24 mei 2016
Nieuws
Frits Avis (1941) was sportpsycholoog avant la lettre in Nederland. Hij deed de HALO (Haagse Academie voor Lichamelijke Opvoeding) en studeerde nadien psychologie aan de universiteit van Leiden. In zijn werk combineerde hij de fysieke en mentale aspecten van opleiden en coachen. Hij was onder meer leraar/hoofd lichamelijke vorming en sport aan de TU Delft, hoofd van een onderzoeksafdeling aan de faculteit der sociale wetenschappen in Leiden, docent sportpsychologie aan de HALO, en docent, supervisor en lid examencommissie POPS VU (Postacademische Opleiding tot Praktijk Sportpsycholoog). Daarnaast begeleidde Avis als praktijksportpsycholoog de afgelopen decennia topsporters in een groot aantal takken van sport. Avis was bestuurslid van de VWSL (Vereniging voor Wetenschappelijk onderzoek van Sport en Lichamelijk vorming) en is een van de oprichters van de VSPN (Vereniging voor Sport Psychologie in Nederland), waarvan hij het lidmaatschap 1 januari 2015 beëindigde. Avis voelt zich als voorvechter van erkenning van en kwaliteitscriteria voor de Nederlandse sportpsychologie vaak als een Don Quichot.
door: Leo Aquina | 24 mei 2016
1. Je hebt je bijna je hele werkzame leven aan de sportpsychologie gewijd. Wat is sportpsychologie precies en wat maakt het zo’n boeiend vak?
“De sportpsychologie komt voort uit de psychologie, die zich als aparte wetenschappelijke discipline ontwikkelde op basis van de filosofie en de natuurwetenschappen. Geleidelijk aan ontstond er binnen de psychologie een differentiatie. Sportsituaties hebben immers hun eigen specifieke kenmerken, sportgedrag dus ook. Voor de praktijksportpsycholoog is het de kunst er dusdanig gebruik van te maken dat sporters en andere belanghebbenden naar vermogen het juiste, goed doen op het moment dat het ergens om gaat en het er op aan komt. Zo kan de sportpsycholoog een bijdrage leveren aan plezier, ontwikkeling en presteren.”
“Sportpsychologie ontstond in de eerste helft van de twintigste eeuw in eerste instantie in de Verenigde Staten. Sport had daar een heel andere maatschappelijke status. Universiteitssport was belangrijk, dus werden getalenteerde sporters aangenomen en werd met de uitgebreide mogelijkheden tot onderzoek aandacht besteed aan de vele aspecten in de sport. Daar is in de loop der jaren veel kennis uit voortgekomen. In Europa kwam later aandacht voor het vakgebied, vooral na de Tweede Wereldoorlog kwam er in Duitsland, Frankrijk en Engeland ook meer aandacht voor. Tijdens het eerste Wereldcongres voor sportpsychologie in Rome april 1965 werd de eerste internationale organisatie voor sportpsychologie opgericht, de International Society of Sport Psychology (ISSP, red.). In Nederland bestond het vak toen nog niet.”
"Zelf raakte ik al op jonge leeftijd verslingerd aan sport, zoals zwemmen, waterpolo en later schoonspringen. In de eerste klas van het Libanon Lyceum in Rotterdam had ik een gymleraar die net voor de vijfde keer Nederlands kampioen langematspringen was geworden. Als de klas lastig was, trok hij zijn jas uit en maakte hij een serie flikflak/salto door de zaal. Dan was het meteen stil en aten we weer uit zijn hand. Dat wilde ik ook. Daardoor heb ik de HALO gedaan, lichting 1959-'63. Na mijn militaire dienst ging ik verder studeren. Ik moest kiezen tussen medicijnen en psychologie. Op de HALO was ik al geïnteresseerd geraakt in de psychologische kant van de sport, dus de keuze psychologie lag meer voor de hand.”
