Skip Navigation LinksHome-Achtergronden-Werkende wetenschap-Item

Verbeelding en goede voornemens? 20 december 2011

door: Vana Hutter

Topsporters maken veel gebruik van verbeelding; een mentale techniek waarbij je beelden en sensaties oproept, bijvoorbeeld van een succesvolle prestatie (ook wel imagery of visualisatie genoemd). Eén van de wetenschappelijk vastgestelde effecten van het toepassen van verbeelding is dat het de motivatie kan versterken. En dat blijkt niet alleen te gelden voor topsporters!

Verbeelding, en de inhoud van die verbeelding, hangt namelijk ook samen met de motivatie van recreatieve sporters om te bewegen en daadwerkelijk bewegingsgedrag van recreanten. Interessant, als je je realiseert hoe lastig het voor veel mensen is om voldoende te bewegen en dat motivatiegebrek hierbij vaak parten speelt.

Motivatietheorie
Stanley, Cumming, Standage en Duda (verschijnt in 2012) onderzochten hoe het oproepen van beelden en sensaties samenhangt met de motivatie van recreatieve sporters en kwamen tot een interessant model met veelbelovende toepassingsmogelijkheden. Zij gaan voor hun model uit van ‘self-determination’ theorie. De self-determination theorie van Deci en Ryan is een motivatietheorie. In hoofdlijnen beschrijft de theorie een spectrum van motivatie, beginnend bij ‘geen motivatie’ en eindigend in ‘intrinsieke motivatie’. Als mensen intrinsiek gemotiveerd zijn, doen zij iets (bijvoorbeeld regelmatig bewegen) puur voor het plezier en de voldoening van de activiteit zelf. Bij ‘geen motivatie’ zijn mensen letterlijk niet of nauwelijks te bewegen.

Tussen ‘geen motivatie’ en ‘intrinsieke motivatie’ liggen volgens de theorie verschillende vormen van extrinsieke motivatie, waarbij je iets wel doet (bijvoorbeeld regelmatig bewegen), maar niet voor de lol. Mensen bewegen als ze extrinsiek gemotiveerd zijn om te bewegen om de positieve uitkomsten daarvan te bereiken (bijvoorbeeld een beter figuur krijgen of bewondering oogsten van mensen in je omgeving) of om negatieve uitkomsten te vermijden (bijvoorbeeld het risico op hart- en vaatziekte door inactiviteit of het verliezen van vrienden waarmee je sport). Het spectrum ziet er als volgt uit. Ter illustratie geef ik steeds een voorbeeld van typische uitspraken die bij de verschillende vormen van motivatie passen:

• geen motivatie: ik ben niet geïnteresseerd om regelmatig te bewegen, niet omdat ik het leuk zou vinden en ook niet omdat het goed voor je is;
• motivatie vanuit externe dwang (meest extrinsieke vorm van motivatie): ik sport omdat het moet van mijn partner/ouders/dokter…;
• motivatie vanuit noodzakelijkheid: ik beweeg regelmatig omdat ik anders te dik word;
• motivatie vanuit identificatie met positieve uitkomsten: ik sport omdat ik fit moet worden/blijven;
• motivatie vanuit integratie (meest intrinsieke vorm van extrinsieke motivatie): ik vind sporten niet per se leuk, maar ik vind het belangrijk om fit en gezond te zijn en daarom doe ik het.
• intrinsieke motivatie: ik vind sporten en bewegen heerlijk!

Autonome motivatie?
De ene vorm van motivatie van dit spectrum is ‘eigener’ dan de andere. Deci en Ryan (2010) benoemen dit als het verschil tussen ‘autonome motivatie’ en ‘gecontroleerde motivatie’. De laatste drie vormen van motivatie in het lijstje worden gezien als autonoom; de motivatie om te sporten komt bij die vormen in meer of mindere mate vanuit mensen zelf. Uit jarenlang en talrijk onderzoek weten we dat mensen die autonoom gemotiveerd zijn om hun gedrag te veranderen meer moeite investeren en meer succes behalen bij die gedragsverandering. Om mensen een actieve(re) levensstijl te laten aannemen is het dus de kunst om ze hiervoor de autonome motivatie op te laten brengen. Dat is net zo lastig als het klinkt, blijkt in de praktijk. En uit de grote aantallen mensen die hun goede voornemens om echt te gaan sporten al snel na 1 januari weer laten varen.

Daarom zou het aantrekkelijk zijn als we door middel van zoiets eenvoudigs als verbeelding invloed kunnen uitoefenen op motivatie. Veel mensen verbeelden zich namelijk al van alles omtrent sporten en bewegen; ze zien zichzelf bijvoorbeeld al zwetend en puffend in een aerobics klasje staan of maken zich een voorstelling hoe ze er uit zouden zien na een maandje flink trainen. De vraag is dus: welk soort verbeelding helpt om intrinsieker gemotiveerd te raken?

