Nederland heeft het olympisch schaatstoernooi van 2030 goedkoop ingekocht, zo betoogt Jelle Schoemaker, maar de vraag is wat het oplevert. Er bestaat al de nodige kennis over economisch rendement van topsportevenementen, maar minister Mirjam Sterk beloofde bij het binnenhalen van Thialf 2030 'verbinding' en 'inspiratie'. Om dat te bewerkstelligen, moeten we volgens Schoemaker weten hoe dat tot stand komt en daar is multidisciplinair onderzoek voor nodig.
3 september 2026
Opinie
In 2030 worden voor het eerst sinds Amsterdam 1928 weer olympische wedstrijden op Nederlandse bodem gehouden. Het langebaanschaatsen van de Winterspelen in de Franse Alpen verhuist naar Thialf, omdat Frankrijk zelf geen geschikte baan heeft en geen nieuwe ijshal wil bouwen. Dat is sportief en organisatorisch bijzonder. Het past bovendien bij het uitgangspunt dat voor grote sportevenementen zoveel mogelijk bestaande accommodaties worden gebruikt.
"Het is verleidelijk om die zachte waarde alvast in te boeken"
Jelle Schoemaker
Nederland draagt 37,5 miljoen euro bij. Daarvan komt maximaal 30 miljoen euro van het ministerie van VWS, 5 miljoen euro van de provincie Fryslân en 2,5 miljoen euro van de gemeente Heerenveen. Daar staan afspraken over commerciële opbrengsten tegenover, maar de Rijksoverheid schrijft ook dat de totale materiële en immateriële winst voor Nederland nog niet is vast te stellen. Tegelijk klinkt al een grotere belofte. In de woorden van de minister: ‘Sport verbindt, inspireert en brengt mensen samen. Dit wordt een feest voor heel Nederland.’ Ook in de Kamerbrief worden inspiratie en verbinding als belangrijke maatschappelijke opbrengsten genoemd.
Mirjam Sterk ©Arenda Oomen
Het is verleidelijk om die zachte waarde alvast in te boeken. Evenementenonderzoek laat telkens zien dat sociale effecten zelden vanzelf ontstaan en als ze al ontstaan tijdelijk zijn. De praktische vraag is dus welk feest we met publiek geld willen maken, voor wie, en hoe we voorkomen dat de beloofde verbinding achterblijft of na de slotceremonie weer meteen verdwijnt.
Wie alleen naar de prijs kijkt, kan moeilijk anders dan concluderen dat Nederland een aanzienlijk olympisch aandeel in de Spelen van 2030 op het scherpst heeft ingekocht. Het definitieve tijdschema is er nog niet, maar vaststaat dat een substantieel deel van het olympische programma en de medailles straks in Heerenveen terechtkomt. Bij Milano Cortina 2026 werd meer dan 10 procent van de 116 gouden medailles bij het langebaanschaatsen verdeeld, verspreid over 12 van de 17 wedstrijddagen. In 2030 worden daar de teamsprints voor mannen en vrouwen nog aan toegevoegd. Het voorlopige organisatiebudget van de Franse Spelen bedraagt echter met 2,132 miljard euro bijna 57 keer zoveel. De verhouding maakt duidelijk dat Nederland voor een beperkt deel van het totale budget een olympisch onderdeel krijgt dat gedurende een groot deel van de Spelen zichtbaar zal zijn.
Maar een gunstige aankoop is nog geen maatschappelijke opbrengst. De bekende manier om een sportevenement te verantwoorden is te kijken hoeveel additionele bestedingen het aantrekt. Dan bedoel ik niet de ticketopbrengsten voor de organisator, maar de extra bestedingen die in de economie landen omdat er mensen naar ons land komen die hier anders niet zouden zijn geweest. Dit is natuurlijk in de eerste plaats een groepje schaatsers, staf en de officials. Maar vooral buitenlandse bezoekers zijn aantrekkelijk voor de BV Nederland. Hun hotelovernachtingen, horecabestedingen en vervoersuitgaven brengen geld van buiten Nederland binnen. Daarentegen vervangen de uitgaven van Nederlandse bezoekers veelal de consumptie die anders elders in Nederland had plaatsgevonden.
