Skip Navigation LinksHome-Nieuws-Column XL-Item

Fitnessbranche komt tot wasdom en gaat nieuwe fase in 18 september 2012

door: Paul Hover

In 2008 bracht het Mulier Instituut het rapport ‘De Fitnessbranche in beeld’ uit. Dat boek schetste een actueel beeld van de vraag- en aanbodzijde van de Nederlandse fitnessbranche. De dynamiek die de branche tot 2008 kenmerkte is in de jaren daarna niet verminderd, integendeel. De fitness-wereld blijft sterk in beweging. Alle reden dus voor een nieuwe ‘foto’ van hoe de sector ervoor staat; deze column beschrijft een schets van de belangrijkste resultaten van het ‘Trendrapport Fitnessbranche 2012’.

Het is nog geen tien jaar geleden dat Nederlandse fitnessondernemers elkaar als collega’s betitelden en dat er van concurrentie nauwelijks sprake was. Sindsdien heeft de branche een kwantumsprong in haar ontwikkeling doorgemaakt. Het overheersende beeld van de fitnesssector in 2008 – toen het Mulier Instituut ‘De Fitnessbranche in beeld’ uitbracht - was dat van een sterk expanderende bedrijfstak en een doorzettende groei van het fitnessaanbod en fitnessbeoefening. Een belangrijke aanjager van de groei is de maatschappelijke waardering voor een jong en slank – en voor mannen gespierd – voorkomen. Ook de toegenomen aandacht voor het investeren in gezondheid en het tegengaan van obesitas en beweegarmoede heeft de deelname aan fitness gestimuleerd. Datzelfde geldt voor de rol van de media, die uitzonderlijke lichamen niet zelden als norm presenteren. De fitnessbranche lijkt meer dan andere sporten - zoals gymnastiek/turnen en zwemmen - de vruchten van deze ontwikkelingen geplukt te hebben.

Het beeld van de branche dat in 2008 werd geschetst lijkt inmiddels wat gekanteld. Uit het Trendrapport Fitnessbranche 2012 rijst het beeld op van een branche die in 2012 een fase is ingegaan die in traditionele marketingtermen als een fase van volwassenheid wordt aangeduid. Dat uit zich in de eerste plaats in een stabiliserende deelname aan fitness. De laatste jaren schommelt het aandeel Nederlanders van 4 jaar en ouder dat (minstens een keer per jaar) aan fitness doet rond twintig procent. Ook het aantal fitnesscentra groeit niet hard meer. In 2011 zijn er 1.652 centra (excl. bedrijfsfitness) en dat is maar één procent groei ten opzichte van het jaar ervoor (tussen 2009 en 2010 was die groei nog zes procent). Ook dat wijst op een marktstadium van volwassenheid. De afvlakkende groei van het aanbod gaat bovendien gepaard met relatief veel opheffingen, relatief weinig starters en een toename van het aandeel verliesgevende fitnessbedrijven. Het totale bedrijfsleven in Nederland presteert op deze indicatoren beter. Op het fitnesspodium lijkt in toenemende mate alleen nog plaats voor sterke ondernemers.
 
Bijdrage aan nationaal sportbeleid
Dat brancheorganisatie Fit!vak volwaardig gesprekspartner van het ministerie van VWS is zal bij weinigen nu opzien baren. Twee decennia geleden – toen er sprake was van een lage organisatiegraad, minder professionalisering, een minder goed imago en veel minder beoefenaren – was de fitnessbranche, in casu Fit!vak, als gesprekspartner op dit beleidsniveau echter onvoorstelbaar. Ook vijf jaar geleden zou een dergelijke prominente rol voor de fitnessbranche (als commerciële partij) nog als een utopie worden geduid. Zelf ervaart de fitnessbranche – zeker in vergelijking met gemeentelijke sportaccommodaties – nog onvoldoende (financiële) overheidssteun, bijvoorbeeld om de sportdeelname naar een hoger niveau te tillen.

Vanuit historisch perspectief is het opzienbarend dat Fit!vak en NOC*NSF meer naar elkaar toe zijn gegroeid. Nu NOC*NSF meer optreedt als brancheorganisatie voor de sport en niet als ledenorganisatie is de fitnessbranche nadrukkelijker in beeld en worden de banden tussen sportbonden en –verenigingen enerzijds en fitnesscentra anderzijds vaker aangehaald.