Slim verbeelden
Uit onderzoek blijkt dat de dingen die recreatieve sporters zich verbeelden in vier categorieën zijn in te delen:
• verbeelding van (een beter) uiterlijk,
• verbeelding van technische uitvoering van de sportactiviteit;
• verbeelding van het energieke gevoel dat bij sporten hoort;
• verbeelding van het plezier in het sporten.

Verbeelding van een beter uiterlijk komt verreweg het meeste voor, in het bijzonder bij vrouwen. Stanley en collega’s hebben de relatie tussen de verschillende soorten verbeelding en motivatie onderzocht bij 350 recreatieve sporters (mannen en vrouwen). Ze ontdekten dat juist het verbeelden van een beter uiterlijk samenhangt met gecontroleerde motivatie, terwijl autonome motivatie wenselijker is om tot regelmatig bewegen te komen. Wat verder bleek is dat het verbeelden van een beter uiterlijk (via gecontroleerde motivatie) samengaat met de intentie om te sporten, maar niet met daadwerkelijk gedrag. Om dit kort door de bocht te vertalen: wanneer je je een beter uiterlijk door sporten verbeeldt, vind je dat je eigenlijk zou moeten sporten, maar doe je dat niet. Dat lijkt dus niet de slimste verbeelding te zijn.

Wat moet je je dan wel verbeelden? Het verbeelden van de energie die je krijgt tijdens of door sporten hangt direct samen met bewegingsgedrag, oftewel mensen die zich dat verbeelden sporten meer. Het verbeelden van technische uitvoering en plezier van het sporten gaan samen met de zo nodige autonome motivatie om te bewegen. Dit hangt vervolgens samen met zowel een toegenomen intentie om te bewegen als daadwerkelijk gedrag. Weer kort door de bocht gesteld: wanneer je regelmatig het energieke gevoel van sporten bij jezelf oproept, sport je meer. Wanneer je je regelmatig de techniek van je sport of het plezier dat sporten je geeft verbeeld, ben je autonoom gemotiveerd om te sporten. Die autonome motivatie resulteert niet alleen in een toegenomen intentie om te sporten, maar ook tot het uitvoeren van die intentie en daadwerkelijk sporten.

Praktische implicaties
Wat kunnen we in de praktijk met deze bevindingen en het model dat de auteurs geven? Hoewel het onderzoek verbanden aangeeft tussen soorten verbeelding en motivatie en geen experiment beschrijft waaruit oorzaak en gevolg conclusies getrokken kunnen worden, ligt er toch een belangrijke boodschap voor gedragsverandering. Die boodschap is zowel nuttig voor mensen die zelf meer willen gaan sporten als voor professionals die anderen willen helpen om meer te gaan bewegen.

De boodschap luidt: gebruik je verbeelding en gebruik deze op de juiste wijze. Van nature zijn we geneigd om ons de effecten van sporten op ons uiterlijk te verbeelden. Dit gaat samen met een gecontroleerde motivatie, oftewel het gevoel iets te moeten. Roep liever het energieke gevoel van sporten, het plezier dat je hebt tijdens sporten of het technisch uitvoeren van je sport op. Dat hangt samen met autonome motivatie, bijna iets mogen, in plaats van moeten. Verbeeld zo levensecht als mogelijk de techniek, energie of het plezier en merk dat je steeds meer vanuit je zelf gemotiveerd wordt om je goede voornemen waar te maken.

Geraadpleegde literatuur
Stanley, D.M., Cumming, J., Standage, S. & Duda, J.L. (verschijnt in 2012). Images of exercising: Exploring the links between exercise imagery use, autonomous and controlled motivation to exercise, and exercise intention and behavior. Psychology of sport and exercise, 13, blz. 133-141

Vana Hutter werkt als docent/adviseur/onderzoeker bij EXPOSZ, faculteit der Bewegingswetenschappen, Vrije Universiteit Amsterdam. Zij is sportpsycholoog VSPN® en inspanningsfysioloog en kent de sportpraktijk van binnen uit, door haar werk in de top- en breedtesport. Zij is één van de oprichters van de post-academische opleiding tot praktijksportpsycholoog en bestuurslid van de Europese federatie voor sportpsychologie (FEPSAC).
« terug

Reacties: 3

-
20-12-2011
Goed artikel Vana! Verbeelding rules! Gr. Rogier H.
-
20-12-2011
Volgens mij is het begrijpen van verbeelding (dromen), gedachten en gevoel veel belangrijker dan verbeelding als 'tool' te gebruiken voor resultaten in de toekomst. Aandacht schenken aan de wortels in plaats van de blaadjes.
-
21-12-2011
Goed bezig Vana (en Rob?)!

Reactie toevoegen

Naam*
E-mailadres*
Reactie*
Stuur mij een e-mail als er een nieuwe reactie wordt geplaatst