Wanneer is een gymles eigenlijk succesvol? Vraag het aan een vakleerkracht bewegingsonderwijs en de kans is groot dat het antwoord iets te maken heeft met plezier. Kinderen die enthousiast meedoen, lachen tijdens het spel en met een goed gevoel de zaal verlaten: dat zijn vaak de signalen waarop docenten hun oordeel baseren. Maar wat is plezier precies? En hoe weet je of die glimlach werkelijk het gevolg is van de gymles?
28 mei 2026
BRANDED CONTENT
Met die vragen begon ruim tweeënhalf jaar geleden het project 'Met een glimlach de gymles uit', onder leiding van docent-onderzoeker en projectleider Pim Schaatsenberg-Zaitouni van de ALO van de Hogeschool van Amsterdam. Het project is inmiddels afgerond. De opbrengst is een meetinstrument waarmee leerlingen hun plezier in de gymles kunnen aangeven en een reeks praktische hulpmiddelen die vakleerkrachten helpen hun lessen vanuit het perspectief van leerlingen te bekijken.
"Maar wij vroegen ons af of we wel weten waar die glimlach vandaan komt"
Pim Schaatsenberg-Zaitouni
“Het idee ontstond vanuit vragen die we aan het werkveld stelden”, vertelt Schaatsenberg. “De gymdocent staat vaak op een eiland. De gymzaal bevindt zich regelmatig letterlijk los van de school. Als wij een docent vragen hoe zijn les was en hij zegt: goed, dan vragen wij waarop hij dat baseert. Heel vaak komt dan het antwoord: omdat de leerlingen plezier hadden. Dat is een van de belangrijkste redenen om actief deel te nemen aan beweegactiviteiten en daarmee een middel om het primaire doel van een gymles te bereiken, namelijk beter leren bewegen. We weten ook dat wie beter leert bewegen, meer plezier in het bewegen krijgt.”
Pim Schaatsenberg-Zaitouni
Daarmee ontstond direct een nieuwe vraag. “Hoe zie je dat plezier? Veel docenten zeiden: aan de glimlach van kinderen. Maar wij vroegen ons af of we wel weten waar die glimlach vandaan komt. Komt die echt door de les? En wat verstaan leerlingen zelf onder plezier? Dat wilden we onderzoeken.”
Om die vraag te beantwoorden, werd een landelijke samenwerking opgezet tussen alle zes Nederlandse ALO’s. In totaal werden op zeventien basisscholen leerlingen uit groep 5 en groep 7 geïnterviewd. De onderzoekers stelden bewust panels samen met kinderen die volgens hun docent veel, gemiddeld of juist weinig plezier beleefden aan de gymles.
“Uit die gesprekken kwamen uiteindelijk 63 factoren naar voren die volgens leerlingen invloed hebben op hun plezier tijdens de gymles”, zegt Schaatsenberg. “Die factoren hebben we vervolgens laten clusteren door betrokken vakleerkrachten. Uiteindelijk bleven er tien hoofdthema’s over.”
Die tien thema’s vormen de basis van het nieuwe meetinstrument. Leerlingen beantwoorden eerst twee centrale vragen: of zij plezier hebben in de gymles en of zij het gevoel hebben goed in gym te zijn. Dat doen zij met behulp van vijf smileys. Vervolgens krijgen zij vragen over de tien factoren die volgens leerlingen bepalend zijn voor hun ervaring. “Denk aan eigenaarschap: krijg je als leerling keuzes tijdens de les? Maar ook aan beweegtijd, de manier waarop groepjes worden gemaakt, de relatie tussen docent en leerling en de duidelijkheid van regels en afspraken. Dat zijn als het ware knoppen waaraan een docent kan draaien om de les anders in te richten.”
Juist die leerlingfeedback bleek regelmatig verrassende inzichten op te leveren. “Docenten ontdekten blinde vlekken in hun eigen handelen. Een mooi voorbeeld is dat leerlingen op meerdere scholen aangaven dat regels strenger gehandhaafd mochten worden. Veel docenten verwachtten dat helemaal niet, maar voor leerlingen bleek duidelijkheid juist belangrijk voor hun plezier.”