Bedreigingen en kansen
Na jaren van groei van de fitnessdeelname - en een stabilisatie daarvan gedurende de laatste jaren - streeft de sector (Fit!vak) naar een nieuwe groei-impuls. Drie miljoen leden van Nederlandse fitnesscentra lijkt het magische cijfer. Daarmee heeft de sector de lat voor zichzelf hoog gelegd. Er liggen bedreigingen op de loer, maar er dienen zich ook kansen aan. Een horde die de branche zal moeten nemen is het aantrekken dan wel behouden van kwalitatief hoogstaand personeel. Het bieden van voldoende carrièreperspectief draagt positief bij aan het vasthouden van goed personeel en daarmee aan goede financiële resultaten. Bovendien verdienen retentiemaatregelen meer aandacht. Bij een juiste aanpak van retentiebeleid kan de investering snel worden terugverdiend. Door de kracht van social media beter te benutten valt er nog een wereld te winnen voor Nederlandse fitnessondernemers. Een strategische (her)oriëntatie en het op basis daarvan weloverwogen positioneren in de markt is nog niet wijdverbreid. Last but not least is er de uitdaging leden van fitnesscentra de perceptie van ‘value for money’ te bieden. Onder voormalige fitnessers blijkt het prijskaartje een belangrijk opzegmotief.

Toch gloren er ook kansen voor de fitnessbranche om te (blijven) excelleren. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat een jong en vitaal voorkomen de komende jaren aan maatschappelijke waardering zal inboeten. Gezondheid en kwaliteit zullen belangrijke thema’s blijven. Velen zijn zich ervan bewust dat gezond eten en voldoende sporten hier onlosmakelijk mee verbonden zijn. Het investeren in ‘erotisch kapitaal’ en gezondheid zal op grote schaal blijven plaatsvinden en een fitnesscentrum lijkt daarvoor bij uitstek geëquipeerd.

Daar komt bij dat het twijfelachtige imago dat aan fitness kleefde positiever is geworden. Fitness wordt gezien als een sport die goed is voor de gezondheid en bovendien van deze tijd is. Met het keurmerk Fit!vak Preventiecentrum zijn veelbelovende stappen gezet om de aansluiting bij de eerstelijns zorg te verbeteren.

Sterke punten van de branche zijn daarnaast het brede aanbod, het succesvol inspelen op de vraag naar belevenissen en de veelal ruime openingstijden. De vergrijzing biedt kansen voor de fitnessbranche, mits het fitnessaanbod en de omstandigheden aansluiten op de wensen van deze groeiende doelgroep.

Vooralsnog lijkt dat fitnessondernemers niet eenvoudig af te gaan. Met de opening van een officieel register voor fitnesstrainers (als onderdeel van het European Register of Exercise Professionals) zijn goede stappen gezet in de professionalisering en kwaliteitsborging van het fitnessaanbod. Budgetfitnesscentra leggen druk op de marges, maar openen ook de deur naar nieuwe marktsegmenten. De ervaringen in het Verenigd Koninkrijk leren dat budgetfitnesscentra in staat zijn een grote groep personen te bedienen die niet eerder lid was van een fitnesscentrum.

De huidige marktsituatie kan gezien worden als een nieuwe proeve van bekwaamheid voor de branche. Hoewel er ongetwijfeld offers gebracht zullen moeten worden, lijkt er een rooskleurige toekomst voor de branche te lonken.

Kerncijfers
• 20 procent van de bevolking doet aan fitness;
• 63 procent van de fitnessers doet dat bij een fitnesscentrum;
• 1.652 is het aantal vestigingen van fitnesscentra (excl. bedrijfsfitnesscentra);
• 70 procent is het gemiddelde retentiepercentage van fitnesscentra;
• 270 miljoen euro is het omzetverlies dat als gevolg van beperkte retentie;
• 735 fitnesscentra zijn gecertificeerd volgens het Keurmerk Fitness Basis of Totaal;
• 887 is het aantal leden van Fit!vak;
• 90 is het aantal leden van de Vereniging Exclusieve Sportcentra;
• 6.000 fte’s bieden fitnesscentra aan werkgelegenheid;
• 1 miljard euro is de totale omzet van de Nederlandse fitnessbranche.

Rapport
Voor meer informatie over het rapport, de bestelwijze en gratis downloads, zie www.fitnessmonitor.nl.

Reacties
Paul Hover (Mulier Instituut)
p.hover@mulierinstituut.nl
030-721 0220 / 06-4476 8804
@Paul_Hover

Paul Hover werkt als senior onderzoeker bij het Mulier Instituut.
Zijn onderzoek concentreert zich thans rond de onderwerpen sportevenementen, Olympische en Paralympische Spelen, sportmarketing, fitness en hardlopen. Eerder werkte hij bij een onderzoeks- en adviesbureau voor de vrijetijdssector en bij een marktonderzoekbureau. Hij studeerde Sport, Economie en Communicatie en rondde een verkorte opleiding Vrijetijdwetenschappen af. Ook studeerde hij in het Olympisch jaar 2000 een half jaar aan de University of Technology in Sydney, waar hij sportgerelateerde cursussen met succes doorliep. Zie verder @Paul_Hover

« terug

Reacties: 0

Reactie toevoegen

Naam*
E-mailadres*
Reactie*
Stuur mij een e-mail als er een nieuwe reactie wordt geplaatst