Een simpel rekensommetje maakt zichtbaar waar deze benadering toe leidt. De provincie Fryslân rekent bij grote schaatsevenementen met ongeveer 10.000 bezoekers in Thialf. Stel dat het programma in 2030 dertien afzonderlijk verkoopbare sessies telt – één meer dan de twaalf wedstrijddagen van 2026 vanwege de toegevoegde teamsprints. Dat levert maximaal 130.000 toegangsbewegingen op. Het werkelijke aantal verkoopbare plaatsen kan door ruimte voor media, officials, veiligheid en hospitality lager liggen. Bovendien is één persoon die drie dagen komt ook drie keer geteld.
©SCS/Soenar Chamid
Nemen we vervolgens aan dat een buitenlandse bezoeker per toegangsbeweging gemiddeld tussen de 250 en 350 euro in Nederland* besteedt, dan zou het in theorie gaan om 32,5 tot 45,5 miljoen euro aan extra bestedingen dankzij het schaatstoernooi. Dat komt in de buurt van de publieke bijdrage, maar dan zit het stadion wel vol met buitenlandse bezoekers. De rekensom laat vooral zien welk type evenement logisch volgt als buitenlandse bestedingen het hoofddoel zijn: veel internationale kaartkopers, hotelarrangementen, hospitality en een programma dat buitenlandse bezoekers langer in Fryslân houdt.
De sociale belofte volgt een heel andere logica. Een stoel voor een Nederlandse bezoeker levert voor ons land zelf geen additionele bestedingen op. Deze zouden immers ook zonder het toernooi in ons land worden gedaan, maar er wordt wel waarde toegevoegd doordat het onderdeel kan (!) zijn van een gedeelde ervaring. Mensen reizen samen, praten op de tribune met onbekenden en bespreken de races nog dagen later. Wie van Thialf een nationaal feest wil maken, denkt daarom eerder aan toegankelijke kaarten, gezamenlijke kijkplekken en activiteiten buiten het stadion.
Ook deze route kunnen we op een bierviltje zetten. In eerder keuzeonderzoek naar publieke sportaccommodaties waardeerden burgers duizend extra uren sociaal contact in sportaccommodaties gezamenlijk op circa 7.770 euro, oftewel 7,77 euro per uur**. Stel dat alle 130.000 bezoekmomenten naar Nederlanders gaan en elk bezoek drie uur non-stop sociaal contact omvat, dan ontstaan 390.000 bruto contacturen, met een waarde van ongeveer 3 miljoen euro. Dit wordt lager als mensen anders ook samen iets hadden gedaan dat tot ontmoetingen en sociaal contact zou leiden.
Waar het om gaat, is dat het bedrag van 3 miljoen euro een stuk bescheidener oogst naast 37,5 miljoen euro publieke kosten. Daarom zullen we veel meer moeten doen buiten het stadion, maar wie staat daarvoor aan de lat? Moeten daar nog extra publieke middelen voor worden gemaakt? En hoeveel dan? We kunnen de som ook omdraaien. Om 37,5 miljoen euro publieke financiering uitsluitend met ontmoetingen te verantwoorden, zouden er ongeveer 5 miljoen extra sociale uren nodig zijn. Bij twee additionele uren per persoon gaat het om 2,5 miljoen Nederlanders, gemiddeld ruim 200.000 per wedstrijddag bij een programma van dertien dagen. Thialf zelf kan die schaal per definitie niet leveren. Maar is het überhaupt haalbaar om zoveel nieuwe contacturen te realiseren die anders niet tot stand zouden zijn gekomen? Dan is het misschien makkelijker om terug te vallen op de buitenlandse bestedingen als verantwoording van de publieke kosten.
