12 mei 2015
Opinie
door: Paul van Kempen
De twee vorige delen van mijn vierluik over 'de vereniging als springplank' hadden 'het product' en 'de productiemiddelen' als onderwerp. Verenigingen hebben namelijk de mogelijkheid om met meer aandacht voor de bijproducten een belangrijke verbetering van het verwachte hoofdproduct te realiseren. Kinderen gaan daardoor beter presteren, met meer plezier in een leuker team. De vereniging speelt dan beter in op meer behoeftes van meer leden en van de maatschappij waardoor de vereniging meer waarde krijgt en zijn financiële positie verbetert. Voorwaarde daarvoor is wel dat de vereniging onder meer de nodige aandacht besteedt aan haar organisatie en in het bijzonder aan de positie van bijzondere sleutelfiguren daarin.
Het beter inspelen op behoeftes van (meer) leden geldt met name voor kinderen met bijzonderheden zoals: obesitas, autisme, adhd , angst of kinderen met een problematiek door een gebrekkige thuissituatie. Sport geeft mogelijkheden om op een positieve en normale manier hulp te bieden aan deze kinderen. Als vrijwilligers en leden wat extra informatie hebben over het kind, ontstaat er meer begrip waardoor prestaties en plezier niet verstoord worden door ruis vanwege de beperking.
De extra begeleiding van kinderen in bijzondere omstandigheden door vrijwilligers is doorgaans maar beperkt. Die vrijwilligers zullen een scholing op dit gebied leuk en interessant vinden. Met meer kennis en een beter verenigingsbeleid zullen vrijwilligers hun werkzaamheden als eenvoudiger en prettiger gaan ervaren.
Verenigingen kunnen gesegmenteerd worden naar het niveau waarop ze een extra rol (kunnen) vervullen voor de jeugdzorg. Niet iedere vereniging bereikt het hoogste niveau en daarmee wordt rekening gehouden tijdens de begeleiding. Dit is het werkterrein van de pedagogisch coördinator met als taken:
1. Zorgen voor een positief opvoed- en opgroeiklimaat en een gezond sportklimaat (waaronder blessurepreventie).
2. Zorgen voor de vertaling van leerprocessen vanuit het onderwijs naar vereniging en andersom (bijvoorbeeld in projectperioden) plus ondersteuning digitale portfolio.
3. Samenwerking met wijk, tussen verenigingen, met jeugdzorg en met gemeente.
4. Vroegtijdig signaleren van opvoed- opgroei- problemen of stoornissen.
5. Warme overdracht leden die willen veranderen van activiteit (vaste klanten): aansluiten bij wensen en behoeften van de deelnemer, sport- en beweegmogelijkheden in de buurt inzichtelijk maken en kinderen hiermee laten kennismaken.
Daarna kan iedere vereniging verder klimmen op de ladder van de jeugdhulpverlening. Hierbij komt een nieuwe functie in beeld: de zorgcoördinator. Dat is opnieuw een combinatiefunctionaris die in deeltijd in het sportbedrijf en in de jeugdzorg werkt, Echter hij werkt op een minder breed terrein dan de pedagogisch coördinator maar wel met meer diepgang en de volgende taken:
6. Omgaan met probleemjongeren door scholing, instructie, coaching van vrijwilligers, leraren, leden en ouders.
7. Signaleren en monitoren: het waarnemen en verzamelen van informatie over kinderen met een problematiek, gedurende langere tijd op afstand met de bedoeling om wisselingen in stemming en gedrag vast te leggen en dit door te geven aan hulpverlener. Dit gebeurt in samenwerking met het kind en de ouders. Hij bewaakt daarbij ook het contact van de trainer met langdurig geblesseerde kinderen.
8. Netwerken en makelen: hij heeft kortere lijnen en snellere doorverwijzing van de zorg binnen een regio. Hij is goed op de hoogte van het aanbod bij de verenigingen en heeft daar goede contacten. Hij is op de hoogte van de mogelijkheden binnen een wijk zoals samenwerkingsverbanden (wijkraad, buurtzorg). Binnen het onderwijs in zijn regio is hij bekend en heeft hij regelmatig contact inzake problemen met jongeren. Door zijn rol is het veel eerder mogelijk om problemen te signaleren en er adequaat met de juiste zorg op te reageren. Hij is de zorgzame spin in het web en weet wie waar, waarover en wanneer is aan te spreken voor welke zorg .
