Daniel
1 oktober 2026
Hoe mentale vaardigheden het verschil kunnen maken in een 25 meter sprint
Een 25 meter sprint is bij zeer snelle zwemmers in ongeveer tien seconden voorbij. Voor het analyseren van een negatieve gedachte, het bewust opnieuw organiseren van de aandacht of het herstellen van een technische fout is tijdens zo’n race simpelweg geen tijd.
1 oktober 2026
Achtergronden
Dat maakt mentale voorbereiding juist bij een korte sprint belangrijk. Rond de World Aquatics Swimming Championships (25m) in Beijing (1–6 december 2026) staat het shortcoursezwemmen internationaal volop in de aandacht. Die wedstrijdcontext benadrukt hoe klein de marges in korte zwemraces zijn. Dit artikel gebruikt 25 meter borstcrawl als praktisch voorbeeld van zo’n korte sprint. Het gaat daarbij niet om de 25 meter als afzonderlijk WK-onderdeel, maar om de mentale vaardigheden die een zwemmer nodig heeft om een korte, explosieve race zo goed mogelijk uit te voeren.
Bij een race van ongeveer tien seconden is er nauwelijks ruimte om tijdens het zwemmen nog bewust bij te sturen. De mentale voorbereiding moet daarom vooral vóór het startsignaal plaatsvinden: weten waarop je je richt, een duidelijk raceplan hebben, mogelijke verstoringen voorbereiden en een vaste routine ontwikkelen. Tijdens de race zelf draait het vervolgens vooral om uitvoeren.
De mentale voorbereiding op een 25 meter sprint kan worden gezien als één doorlopende keten. Iedere wedstrijdfase vraagt daarbij om een andere mentale vaardigheid.
Voor de wedstrijd — procesdoelen, raceplan en mentale voorstellingen. Richt de aandacht op de uitvoering en bereid ook mogelijke verstoringen voor.
Tijdens de warming-up — activatie en aandacht organiseren. Gebruik ademhaling als eenvoudig aandachtsanker.
In de callroom — spanning toelaten en afleiding loslaten. Breng de aandacht steeds terug naar wat op dat moment relevant is.
Op het startblok — een korte, vaste pre-performance routine. Eindig met één taakgerichte cue.
Tijdens de race — uitvoeren. Gebruik eventueel één korte zelfspraakcue als aandachtsanker.
Na de aantik — evalueren en leren.
De belangrijkste gedachte is eenvoudig: de mentale voorbereiding moet de uitvoering tijdens de race eenvoudiger maken. Niet iedere zwemmer hoeft al deze technieken te gebruiken; het gaat erom per wedstrijdfase één of enkele passende vaardigheden te trainen.
Een zwemmer die voortdurend denkt aan een gewenste eindtijd of eindklassering, richt zijn aandacht op een uitkomst waar hij tijdens de race nauwelijks directe controle over heeft. Een procesdoel is bruikbaarder. Voor een 25 meter borstcrawl kan het raceplan bijvoorbeeld bestaan uit een krachtige afzet, een efficiënte onderwaterfase en een directe overgang naar de maximale zwemuitvoering. Het gaat daarbij niet om het onthouden van een lange lijst technische aanwijzingen. De techniek moet in de training al voldoende zijn geautomatiseerd.
"Ook een minder ideale situatie kan vooraf worden verbeeld"
Ad Vos
Biomechanisch onderzoek bij elitezwemmers laat zien dat de start bestaat uit een samenhangende bewegingsketen. De afzet, vlucht- en onderwaterfase dragen ieder bij aan de uiteindelijke startprestatie¹. Voor mentale training betekent dit dat de zwemmer op het startblok niet meer bewust ieder technisch detail moet controleren. De beweging moet zo vaak zijn geoefend dat zij onder druk grotendeels automatisch kan verlopen.
Visualisatie (mentale voorstellingen) kan helpen om de uitvoering vooraf te repeteren. De zwemmer representeert de beweging of wedstrijdsituatie mentaal zonder die daadwerkelijk uit te voeren.
Een recente meta-analyse laat zien dat mentale voorstellingen gemiddeld positieve effecten kunnen hebben op sportprestatie. De effecten lijken bovendien sterker wanneer visualisatie wordt gecombineerd met andere psychologische vaardigheden². Visualisatie is daarmee geen los trucje, maar kan onderdeel zijn van een breder voorbereidingsproces.
Voor de 25 meter betekent dit dat de zwemmer de race vooraf mentaal doorloopt: de positie op het blok, het startsignaal, de afzet, het contact met het water, de onderwaterfase, de overgang naar de borstcrawl en de aantik.