"We zullen actief aan de slag moeten in het ontwerp om het feest groter te maken dan alleen Thialf"
Jelle Schoemaker
Zo ontstaat er een prikkelende spagaat: gebruiken we de schaarse stoelen voor buitenlandse bestedingen of voor Nederlandse ontmoetingen? En hoe gaan we dan toch voldoende waarde uit het evenement halen als het aantal ontmoetingen in een stadion beperkt is? Als letterlijke beleidskeuze is deze tegenstelling natuurlijk veel te eenvoudig. Buitenlandse supporters dragen ook bij aan de sfeer en zorgen voor leuke ontmoetingen; Nederlanders hebben misschien nog baat van andere (lange termijn effecten) effecten en er zijn mogelijk ook negatieve effecten die nu buiten beschouwing worden gelaten. Maar de denkoefening moet voor nu duidelijk maken dat we ons niet moeten blindstaren op het samenbrengen van mensen in een stadion of bij gebrek hieraan dan maar onszelf rijk rekenen met buitenlandse bezoekers. We zullen actief aan de slag moeten in het ontwerp om het feest groter te maken dan alleen Thialf. Economische en sociale opbrengsten kunnen naast elkaar bestaan, maar ze komen niet vanzelf voort uit hetzelfde ontwerp. De Olympische Winterspelen zijn natuurlijk een mooie kapstok om hier onderzoek naar te gaan doen.
Het zou onjuist zijn om te zeggen dat we nog niets weten over de sociale betekenis van topsportevenementen. Binnen WESP en vervolgens MOVES is veel geleerd over bereik, draagvlak en betrokkenheid. Uit het MOVES-bevolkingsonderzoek blijkt dat in 2024 16 procent van de volwassen Nederlanders minstens één topsportevenement in Nederland bezocht en dat 55 procent zulke evenementen via de media volgde. Samen ging het om 58 procent van de volwassenen.
Topschaatsen dringt bovendien opvallend ver door in de Nederlandse samenleving. Veel mensen kennen internationale schaatstoernooien, volgen ze soms via de media en hebben er belangstelling voor, zonder actieve sportfan te zijn. Die betrokkenheid is breed, maar vaak licht en op afstand en leidt dus nog niet tot ontmoetingen. Hierdoor is schaatsen interessant als sociaal platform. Het gedeelde onderwerp is al aanwezig, terwijl deelname niet hoeft te beginnen met een duur kaartje of een sterke fan-identiteit.
De eerste aanwijzingen voor sociale opbrengsten zijn er ook. Van de bezoekers en mediavolgers in het MOVES-onderzoek gaf 27 procent aan nieuwe mensen te hebben leren kennen met wie na het evenement nog contact bestond. Bij 32 procent waren bestaande banden versterkt en 44 procent praatte vaker met anderen over topsport. Deze zelfgerapporteerde percentages zijn vooral een signaal dat er iets gebeurt rondom topsport wat we als samenleving kunnen benutten.
"Juist in zulke alledaagse, soms wat ongemakkelijke contacten ligt een deel van ons welzijn, dat nu op de tocht is komen te staan "
Jelle Schoemaker
Daar komt bij dat contact met anderen minder vanzelfsprekend wordt. De samengestelde CBS-indicator voor de frequentie van contact met familie, vrienden en buren daalt. Vooral het contact met buren neemt af. Werk kan thuis achter een scherm, boodschappen en maaltijden worden bezorgd en een koptelefoon of gepersonaliseerd media-aanbod maakt het eenvoudig om de omgeving buiten te sluiten. Daarmee kunnen we steeds meer kleine sociale risico’s vermijden: iemand aanspreken, ergens alleen binnenstappen of kort met een onbekende optrekken. Juist in zulke alledaagse, soms wat ongemakkelijke contacten ligt een deel van ons welzijn, dat nu op de tocht is komen te staan.
Een olympisch schaatstoernooi gaat die ontwikkeling niet keren. Het kan wel tijdelijk een reden bieden om de deur uit te gaan, samen te kijken of iemand aan te spreken met wie al een gedeelde passie bestaat. Daarvoor moeten we de Spelen niet gelijkstellen aan het stadion. De nationale schaal ontstaat via huiskamers, scholen, sportkantines, buurthuizen, bibliotheken, woonzorgcentra, media en de reis naar Heerenveen.
Die toegankelijkheid kan bewust worden ontworpen. Zo zou vijf of tien procent van de publiekscapaciteit kunnen worden gereserveerd voor een landelijke loting zodat iedereen een kans heeft om erbij te zijn, los van de hoogste betalingsbereidheid. Ook kan worden geëxperimenteerd met georganiseerde trein- of busreizen, een koppeling voor mensen die niemand hebben om mee te gaan, gezamenlijke maaltijden en oud-schaatsers rond lokale kijkplekken en kleine kijkgroepen waarin mensen uit dezelfde buurt elkaar nog niet kennen.
