit bij een hoofdtransplantatie? • Waarom kunnen mensen beschadigde lichaamsdelen niet herstellen als salamanders? • Waarom spreken jonge allochtonen anders dan autochtonen? • Waarom hebben mensen benen? • Hoe kan het dat wij mensen zo slim zijn? • Waar blijft het donker als het licht aangaat? • Zweven er buitenaardse vissen rondom Jupiter? • Word je nou wel of niet agressief van vlees? • Kunnen vissen vinden dat andere vissen uit hun mond stinken?
En als het om sport gaat:
• Wat is nu écht de reden dat wij Nederlanders kunnen schaatsen? • Waarom zit de een de hele dag op de bank voor de TV en is de ander de hele dag in de weer? • Waarom gaan alle sporten die in een rondje gaan altijd tegen de klok in? • Is er een meer gebruiksvriendelijke manier van het slepen van tennisbanen te ontwikkelen? • Wat levert het op als de dokter geen pillen maar sporten voorschrijft? • Hoe kunnen banden nog steeds lek gaan tijdens sporten? • Waarom zijn er meer mensen rechtsbenig dan linksbenig?
Gelukkig kwamen de wetenschappers zelf, de meesten pas in de laatste week van april, ook met hun suggesties. Voor wie geïnteresseerd is in de vragen: ze staan allemaal op www.wetenschapsagenda.nl (waar je een zoekterm kan invoeren).
Kernwoorden-topvijftig
Om alvast een eerste indruk te krijgen van de onderzoeksinteresses van de bijna twaalfduizend vragenindieners is een kernwoorden-topvijftig gemaakt. Aan kop gaan, het zal niet verbazen: gezondheid, energie, hersenen, duurzaamheid, economie, onderwijs, klimaatverandering, innovatie, technologie en biodiversiteit. Sport staat met 227 ‘hits’ rond plaats dertig.
De zoektermen (in de vraag zelf of in de toelichting) 'bewegingsonderwijs' en 'lichamelijke opvoeding' leveren samen zo’n vijfentwintig onderzoeksvragen op. Ik heb ze hier voor u op een rijtje gezet.
Bewegingsonderwijs in de top 10
De hele onderneming culmineert dus in het najaar in een stuk of tien centrale onderzoeksthema’s voor de komende tien of twintig jaar. Kijkend naar de kernwoordentop zal - noem het - ‘Welzijn & Gezondheid’ straks wel zo’n thema zijn, net als ‘iets met of rondom’ energie, economie, technologie, duurzaamheid en onderwijs.
Maar laat ik nou van de week gedroomd hebben dat Alexander Rinnooy Kan en Beatrice de Graaf het kabinet in november gaan adviseren – ondanks die armzalige vijfentwintig vragen – ook ‘bewegingsonderwijs’ op die lijst van tien meest belangwekkende onderzoeksterreinen te zetten! Simpelweg, omdat de betekenis van bewegen en sporten voor (vooral) het individu en de samenleving als geheel zo enorm is en de rol daarbij van het bewegingsonderwijs zo gewichtig. Ik mocht zelfs al even in – of is het: op? – die definitieve Nationale Wetenschapsagenda kijken en kan me nog wat flarden van de paragraaf ‘Bewegingsonderwijs’ herinneren. Onder het kopje ‘Bewegingsonderwijs als motor voor sport en bewegen’ zie ik bijvoorbeeld zo nog staan:
(…) ‘Sport brengt mensen bij elkaar en is van groot maatschappelijk belang. Kinderen verwerven er belangrijke sociale vaardigheden. Voldoende en veilig sporten houdt jonge en oudere mensen fitter en gezonder. We willen dat meer mensen kunnen sporten en bewegen in hun eigen omgeving’ (Regeerakkoord, 2012)
(…) ‘Sporten en bewegen is goed voor de lichamelijke en mentale gezondheid en de sociale contacten. Maar er zijn nog te weinig mensen die genoeg bewegen of sporten. De Rijksoverheid wil mensen stimuleren meer te sporten en te bewegen’ (VWS, 2013)
Laat helder zijn dat de mogelijke positieve effecten van sport en bewegen zich niet als vanzelf voordoen. Binnen vooral het onderzoeksthema Welzijn & Gezondheid wordt nader onderzoek gedaan naar de precieze effecten van sport en bewegen. De kern-onderzoeksvraag is: welke vorm van deelname aan sport en bewegen kan in welke situatie en onder welke voorwaarden voor welke doelgroep welke effecten hebben? (…)
Ik kan me ook dit nog goed voor de geest halen:
(…) Bewegen en sporten is goed, voor ieder mens afzonderlijk en voor de samenleving als geheel. Bewegen draagt bij aan de kwaliteit van het bestaan, een leven lang. De basis wordt gelegd in de jeugd. De rol van het bewegingsonderwijs is daarbij cruciaal, de school bereikt immers álle jongeren. De doelstelling van het bewegingsonderwijs is kinderen en jongeren (meer) bekwaam te maken voor zelfstandige, verantwoorde, perspectiefrijke en blijvende deelname aan de bewegingscultuur.