2. Zoals je al zei, was er op dat moment in Nederland nog geen wetenschappelijk vakgebied. Wanneer is dat ontstaan, wie waren de voortrekkers en wat was je eigen rol?
“Lang voordat het vakgebied in Nederland ook academische erkenning kreeg, hadden we een aantal pioniers in de sportpsychologie, zoals Karel Lotsy en journalist Joris van den Bergh met boeken als 'Te midden der kampioenen’ en ‘Mysterieuze krachten in de sport’. In de lichamelijke opvoeding hadden we in de jaren zestig in Nederland vijf ALO’s, maar er was geen universitair vervolg. Daarvoor moest je naar België. Er moest hier nog een kop op het gebouw van de sportopleidingen komen. Daar heeft Carl Gordijn van de CALO in Arnhem een belangrijke rol in gehad. De Arnhemse ALO was christelijk en daarmee was er een link met de VU in Amsterdam. Daar is in 1971 de IFLO (Inter Faculteit Lichamelijke Opvoeding, red.) opgericht, wat later de Faculteit Bewegingswetenschappen is geworden. John Whiting en Frank Bakker hebben een rol gespeeld bij de ontwikkeling van het onderdeel sportpsychologie.”
”In de Verenigde Staten waren ze veel verder. Daar wordt de periode 1966-1977 wel gezien als ‘The establishment of Academic Sport Psychology’ met wetenschappers Bruce Ogilvy, Thomas Tutko en Bryant Cratty als voortrekkers. Universiteiten namen het vak op in het curriculum, vakorganisaties en vaktijdschriften werden opgericht. Toch kwam er ook in Nederland meer systematische aandacht voor het vakgebied. De VWSL (Vereniging voor Wetenschappelijk onderzoek van Sport en Lichamelijke vorming, red.) werd op 17 januari 1970 opgericht, met ook een werkgroepje sportpsychologie. Naast Frank Bakker aan de VU deed ook Peter Blitz aan de UvA onderzoek op het gebied van de psychologie bij sportbeoefening. Maar aandacht voor sportpsychologie als apart vak kwam eigenlijk pas later.”
“Zelf heb ik negentien jaar aan de Technische Universiteit in Delft gewerkt, aanvankelijk als leraar en later als hoofd lichamelijke vorming en sport en als onderzoeker van kracht en prestatievermogen. Daarnaast was ik psycholoog met als hoofdvak Methoden en Technieken, als bijvak inspanningsfysiologie en nevenvak Oost-Europese sportpsychologie. Ik heb in al die jaren veel sporters begeleid, bijvoorbeeld roeiers als Bernard Luttikhuizen en René Kieft die uitkwamen in de twee met stuurman op de Olympische Spelen van 1972 in München. In die mappen daar (Avis loopt tijdens ons gesprek regelmatig naar zijn archief of zijn indrukwekkende boekenkast om iets te illustreren, LA.) staat alles over de mensen die ik in de loop der jaren heb begeleid. Ik heb met heel goede sporters en teams mogen werken, bijvoorbeeld schoonspringers Daphne en Edwin Jongejans en nationale teams in verschillende sporten. Na een korte tijd van onderzoek aan de RU Leiden, waarin ik ook heb getracht een Werkgroep sportpsychologie op te richten, werd ik Hogeschooldocent sportpsychologie aan de HALO (1991-2001) naast een eigen praktijk als sportpsycholoog tot 2015.”
streamer
"Er was veel onduidelijkheid over wat sportpsychologen nu eigenlijk deden en wat de meerwaarde was ten opzichte van trainers en coaches"
3. Hoewel Nederland niet vooropliep in het vakgebied, is er uiteindelijk wel een Vereniging voor Sportpsychologie in Nederland gekomen. Je was zelf betrokken bij de oprichting. Waarom moest die vereniging er komen?
