Skip Navigation LinksHome-Nieuws-5 vragen aan...-Item

5 vragen aan Vera Pauw, voormalig bondscoach van het Nederlands vrouwenelftal 25 mei 2010

Vera Pauw wordt – tegen wil en dank – als pionier beschouwd voor het Nederlandse vrouwenvoetbal. De 47-jarige geboren Amsterdamse was sinds 2004 bondscoach van Oranje en leidde het vrouwenelftal in 2009 in Finland voor het eerst in de geschiedenis naar de finale van een EK. Op 25 maart jl. maakte ze bekend dat ze haar functie ging neerleggen wegens een verschil van mening met de KNVB over de gewenste ontwikkelingen van het vrouwenvoetbal. Pauw speelde zelf van 1983 tot 1998 als verdediger in Oranje en kwam tot 89 interlands. Tussen 1986 en 1988 had ze diverse functies binnen de voetbalbond, waarna ze na haar actieve voetbalcarrière samen met haar man naar Schotland vertrok om voor zes jaar als bondscoach en technisch directeur van het Schotste vrouwenelftal te fungeren. In 2005 was ze de eerste vrouw die het diploma Coach Betaald Voetbal behaalde. Tegenwoordig zet Pauw zich volledig in om een bijdrage te kunnen leveren aan de verbetering van de positie van vrouwen door middel van sport.

door: Babette Dessing | 25 mei 2010

1. Jouw naam is onomstotelijk verbonden met vrouwenvoetbal. Hoe is de liefde voor voetbal ontstaan?
“Ik stond altijd bekend als ‘eentje van de drieling’. Ik had twee broers en groeide op alsof ik een jongetje was: kort haar, ravotten en voetballen op straat. Al vroeg wilde ik dan ook – net als mijn broertjes – ‘op voetbal’, maar ik moest tot mijn dertiende jaar wachten. Ik mocht namelijk als meisje geen lid worden van de voetbalvereniging SV Brederodes, omdat er nog geen meisjesvoetbal bestond. Verschrikkelijk vond ik dat. Toen ik eindelijk bij de club mocht spelen in het vrouwenteam, bleek al snel dat ik talent had. Op mijn achttiende ging ik vervolgens naar voetbalclub Vreeswijk in Nieuwegein, want zij speelden op het hoogste niveau. In die tijd ben ik ook als verdediger voor het Nederlands elftal geselecteerd. Vervolgens was ik in 1988-1989 een jaar profvoetballer in Modena in Italië en vanaf toen is het balletje pas echt gaan lopen."

"Na mijn topsportcarrière heb ik vervolgens diverse functies gehad bij de voetbalbond en die hadden bijna allemaal te maken met voetbalontwikkeling. Langzaam ben ik uitgegroeid tot hét gezicht van het vrouwenvoetbal. Eerst als speelster en dat proces versnelde doordat ik in 2004 bondscoach werd en een jaar later als eerste vrouw slaagde voor de cursus Coach Betaald Voetbal. Maar het is nooit mijn doel geweest om barrières te doorbreken en als pionier bekend te staan. Ik sloopte alleen de muren, omdat anderen dat voor mij nooit hebben gedaan. Ik deed simpelweg alleen maar wat ik leuk vond en wat ik vond dat nodig was. Toch werd het me gaandeweg duidelijk dat er nog steeds meisjes opgroeien zoals ik ben opgegroeid waardoor ze in hun ontwikkeling worden belemmerd.”

2. Hoe is het volgens jou op dit moment gesteld met de ontwikkeling van het vrouwenvoetbal?
“Meiden hebben helaas nog steeds niet dezelfde ontwikkelingperspectieven als jongens. Er moet nog steeds geknokt worden voor dezelfde behandeling. En wat we bereikt hadden binnen het gemengd voetbal, bijvoorbeeld dat alle meiden – dus niet alleen de talenten – net als jongens een gelijkwaardige opleiding krijgen, wordt op dit moment teniet gedaan. En dat komt omdat er binnen de voetbalbond mensen zijn gekomen die hiermee aan de haal gaan zonder zich verder te verdiepen in de materie, hierover dan ook geen verstand hebben en zich laten leiden door hun onderbuikgevoelens. Ik heb het inderdaad vooral over de nieuwe aanstellingen binnen de marketingafdeling, die dit in hun takenpakket denken te hebben staan. En door deze onderbuikgevoelens wordt de gemengde jeugdcompetitie voor pupillen (voor de allerkleinsten) de nek omgedraaid en gaat Nederland twintig jaar terug in de tijd. Terwijl we drie jaar geleden juist zo ver waren dat kinderen tot tien jaar (dus tot de D-pupillen) werden ingedeeld op basis van leeftijd en niveau en niet op geslacht.”