Die repetitie hoeft bovendien niet uitsluitend uit een perfecte uitvoering te bestaan. Ook een minder ideale situatie kan vooraf worden verbeeld. Wat doe je als de start niet helemaal goed voelt? Wat doe je als de spanning vlak voor het startsignaal onverwacht oploopt?
"Spanning is op zichzelf geen probleem"
Ad Vos
Daarmee ontstaat een eenvoudige vorm van mentale voorbereiding op het onverwachte. Niet oefenen dat er nooit iets misgaat, maar oefenen wat je doet als iets anders verloopt dan gepland. Imagery rescripting sluit bij die gedachte aan. Onderzoek naar deze techniek laat veelbelovende resultaten zien bij negatieve mentale beelden, maar het beschikbare bewijs komt vooral uit de klinische psychologie. Voor zwemmers is het daarom een interessante aanvullende techniek, geen bewezen prestatie-interventie³.
Tijdens de warming-up verandert de functie van mentale voorbereiding. De zwemmer hoeft de race niet meer uitgebreid te analyseren. Het gaat nu om de juiste activatie en het organiseren van de aandacht.
Ademhaling kan daarbij een eenvoudige manier zijn om de aandacht te stabiliseren. Het doel hoeft niet te zijn om zo rustig mogelijk te worden. Spanning is op zichzelf geen probleem en een sprinter heeft voldoende activatie nodig om explosief te handelen. Bewust en rustig ademen kan vooral helpen wanneer de aandacht te veel verschuift naar het resultaat, de omgeving of andere afleidingen. Welke vorm van ademhaling het beste werkt, verschilt per zwemmer.
Tijdens de sprint zelf moet ademhaling geen improvisatie worden. Onderzoek bij competitieve zwemmers laat zien dat ademen tijdens een maximale 25 meter borstcrawl invloed kan hebben op de snelheid en de bewegingsuitvoering⁴. Dat betekent niet dat een zwemmer op 25 meter per definitie niet moet ademen. Het betekent wel dat de ademhaling onderdeel moet zijn van het vooraf getrainde technische raceplan.
In de callroom komt de race steeds dichterbij. Gedachten over tijd, concurrenten en verwachtingen kunnen zich opdringen. De zwemmer hoeft die gedachten niet weg te drukken. Een functionele gedachte kan zijn: ‘Ik merk dat ik spanning voel. Dat is logisch. Ik hoef die spanning niet eerst weg te krijgen om mijn race te kunnen zwemmen.’
Deze benadering sluit aan bij de principes van Acceptance and Commitment Therapy (ACT). Interne ervaringen hoeven niet eerst te verdwijnen voordat iemand doelgericht kan handelen. Ook met spanning of onzekerheid kan de aandacht worden teruggebracht naar wat op dat moment relevant is.
Mindfulness ondersteunt dit proces door op te merken wat er gebeurt zonder daar automatisch op te reageren. Onderzoek naar mindfulness-based interventies in de sport laat positieve aanwijzingen zien voor onder meer sportprestatie en enkele psychologische factoren, maar de kwaliteit en omvang van de beschikbare studies verschillen⁵. Mindfulness is daarom in deze context vooral een ondersteunend principe, niet een afzonderlijke prestatiebelofte.
Ook de Attention Training Technique (ATT) kan worden gebruikt om aandachtsflexibiliteit te trainen. De zwemmer leert de aandacht bewust te verplaatsen en niet vast te blijven zitten in een interne piekerstroom. In onderzoek onder junior-eliteatleten uit verschillende sporten leidde een trainingsperiode met ATT tot minder ervaren stress en een verbetering van de ervaren sportprestatie⁶. Omdat dit onderzoek niet specifiek bij zwemmers is uitgevoerd en geen objectieve zwemprestatie onderzocht, moet ATT vooral worden gezien als een mogelijke trainingsvaardigheid: leren om de aandacht los te maken van afleidende gedachten en die vervolgens opnieuw te richten.
Op het startblok moet de mentale voorbereiding juist heel eenvoudig worden. Een pre-performance routine is een vaste reeks taakrelevante gedachten en handelingen die voorafgaand aan een uitvoering wordt gebruikt. Een recente meta-analyse laat zien dat zulke routines prestaties kunnen ondersteunen, ook onder druk⁷.
Voor een 25 meter sprint kan de routine kort en individueel zijn. De zwemmer neemt de startpositie in, richt de aandacht op relevante informatie, roept kort het racebeeld op en gebruikt vervolgens één taakgerichte cue. Bijvoorbeeld: ‘Explosief.’
Daarna is geen mentale analyse meer nodig. De kracht van de routine zit in de herhaling. Ze moet niet alleen tijdens belangrijke wedstrijden worden gebruikt, maar ook tijdens trainingen en wedstrijdsimulaties. Zo wordt de routine zelf een herkenbaar signaal voor de overgang van denken naar uitvoeren.