“De ontwikkeling van ons vakgebied in de jaren zeventig en tachtig ging gepaard met veel gekissebis, van uiteenlopende opvattingen over het vak en de uitoefening ervan, tot regelrechte machtsstrijd. Er was veel onduidelijkheid over wat sportpsychologen nu eigenlijk deden en wat de meerwaarde was ten opzichte van trainers en coaches. Er viel veel te leren maar er was ook veel ijdelheid, afgunst, opportunisme en vooringenomenheid. Dat zou in de wetenschap en de praktijkuitoefening geen plaats moeten hebben. Die geschiedenis bleef zich herhalen. Om hier een eind aan te maken is in samenwerking met het NIP (Nederlands Instituut van Psychologen, red.) een 'werkgroep sportpsychologie' opgericht. Gedurende de periode 1987-'89 heeft die werkgroep een proces van cultuurvorming en structuurvorming geleid.”
“Met de VSPN wilden we duidelijkheid scheppen: ‘Het verhogen van het aanzien van het vak sportpsychologie, anderen - waaronder 'de sport' - er warm voor maken en tonen dat het vak wat te bieden heeft. Tevens: het bundelen van en richting geven aan activiteiten en initiatieven op het gebied van de sportpsychologie teneinde versnippering van krachten te voorkomen, bijvoorbeeld op het gebied van opleidingen, onderzoek, advisering. In het najaar van 1989 hebben we met een aantal voortrekkers de VSPN opgericht. Hier (pakt een brief uit een ordner, LA.) heb ik de oproep voor de oprichtingsvergadering op 7 oktober 1989, met als kandidaten voor het bestuur: Frits Avis, Frank Bakker, Ad Dudink, Geert Savelsbergh en Rico Schuijers. Aansluiting bij het NIP was niet mogelijk. Er was geen plaats voor bewegingswetenschappers."
“De VSPN voorzag in een structuur op het gebied van de Nederlandse sportpsychologie. De vereniging organiseerde studiebijeenkomsten, gaf een tijdschrift uit en we konden vanuit de VSPN een eigen Nederlandse lijn ontwikkelen. Daarmee was de strijd echter allerminst gestreden. Er bleef onenigheid over wat sportpsychologen nou precies deden of door 'de sportwereld/NOC*NSF' geacht werden te doen, ook in vergelijking met andere dienstverleners, en over wie het nu voor het zeggen had in de Nederlandse sportpsychologie.”
“In 1998 kreeg Hardy Menkehorst, samen met vier à vijf anderen, van NOC*NSF een ruime subsidie voor een zogenaamd Body of Knowledge project 1998-2000: 'Modulering en organisatie van mentale training en begeleiding (MBT) in sportorganisaties'. Het VSPN-bestuur werd gepasseerd. Tot een betere structuur en/of een kwaliteitskeurmerk voor sportpsychologen kwam het echter nog niet. De onduidelijkheid bleef, evenals onenigheid met de VSPN. Na de rapportage kreeg het groepje rond Menkehorst onenigheid en het viel uiteen.”
“In 2004 kwam er vanuit de VSPN dan eindelijk een accreditatieprogramma, waaraan leden moesten voldoen. De eerste leden zijn geaccrediteerd in 2006. Charles van Commenée, destijds technisch directeur van NOC*NSF, reikte de diploma’s uit. Blijk van erkenning door NOC*NSF? In 2007 is de VU van start gegaan met de POPS (Postacademische Opleiding tot PraktijkSportpsycholoog). De POPS verzorgt in opdracht van de VSPN de opleiding die recht geeft op accreditatie. Ik ben daar docent, supervisor en lid van de examencommissie geweest, tot ik me niet meer kon vereenzelvigen met de gang van zaken. Er werd hard gewerkt, prima initiatief, buitengewoon noodzakelijk binnen de Nederlandse sportwereld, maar dan loop je helaas toch weer tegen allerlei ondermaats gedoe aan. Aanleiding voor mij om in een brief aan de stuurgroep mijn zorgen te uiten en mijn ontslag aan te bieden.”