“De gemengde jeugdcompetitie wordt nu dus teruggedraaid, omdat er wordt verondersteld dat meisjes niet tegen jongens op zouden kunnen. Dat is uiteraard grote onzin, want in Nederland worden al jarenlang gemengde gymlessen in het basisonderwijs gegeven. Bedenk wel dat ik het hier heb over kinderen van zes tot tien jaar en niet over volwassenen. En het verschil tussen een meisje van zes en een meisje van dertien is uiteraard veel groter dan dat tussen een jongetje van zes en een meisje van zes. Zo blijkt duidelijk uit de praktijk van het voetbal. Bovendien blijkt uit kwalitatief onderzoek van de Universiteit van Utrecht dat het gemengd voetbal een groot effect heeft op hoe kinderen, ouders, begeleiders en trainers kijken naar de ontwikkeling van meisjes. Die krijgen een ander beeld van de mogelijkheden van meiden, hun talent en wat zij kunnen.”

“Uiteraard zijn er ook positieve ontwikkelingen. Toen ik als bondscoach begon, waren er 65.000 voetbalsters. Maar door de oprichting van de eredivisie kwam er steeds meer aandacht voor vrouwenvoetbal op televisie met als gevolg dat de groep explosief groeide. Daarvoor waren we anoniem en werden we weggestopt tussen alle mannen. Voetbal werd gezien als een sport die niet voor meisjes was bedoeld. Dat is nu wel anders, want vanaf het moment dat ik als bondscoach werd aangesteld zijn er 55.000 meisjes bijgekomen. En dat is alleen maar gebeurd omdat we hebben gekozen voor een kwalitatief uitgangspunt.”

3. Wat zou er volgens jou moeten gebeuren om vrouwenvoetbal tot een hoger niveau te kunnen ontwikkelen?
“Het vrouwenvoetbal heeft behoefte aan een eigen structuur. In Nederland voetballen meer dan één miljoen mannen en jongens en zij zijn over ongeveer 2.800 verenigingen verdeeld. Maar er zijn slechts 120.000 voetbalsters - niettemin evenveel als het aantal hockeysters in Nederland - die binnen die structuur voor mannen moeten functioneren. Ieder weldenkend mens kan toch bedenken dat dit niet werkt als je niet heel gericht maatregelen neemt binnen dit gegeven. Het teruggaan naar de meisjescompetitie is eigenlijk onmogelijk als je meiden wilt indelen op niveau en leeftijd. Als compromis wordt er door de KNVB gesteld dat er geen dispensatiespeelsters meer mogen worden ingebracht. Maar dan heb je niet genoeg spelers per team. Er zijn 120.000 meisjes en vrouwen waarvan ongeveer 69.000 jeugd en daarvan is weer een gedeelte pupillen. Deze meisjes en vrouwen zijn ingedeeld in die structuur van mannen over 2.800 verenigingen. Een simpele rekensom telt dat je dan op tien/elf speelsters per vereniging zit en dus zullen weer alle leeftijden bij elkaar worden gestopt alleen, omdat ze toevallig een paardenstaart hebben.”

“Ik vind dat de overkoepelende organisatie, de voetbalbond dus, de verantwoordelijkheid heeft om het niet te accepteren dat meisjes van veertien tegen meisjes van zes moeten spelen. Maar helaas gebeurt dat nog steeds iedere week. Aan beide kanten wordt dispensatie verleend en iedereen vindt dat de normaalste zaak van de wereld, want anders kan het meisje dat wil voetballen nergens terecht. Als dat bij jongens zou gebeuren, worden er Kamervragen gesteld. Ook de overheid zou zich hier dus veel drukker over moeten maken. Er zijn overal regels voor, maar dat je meisjes van zes tot dertien jaar tegen elkaar laat spelen dat vindt iedereen normaal. Je moet voor deze doelgroep een aparte structuur neerzetten en creatief management moeten toepassen om die meiden gelijkwaardige ontwikkelingskansen te bieden. Maar de mannen die de bond nu zijn binnengekomen, wensen daar hun oren en ogen niet voor te openen en vertellen mij dat ik anders moet kijken. Eigenlijk is dat de kern van het conflict met de KNVB geweest.”