Zodra het startsignaal klinkt, verandert de functie van mentale vaardigheden opnieuw. De zwemmer heeft weinig aan uitgebreide gedachten. Zelfspraak kan wel als kort aandachtsanker fungeren. Een woord als ‘strak’, ‘door’ of ‘finish’ kan de aandacht terugbrengen naar een al getraind onderdeel van de uitvoering. Onderzoek naar zelfspraak laat zien dat zowel motiverende als instructieve vormen bruikbaar kunnen zijn, afhankelijk van taak en context⁸.
Daarom bestaat er geen universeel ‘beste’ cue. Het gaat om het woord dat bij deze zwemmer een specifiek, al getraind gedrag oproept. Een cue is geen nieuwe technische instructie. Het is een aandachtsanker voor iets wat de zwemmer al beheerst.
De start en de onderwaterfase moeten mentaal niet als afzonderlijke problemen worden behandeld. De biomechanische literatuur laat zien dat verschillende onderdelen van de startprestatie met elkaar samenhangen¹.
De zwemmer hoeft tijdens de uitvoering niet bewust ieder onderdeel afzonderlijk te controleren. Het doel is één doorlopende uitvoering: afzetten, waterfase, onderwaterbeweging en vervolgens zonder mentale onderbreking overgaan naar de borstcrawl. Juist hier wordt de waarde van de voorbereiding zichtbaar. De mentale taak is niet om tijdens de race de techniek voortdurend te controleren, maar om zo min mogelijk tussen de uitvoering te komen.
In de laatste meters loopt de inspanning hoog op. Bij een 25 meter sprint is dat geen moment om de prestatie te beoordelen. Een gedachte als ‘dit gaat niet snel genoeg’ kan worden opgemerkt zonder erop in te gaan. De zwemmer hoeft die gedachte niet te weerleggen. Hij hoeft alleen terug te keren naar uitvoerbaar gedrag. Een kort cue-woord als ‘door’ kan daarbij als aandachtsanker functioneren. De eindtijd wordt pas relevant nadat de hand de muur heeft geraakt.
Na de aantik komt de evaluatie. De tijd is uiteraard belangrijk. Maar voor mentale training is een tweede vraag minstens zo interessant: heeft de zwemmer zijn mentale wedstrijdplan uitgevoerd?
"De meeste mentale arbeid vindt niet tijdens de race plaats"
Ad Vos
Was de aandacht vóór de start taakgericht? Werd de pre-performance routine uitgevoerd? Bleef de zwemmer bij het raceplan toen spanning of afleiding opkwam? En werkte het gekozen cue-woord zoals bedoeld? Een slechte tijd is daarmee niet automatisch een mislukte mentale prestatie. Omgekeerd bewijst een snelle tijd niet automatisch dat de mentale aanpak goed was. De relevante vraag is steeds: wat kunnen we uit deze race meenemen naar de volgende?
De belangrijkste les van een korte sprint is paradoxaal: de meeste mentale arbeid vindt niet tijdens de race plaats. De zwemmer moet vooraf leren om een procesgericht raceplan te maken, de race mentaal te repeteren, met spanning en afleiding om te gaan en een korte pre-performance routine te automatiseren. Tijdens de race blijft vervolgens maar een eenvoudige opdracht over: uitvoeren.
Dat betekent niet dat één mentale techniek alle problemen oplost. De beschikbare literatuur wijst eerder op de waarde van een combinatie van vaardigheden, waarbij de functie van iedere vaardigheid afhankelijk is van het moment en de taak.
Voor de 25 meter is dat misschien de meest bruikbare mentale strategie van allemaal: niet proberen om tijdens de race mentaal beter te worden, maar ervoor zorgen dat de mentale voorbereiding de race eenvoudig maakt. Want wanneer de zwemmer op het startblok staat, is er na het startsignaal nauwelijks nog tijd om na te denken. Dan moet het gebeuren.
Ad Vos is sport- en prestatiepsycholoog, gespecialiseerd in voetbal en korfbal. Daarnaast heeft hij een ruime ervaring met het begeleiden van werknemers die na burn-out terugkeren op de werkvloer.
Eindnoten: ¹ Fischer & Kibele (2016); Tor et al. (2015). ² Liu et al. (2025). ³ Kroener et al. (2023). ⁴ McCabe et al. (2015). ⁵ Wang et al. (2023). ⁶ Moen, Firing, & Wells (2016). ⁷ Rupprecht et al. (2024). ⁸ Dali et al. (2023).
Deel dit bericht:
Door: Ad Vos, NLsportpsycholoog
2 reacties
Daniel
1 oktober 2026
Mina
1 oktober 2026
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.