Het onderzoek beperkte zich niet tot het ontwikkelen van een vragenlijst. Op negen scholen werd het instrument samen met vakleerkrachten ontworpen volgens de Design Thinking-methode, een aanpak waarbij gebruikers actief betrokken worden bij het ontwikkelen van oplossingen. Vervolgens werd het instrument getest en doorontwikkeld.
"Het gaat niet om het verzamelen van data, maar bewust te worden van de docentenhandelingen die bijdragen aan plezierbeleving"
Pim Schaatsenberg-Zaitouni
“Een belangrijke eis vanuit het werkveld was flexibiliteit”, legt Schaatsenberg uit. “De ene docent wilde anoniem meten, de andere niet. Sommigen wilden digitaal werken, anderen liever op papier. Daarom hebben we een instrument ontwikkeld dat in verschillende situaties en zowel in de klas als in de gymzaal gebruikt kan worden.”
De kracht zit volgens hem vooral in wat er daarna gebeurt. “Het gaat niet om het verzamelen van data, maar bewust te worden van de docentenhandelingen die bijdragen aan plezierbeleving. Het gesprek met een leerling aangaan, kan een actie zijn die voortkomt uit die inzichten. Docenten kunnen ook met collega’s sparren over de uitkomsten en bekijken welke aanpassingen mogelijk zijn. Daarna meten ze opnieuw en zien ze of leerlingen de les anders ervaren.”
Om dat proces te ondersteunen ontwikkelden de onderzoekers ook zogeheten inspiratiekaarten. Die bevatten vragen en suggesties die vakleerkrachten aanzetten tot reflectie. “Ze helpen docenten om bewust na te denken over hun eigen handelen. Heb ik bijvoorbeeld wel eens gekeken naar hoe ik groepjes samenstel? Of naar hoeveel keuzevrijheid leerlingen krijgen?”
Dat bewustzijn vormt volgens Schaatsenberg de belangrijkste opbrengst van het project en juist daarom was de investering volgens hem gerechtvaardigd. Het project werd gefinancierd met een RAAK-Publiek-subsidie van 289.000 euro vanuit SIA, aangevuld met ongeveer 300.000 euro aan cofinanciering vanuit de betrokken partners.
“De impact gaat verder dan de scholen die hebben meegedaan. Het meetinstrument wordt opgenomen in stageopdrachten binnen alle ALO’s. Studenten nemen die kennis vervolgens mee naar hun stagescholen. Daarnaast onderzoeken we hoe het instrument kan worden geïntegreerd in leerlingvolgsysteem Plan Mij/Volg Mij, dat momenteel door ongeveer vijfhonderd scholen wordt gebruikt.”
De brede samenwerking tussen de lectoraten was daarbij van grote waarde, meent Schaatsenberg. Naast de HvA waren ook de lectoraten van de Hanze, Windesheim, HAN, Haagse Hogeschool en Fontys betrokken. “Uiteindelijk hebben we allemaal hetzelfde doel”, zegt Schaatsenberg. “We willen dat kinderen hun hele leven met plezier blijven bewegen. Door alle ALO’s te betrekken, konden we het onderzoek landelijk uitvoeren en tegelijkertijd zorgen dat de resultaten direct hun weg vinden naar de opleiding van toekomstige vakleerkrachten.”
"Die glimlach kan wel het begin zijn van een veel interessantere vraag: waarom heeft dit kind plezier"
Pim Schaatsenberg-Zaitouni
Dat laatste is volgens hem geen overbodige luxe. “Landelijk voldoet slechts 61 procent van de kinderen tussen de 4 en 11 jaar aan de beweegrichtlijn van minimaal 60 minuten bewegen per dag. Plezier is een belangrijke voorwaarde om kinderen duurzaam aan het bewegen te krijgen. De gymles speelt daarin een belangrijke rol.”
Een glimlach is daarvoor niet voldoende bewijs. Schaatsenberg: “Maar die glimlach kan wel het begin zijn van een veel interessantere vraag: waarom heeft dit kind plezier? Zodra je dat begrijpt, kun je als docent veel gerichter bijdragen aan een positieve beweegervaring. En uiteindelijk is dat waar het om draait.”
Deel dit bericht:
Door: Emilie Maclaine Pont
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.