4. Je bent momenteel actief voor de organisatie Women Win die sport inzet voor de verbetering van de positie van vrouwen. Hoe ben je hierbij betrokken geraakt?
“Eigenlijk is dat voortgekomen vanuit mijn werk als FIFA-instructor, waar ik sinds 1994 actief voor ben. Vanuit die functie gaf ik cursussen over de hele wereld en daar heb ik met eigen ogen gezien hoe sterk sport als middel is om mensen ontwikkelingskansen te bieden. En mijn werk voor Women Win is hiervan een gevolg. Women Win is een internationale organisatie die in 2008 door Astrid Aafjes werd opgericht. Zij heeft mij gevraagd of ik me voor hen wilde inzetten. Daar heb ik geen moment over na hoeven denken. Het is – naar mijn weten – de enige ontwikkelingsorganisatie die zich puur richt op sport als middel voor meisjes en vrouwen om hen uit een (sociale) isolement te halen. Aan dat uitgangspunt worden projecten gekoppeld. Zo verbinden we in Afrika sport aan projecten waarin ook hiv-informatie wordt gegeven of hygiëne en weerbaarheid tegen huishoudelijk geweld een rol spelen. Maar Women Win is ook actief in oorlogsgebieden. Iedereen weet dat vrouwen daar extra kwetsbaar zijn en vaak slachtoffer zijn geworden van verkrachting. Sport blijkt vrouwen daar letterlijk weer een stem te geven. Er was bijvoorbeeld een vrouw die door alles wat ze had meegemaakt niet meer praatte, maar via een sportproject dat Women Win ondersteunt heeft ze haar leven een andere wending kunnen geven. Uiteindelijk gebruikte ze haar stem weer en op dit moment studeert ze zelfs. Dat is uiteraard fantastisch om mee te maken. Zelf houd ik me binnen deze organisatie bezig met de inhoud van de sportactiviteiten binnen een project en bekijk ik wat we kunnen aanbieden. En zo zijn er anderen binnen Women Win die zich bezighouden met financiën en marketing, want alles moet natuurlijk wel op elkaar aansluiten. Uiteindelijk zijn we nu twee jaar bezig en uitgegroeid tot een wereldorganisatie. En daar zijn we met z’n allen trots op.”

5. Wat ben je van plan in de nabije toekomst? Heb je bijvoorbeeld de wens om ooit een mannenteam op eredivisieniveau te trainen?
“Absoluut niet, dat verlangen heb ik nooit gehad. Wat ik dan wel zou willen doen? De ontwikkeling van vrouwenvoetbal ligt mij zo aan het hart dat ik hier altijd in terug zal blijven komen, maar in welke hoedanigheid en bij welke instantie dat is, zal de toekomst leren. In ieder geval is het me de laatste tijd duidelijk geworden dat ik een rol heb in de (voetbal)ontwikkeling van meisjes. Want ik zie om me heen dat veel mensen niet begrijpen waar het nu écht omgaat. Ze vatten de details niet. Ik had het eerder al over de terugkeer naar de meisjescompetitie. Die terugkeer betekent dat je de ontwikkeling van duizenden meisjes (én ook de de ontwikkeling van jongens in de perceptie van meisjes) schaadt! Als je een dergelijke beslissing neemt, kun je natuurlijk nooit roepen dat je een specialist in de ontwikkeling van die sport bent. Dat is onmogelijk. Maar daar verschillen de bond en ik dus van mening over. Zij laten zich liever regeren door de onderbuikgevoelens die het startpunt zijn voor de marketingafdeling dan door de kennis, ervaring en expertise die de afgelopen 25 jaar zijn opgebouwd binnen voetbaltechnische zaken in samenwerking met de Universiteit van Utrecht. Sterker nog, ik had het gevoel dat ik als een klein kind in de hoek werd neergezet. Op dat moment werd het me duidelijk dat er geen plek voor mij meer bij die organisatie was. En dat doet me erg veel pijn, maar die meisjes zijn voor mij belangrijker. Ik heb immers zelf ervaren hoe het is om geremd te worden in je (voetbal)ontwikkeling; doordat ik pas op mijn dertiende mocht doen wat ik het allerliefst deed. En als je dat zelf meegemaakt hebt, dan kun je niet anders dan je daar tegen verweren. Ik kan het daarom niet over mijn kant laten gaat dat dat meiden in 2010 nog steeds overkomt. Daarom blijf ik daar steeds maar weer mijn energie instoppen.”

« terug

Reacties: 0

Reactie toevoegen

Naam*
E-mailadres*
Reactie*
Stuur mij een e-mail als er een nieuwe reactie wordt geplaatst