Onze jeugd leert op school vanuit verschillende motieven deel te nemen aan de bewegingscultuur in al haar verschijningsvormen en bijhorende contexten. Door de leerlingen te laten ervaren hoeveel plezier en voldoening bewegen kan oproepen, raken en blijven ze gemotiveerd voor bewegen en sport, op school en in de vrije tijd (…)
En dit:
(…) Maar wat moeten kinderen en jongeren nu precies kunnen en weten voor die succesvolle en blijvende deelname aan sport en bewegen? En wat daarvan moeten ze in het onderwijs leren? Gebeurt dat ook, leren ze dat daar ook?
Er is nog slechts sporadisch onderzoek gedaan naar hoe het bewegingsonderwijs feitelijk wordt gegeven en welke leer- en eventuele ontwikkelingsresultaten dit oplevert. Wat is de opbrengst van het bewegingsonderwijs? Hoe kan die worden vastgesteld? Zijn de huidige onderwijsdoelen en de huidige programma’s goed toegesneden op wat nodig is? Hoe ziet een leeromgeving eruit waarin de gewenste opbrengsten optimaal gerealiseerd kunnen worden? Hoe kan de motivatie voor bewegen en sport, in het bijzonder bij de minder sportieve leerlingen, worden bevorderd? Welke programma’s zijn in welke situaties effectief? (…)
Wat dieper in mijn geheugen gravend komt er nóg een tekstbrok naar boven, eentje onder het kopje ‘Neveneffecten van bewegingsonderwijs?’:
(…) ‘Bewegen en sport worden in toenemende mate gezien als middel om maatschappelijk belangrijke doelen te bereiken. Om overgewicht tegen te gaan bijvoorbeeld of om een gezonde leefstijl te ontwikkelen. Om sociale integratie en maatschappelijke betrokkenheid te bevorderen en om cognitieve schoolprestaties te verbeteren en schooluitval te verminderen.
Dit zouden stuk voor stuk ook doelen of nagestreefde effecten kunnen zijn van de sport- en beweegactiviteiten die iedere school idealiter naast het reguliere bewegingsonderwijs aanbiedt. Het zijn geen bewegingsonderwijsdoelen. Maar misschien wel gunstige neveneffecten van het bewegingsonderwijsprogramma, noem het bijvangst. Onder welke voorwaarden kan een primair op deelname aan bewegingscultuur gericht bewegingsonderwijsprogramma gunstige neveneffecten als de hier bedoelde hebben? (…)
Wakker
Dat is wat ik me nog herinner van die droomtekst. Nu ik er nog een keer een blik op werp, vermoed ik dat de auteurs ook even met een schuin oog naar de net verschenen Trendanalyse Bewegingsonderwijs en sport van de SLO hebben gekeken.
Ik kan natuurlijk niet helemaal uitsluiten dat die droom van mij niet uitkomt en dat in november blijkt dat bewegingsonderwijs niet een van die tien top-onderzoeksterreinen in de Nationale Wetenschapsagenda wordt. Maar het kan niet zo zijn dat er binnen het thema ‘Onderwijs’ – en binnen ‘Gezondheid & Welzijn’ en wellicht op meer plekken – aan het bewegingsonderwijs en, breder, aan bewegen en sport op en rondom school voorbij wordt gegaan. Stel je voor dat we het straks alleen maar moeten hebben van de onderzoekers met verbeelding of spontane invallen...
Harry Stegeman (1946) was achtereenvolgens leraar lichamelijke opvoeding in het middelbaar beroepsonderwijs, wetenschappelijk medewerker aan de Interfaculteit Lichamelijke Opvoeding (VU), beleidsmedewerker op het ministerie van Onderwijs, directeur studentensport aan de Universiteit Utrecht, beleidsmedewerker bij de KVLO, hoofdredacteur van Lichamelijke Opvoeding, senior-onderzoeker bij het Mulier Instituut en lector Bewegen en gedragsbeïnvloeding aan de Hogeschool Windesheim. Hij promoveerde op een onderzoek naar de legitimatie en doelstellingen van het schoolvak lichamelijke opvoeding.
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.