9. Sport als middel binnen zorgtrajecten met extra begeleiding vanuit jeugdzorg en met een specifiek doel (bijvoorbeeld agressiebeheersing door judo). Dit kan soms geïntegreerd met andere kinderen of tijdelijk apart.
10. Nazorg en indien nodig terugverwijzing, wanneer kinderen weer bij een gewone vereniging zijn gaan sporten na een zorgtraject.
11. Evaluatie: Hij gaat niet op de stoel zitten van de hulpverlener maar kijkt als ervaringsdeskundige kritisch naar de gevolgde procedures en resultaten. Zijn bevindingen worden periodiek vastgelegd en gebruikt binnen verschillende niveaus van de jeugdketen ter verbetering van de organisatie.
Per regio is er tenminste één zorgcoördinator die samen met de pedagogisch coördinator de verenigingen ondersteunt in het pedagogisch beleid, de jeugdzorg en de samenwerking. De zorgcoördinator heeft minder kinderen onder zijn hoede maar de problemen zijn groter en dus is zijn contact intensiever. Ook zijn contacten met de hulpverleners (artsen, psychiaters, maatschappelijk werkers) binnen de jeugdzorg eisen veel tijd. Informatieverzorging is voor hem een groot aandachtspunt. Binnen zo’n regio zitten voldoende maatschappelijke verenigingen om voor de jonge bewoners een aantrekkelijk pallet aan keuzes en mogelijkheden te vormen, voor sport/spel/cultuur/muziek en onderwijs.
Samenwerking van de verenigingen met het onderwijs vergroot de impact van het leerproces voor alle partijen. Hoe intensiever je een onderwerp vanuit meerdere invalshoeken belicht, des te groter is het leereffect. Het additionele product van de sportvereniging en dus het klimaat zal daar makkelijker worden verbeterd waardoor ook het verwachte product van die sportvereniging sneller in waarde toeneemt. Dit alles voorkomt veel problemen bij kinderen. De club is nu een veilige thuishaven voor de storm die er thuis of in hun hoofd woedt. Pesten wordt niet getolereerd en de sociale discipline is zo groot dat er niemand wordt buitengesloten. Echter de samenwerking tussen verenigingen met het onderwijs bevordert de omstandigheden voor jeugdzorg, maar is niet noodzakelijk voor de samenwerking tussen jeugdzorg en verenigingen.
De jeugdzorg is overgegaan naar de gemeentes. Het is een complexe thematiek met een complexe organisatie, waar veel goed gaat, maar helaas ook veel fout gaat. Er moet effectiever worden gewerkt en efficiënter waardoor de productiviteit stijgt. Uiteindelijk moet dit leiden tot een betere kwaliteit van de dienstverlening. De complexiteit van de problematiek en de organisatie kan worden ondervangen door een goed informatie- en volgsysteem over de kinderen, dat door meerdere belanghebbenden kan worden geraadpleegd en gevuld.
De verenigingen kunnen hiervoor een belangrijke bijdrage leveren in samenwerking met het onderwijs. Maatschappelijke verenigingen fungeren voor kinderen als springplank voor ontwikkelingen op het gebied van zorg, onderwijs en maatschappij. Dit kan simpel door wat extra aandacht voor het additionele product en een effectieve organisatie. Het mes snijdt naar twee kanten, want dankzij de samenwerking zal ook hoofdproduct van de vereniging in kwaliteit toenemen met als gevolg: hogere prestaties, nieuwe partners en meer plezier. Voor de club kan daardoor het ledental toenemen, met meer betrokken ouders en meer vrijwilligers die ook beter gaan presteren. Synergie geeft hier weer meerdere winnaars. Jeugd, zorg, onderwijs en verenigingen, zorgen samen voor een betere toekomst.
Paul van Kempen is docent aan de Fontys Economische Hogeschool Tilburg, richting SPECO Sportmarketing. Voor meer informatie: p.vankempen@fontys.nl
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.