4. Dat ondermaatse gedoe heeft er in 2015 uiteindelijk ook toe geleid dat je je lidmaatschap van de VSPN hebt opgezegd. Waarom was dat en wat moet er gebeuren om de situatie te verbeteren?
“Dezelfde problemen keren steeds opnieuw terug. Onvoldoende overeenstemming over het vakgebied, onduidelijkheid over de kwaliteitseisen, geen openheid over wie, wat en waarom doet en over de criteria over wie wat juist niet kan of mag doen. Dat gaat uiteindelijk altijd weer over macht. NOC*NSF heeft een zogenaamde ‘Prestatiemanager prestatiegedrag aangesteld, de Belgische professor Paul Wylleman. Hij verzamelde, volledig los van de VSPN, een 'expertgroep' om zich heen. Daarin zitten onder anderen de voorzitter en de secretaris van de VSPN, en zelfs een niet geaccrediteerd lid van de VSPN. Daarbij zie je toch dat het hemd vaak nader is dan de rok. Mensen worden niet op grond van een transparant proces en duidelijke criteria geselecteerd. Daarmee gooit de VSPN zijn eigen accreditatie te grabbel. Bestuursleden van de VSPN kunnen daar mijns inziens niet met twee petten op zitten, maar ja: wiens brood men eet, diens woord men spreekt. Het geld zit bij NOC*NSF.”
“In 2010 was hetzelfde al eens eerder gebeurd. Toen is Rico Schuijers - terwijl hij voorzitter van de VSPN was - prestatiemanager bij NOC*NSF geworden. Ik heb hem destijds in een open reactie op zijn ingezonden brief als de nieuwe prestatiemanager NOC*NSF geschreven over de problemen met onverenigbare functies. Gelukkig werd een en ander toen hersteld. In 2014 was het echter als gevolg van het door de Prestatiemanager prestatiegedrag Paul Wylleman aangekondigde beleid opnieuw zo’n puinhoop binnen de VSPN, dat ik voor de ALV een agenda heb opgesteld. Daarin stonden tien relevante onderwerpen en een lijst met 24 vragen aan voorzitter, bestuur en leden van de VSPN. Er is niet op gereageerd. Toen dacht ik: ‘Don Quichot, hou nou eens op. De maat is vol!' Het is jammer dat ik daardoor net het 25-jarig jubileum niet heb kunnen meemaken, maar ik kon niet anders, zeker als voorzitter van het College van Toezicht van de VSPN.”
“Een van mijn favoriete zinnen – onlangs nog door een oud-student van mij gebruikt als stelling bij zijn proefschrift – is: 'There’s no reality, only perception'. Daar voeg ik - vrij naar George Orwell - graag aan toe: 'All perceptions are equal, but some perceptions are more equal than others'. Iedereen heeft een perceptie van ons vakgebied, maar sommige percepties zijn more equal than others en dan vraag ik mij af: wie wast het varkentje?”
5. Je hebt altijd gestreden voor erkenning van de sportpsychologie in Nederland en je hebt ook altijd veel samengewerkt met buitenlandse collega’s. Hoe staat Nederland er internationaal gezien voor als het gaat om erkenning en kwaliteit?
“Er is altijd kruisbestuiving geweest. De Verenigde Staten zijn de bakermat en daar is het niveau altijd ongekend hoog geweest. Dat was ook al zo in de tijd van de Koude Oorlog. Er werd altijd hoog opgegeven van de kennis aan de andere kant van het IJzeren Gordijn, maar het was daar niets bijzonders. In 1985 vond het zesde Wereldcongres van de ISSP plaats in Kopenhagen. Dat was in de tijd van Glasnost en daar nam voor het eerst een grotere groep uit het Oostblok deel. East meets west, dat congres is een echte waterscheiding geweest."