Maar belangrijker nog: werkt dit? Een groot scherm zonder uitnodiging of begeleiding kan net zo goed mensen aantrekken die elkaar al kennen. Een loting kan vooral gratis belangstelling oproepen, zonder nieuwe relaties voort te brengen. Daarom moeten zulke ideeën niet alleen worden uitgevoerd, maar als toetsbare projecten worden ontworpen.
Het huidige onderzoek vertelt ons dat mensen sociale gevolgen ervaren bij topsport, maar nog niet hoeveel ontmoeting een afzonderlijk evenement toevoegt, voor wie en nog belangrijker waardoor. Het leidt tot de centrale vraag: onder welke omstandigheden verandert gedeelde aandacht voor topsport in sociaal contact dat zonder het evenement niet zou zijn ontstaan? En wat betekent dit voor de samenleving?
"De volgende stap is niet nogmaals tellen hoeveel mensen keken of zich trots voelden, maar onderzoeken welke sociale ontmoetingen uit die betrokkenheid voortkomen"
Jelle Schoemaker
De aanloop naar 2030 biedt tijd om die vraag stapsgewijs te beantwoorden. Bij bestaande evenementen en toernooien kunnen verschillende kijk- en ontmoetingsvormen worden uitgeprobeerd. Sommige bezoekers krijgen alleen een ticket, anderen ook gezamenlijk vervoer, een ontmoeting met een rolmodel vooraf of een lokale activiteit achteraf. Kijkplekken kunnen variëren in schaal, begeleiding en samenstelling. Met nulmetingen, korte dagboekvragen of sensoren tijdens het evenement en vervolgmetingen wordt zichtbaar met wie mensen kijken, of nieuwe contacten ontstaan, hoe lang die standhouden en wat deelnemers anders zouden hebben gedaan. We weten namelijk helemaal niet welke organisatievorm nieuwe ontmoeting bevordert. Ontstaat zij thuis al met de buren, in Thialf, in een sportkantine of bij een activiteit in de wijk? Maakt een groot scherm voldoende verschil, of zijn een gastheer, gezamenlijke maaltijd of lokaal programma nodig? Zonder zicht op die mechanismen blijft ‘verbinding’ een gewenste uitkomst zonder uitvoeringsplan.
©SCS Soenar Chamid
Daarvoor is een multidisciplinair programma nodig. Economisch onderzoek kan additionaliteit en betekenis onderzoeken. Sociologie en sociale psychologie kunnen onderscheid maken tussen het versterken van bestaande banden en contact buiten de eigen kring. Communicatieonderzoek laat zien hoe een ervaring via media sociaal wordt, terwijl ontwerp- en bestuurskundig onderzoek nodig is om lokale partners, toegankelijkheid en uitvoering te begrijpen. Welzijnsonderzoek kan vervolgens nagaan voor wie contact werkelijk verschil maakt, zowel kwalitatief als kwantitatief. Deze disciplines moeten nadrukkelijk samen dezelfde keten onderzoeken: van topsport en evenement via aandacht en ontmoeting naar welzijn en publieke waarde.
"In 2030 zal Thialf vrijwel zeker vol zitten. De moeilijkere vraag is of Nederland elkaar daardoor ook meer ontmoet"
Jelle Schoemaker
Het huidige onderzoeksprogramma MOVES loopt volgend jaar af, evenals Project Blue Shift dat ook nadrukkelijk is ingestoken op verbinding en inspiratie van topsport. Hun mogelijke samenvoeging biedt de kans om deze kennislacune rondom sociale impact in te gaan vullen. Over bereik, draagvlak en verschillende vormen van betrokkenheid is inmiddels veel geleerd. De volgende stap is niet nogmaals tellen hoeveel mensen keken of zich trots voelden, maar onderzoeken welke sociale ontmoetingen uit die betrokkenheid voortkomen en hoe organisatoren daarop kunnen sturen. Daarvoor zijn de Olympische Winterspelen een mooi lonkend perspectief.