"Ik heb daar Russische sportpsychologen ontmoet waarvan ik het werk had gelezen zoals Gennadi Gorbunow en anderen. Bij Sem Slobounov ben ik in die jaren nog wel eens op bezoek geweest in Moskou, hij had zelfs thuis Amerikaanse vaktijdschriften liggen. Ze smeekten ons bijna om informatie. Natuurlijk leverden de Oost-Europese sporters wel prestaties. Er was discipline, selectie uit velen en een degelijke basisopleiding. Goede sporters kregen allerlei privileges, ze reisden naar het Westen en kwamen daar in aanraking met een ander leven en onbekende, luxe producten. Dat was een sterk motiverende factor. Maar op het gebied van de sportpsychologie was men in het Westen veel verder.”
“Je ziet dat de sportwetenschap en dus ook de sportpsychologie altijd achter de Olympische Spelen aan reist. In 1976 waren de Spelen in Montreal. Dit bracht een enorme ontwikkeling met zich mee. Daar is bijvoorbeeld Terry Orlick uit voortgekomen. Die heeft meerdere boeken gepubliceerd, waaronder twee schitterende boekjes voor jeugdsporters. Dit geldt ook voor 1984 Los Angeles, Psyched. Inner views of winning (1986), 1996 Atlanta en 2000 Sydney. En reken maar dat er in China in 2008 ook heel veel is gebeurd, maar dat is niet in ons taalgebied, dus dan dringt het veel langzamer door tot de rest van de wereld. Wij profiteren in Nederland meer van de ontwikkelingen in 2012 in Londen.”
“Ik kan er niet over oordelen hoe de praktijksportpsychologie en de mentale training en begeleiding in Nederland er als geheel voorstaat. Daarvoor zou je een grootschalig onderzoek moeten doen. Wie doet wat, waar, waarom en wanneer? En kijk je dan alleen naar de praktiserende sportpsychologen of ook naar alle anderen die een begeleidingstaak vervullen. NOC*NSF doet veel zelf zonder rekening te houden met wat de VSPN daarvan vindt en dat is mij een doorn in het oog.”
“NOC*NSF speelt zolang ik mij kan herinneren een eigenwijs, slecht geïnformeerd, arrogant, kortzichtig spel op het gebied van de sportpsychologie. De VSPN is daar nog nooit op een structurele, constructieve wijze bij betrokken. Er zijn in de loop van de tijd veel voorbeelden van het ontbreken van een goede relatie tussen deze organisaties. Daarnaast zijn de meeste bonden het liefst autonoom, met NOC*NSF op afstand. Ze zijn deels voor subsidies echter wel afhankelijk van NOC*NSF.”
“We hebben ooit eens een bijeenkomst op Papendal gehad - 11 mei 2010 - waar Maurits Hendriks kwam. Vana Hutter hield daar een praatje namens de sportpsychologen en Hendriks heeft ook nog kort iets gezegd. Daarna hebben we hem nooit meer gezien. Dit herhaalde zich op 27 februari 2014 met het vergelijkbare optreden van de Prestatiemanager prestatiegedrag van NOC*NSF.”
“Ik weet dus niet wie de Nederlandse topsporters begeleiden. Wel kijk ik af en toe met verbazing om mij heen, als bijvoorbeeld iemand die in voedingspreparaten handelt de mentale begeleiding van een nationale professionele schaatsploeg doet. Of een 'kruidendokter' het Nederlands elftal. Of vooraanstaande 'topcoaches' via NLcoach 'SMIPE: a new way of thinking' propageren. Ik ben daar wel eens tegenin gegaan, maar het is onbegonnen werk.”
“We zouden in Nederland in ieder geval State of the Art kunnen zijn. Alle kennis en kunde en alle nieuwste inzichten zijn te krijgen. Je kunt je in Nederland zowel in theorie als in de praktijk goed scholen en je kunt cursussen volgen in binnen- en buitenland. Maar er is geen systematische registratie of evaluatie van de kwaliteit van mentale begeleiding in de sport. En dat is natuurlijk noodzaak om tot kennisvergroting en verbetering van de dienstverlening te komen.”
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.