Bevindingen kunnen meteen worden gebruikt om het olympische schaatsen in 2030 beter te ontwerpen. Daarna kan dezelfde kennis helpen bij nieuwe EK’s, WK’s en terugkerende topsportcompetities. Thialf is daarom een aansprekende kapstok, maar niet het eindpunt. De kennis moet bruikbaar zijn voor andere sporten, kleinere topsportevenementen, landelijke competities, voor individuele topsporters die meer willen betekenen en de manier waarop Nederland zijn topsport en evenementenportfolio inzet voor de samenleving. Niet elke vorm van topsport heeft dezelfde nationale herkenning als olympisch schaatsen. Door projecten op verschillende plekken in het topsport-ecosysteem te herhalen, kunnen we leren welke mechanismen aan de sport zijn gebonden en welke breder werken om via topsport ons met elkaar te verbinden.
In 2030 zal Thialf vrijwel zeker vol zitten. De moeilijkere vraag is of Nederland elkaar daardoor ook meer ontmoet. We hebben nog vier jaar om een onderzoeks- en ontwerpprogramma van olympisch niveau te maken.
Jelle Schoemaker is als sport- en beweegeconoom verbonden aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen waar hij onderzoek doet naar de maatschappelijke opbrengsten van sport en bewegen in Sports & Economics Research Centre van het lectoraat Sport, Bewegen en Samenleving.
* Een verkenning van de maatschappelijke kosten en baten van mogelijke Olympische Spelen in Nederland ging in 2011 uit van 133 euro aan dagelijkse bestedingen door een gewone buitenlandse bezoeker, exclusief een gemiddeld ticket van 75 euro. Beide bedragen hadden prijspeil 2011. Zonder te doen alsof die cijfers rechtstreeks naar Thialf kunnen worden overgezet, geeft een bedrag van 250 euro tot 350 euro per buitenlandse bezoekdag inclusief ticket een verdedigbare orde van grootte voor een denkoefening.
** Het kengetal van 7,77 euro betreft de geschatte collectieve jaarlijkse betalingsbereidheid per extra sociaal contactuur uit een discrete-keuze-experiment naar lokale publieke sportaccommodaties. Overdracht naar een tijdelijk nationaal evenement is niet empirisch gevalideerd en wordt uitsluitend gebruikt om de denkoefening concreet te maken (Bron: Sociale ontmoetingen en duurzaamheidsmaatregelen op accommodaties: wat zijn ze waard? – Allesoversport.nl)
- Rijksoverheid, Frankrijk kiest voor Thialf: olympisch schaatsen 2030 in Heerenveen, 29 juni 2026. Bron voor de toewijzing, publieke bijdragen en uitspraken over de maatschappelijke opbrengsten.
- NOS, Na ruim 100 jaar weer Olympische Spelen in Nederland, 29 juni 2026, en NOC*NSF, Nederland levert Frankrijk gevraagde informatie, 5 februari 2026. Bronnen voor de vergelijking met Amsterdam 1928 en de keuze geen nieuwe Franse schaatshal te bouwen.
- Alpes 2030, Organization. Bron voor het voorlopige Franse organisatiebudget van 2,132 miljard euro.
- International Skating Union, Olympic Winter Games Schedule: Speed Skating, 1 februari 2026, en het officiële Competition Schedule van Milano Cortina 2026. Bronnen voor de twaalf langebaanwedstrijddagen, veertien langebaanonderdelen en 116 medailleonderdelen in totaal.
- International Skating Union, Team Sprint to Make Olympic Debut at Alpes 2030, 8 juli 2026. Bron voor de toevoeging van de mannen- en vrouwenteamsprint. Het aantal afzonderlijke kaartverkoopsessies in 2030 is nog niet vastgesteld.
- Rebel & Arup, Verkenning Maatschappelijke Kosten en Baten van de Olympische en Paralympische Spelen 2028 in Nederland, 2011.
- Provincie Fryslân, Trein stopt weer bij station Heerenveen IJsstadion, 6 februari 2026. Bron voor de indicatieve evenementencapaciteit van circa 10.000 bezoekers.
- CBS, Nederlanders rijk en tevreden maar minder met elkaar verbonden, 20 mei 2026. Bron voor de ontwikkeling in sociaal contact.
- MOVES, Bevolkingsonderzoek topsportevenementen, deel 1 en deel 2, dataverzameling in het vierde kwartaal van 2024 onder 3.807 volwassen Nederlanders. Bron voor bereik, betrokkenheid en zelfgerapporteerde sociale gevolgen.
Deel dit bericht:
Door: Jelle Schoemaker
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.