Adri Broeke beschouwt de arbeidsmarkt in de sportsector van morgen aan de hand van recente literatuur. Volgens onderzoek van het Mulier Instituut en de daarop gebaseerde analyses van FNV Sport & Bewegen valt veel werk in de huidige sportsector in de categorie ‘laagwaardig’. Vertegenwoordigers van werkgevers, werknemers, ondernemers en beroepsopleidingen zitten al jaren aan de overlegtafel voor een Human Capital Agenda (HCA) in de sportsector. Broeke las onder meer het boek De Nieuwe Professional van Annelies Riteco en Hedwigh Verbruggen-Letty. Wat heeft de sportprofessional van morgen nodig?
27 augustus 2026
Achtergronden
Naast de meer dan een miljoen vrijwilligers zijn er inmiddels ruim honderdduizend betaalde krachten werkzaam in de sport. Het merendeel daarvan vervult een (deeltijd) baan in de ‘klassieke’ sportsector. Van oudsher verrichten oefenmeesters, instructeurs, trainers en coaches als sporttechnisch geschoolde specialisten in deze sector veruit het meeste professionele werk.
"De noodzaak van professionalisering wordt door alle betrokken partijen alom gedeeld. Helaas ontbreekt het tot nu toe aan geschikte implementatiemiddelen en overtuigingskracht"
Adri Broeke
In aanpalende sectoren oefenen – veelal breder dan louter sporttechnisch opgeleide – sportprofessionals het beroep van bewegingsonderwijzer, buurtsportcoach of bijvoorbeeld leefstijladviseur eveneens al jarenlang uit. De laatste decennia zijn er in de meer commerciële sport- en evenementenbranche ook steeds meer sportgerelateerde banen bij gekomen. Al met al groeit in het beroepsdomein van sport en bewegen de werkgelegenheid met de dag. De kwaliteit van heel wat sportwerk echter baart nog altijd zorgen.
Om de kwaliteit van arbeid te bepalen, hanteren arbeidsdeskundigen de zogeheten 4 A’s: arbeidsvoorwaarden, arbeidsomstandigheden, arbeidsinhoud en arbeidsverhoudingen. Door voor elk van de 4 A’s schalen te construeren – lopend van 0 (zeer slecht) tot 10 (zeer goed) – kan de werkkwaliteit ‘gemeten’ worden.
Een branche of bedrijfstak kenmerkt zich door laagwaardig werk als men veelal flexibele arbeidscontracten afsluit, lage beloningen hanteert en niet of nauwelijks investeert in de scholing van haar – vaak laag geschoolde – personeel. Er is daarentegen sprake van hoogwaardig werk als nadrukkelijk wordt gezorgd voor baanzekerheid, marktconforme lonen en duurzame loopbaanontwikkeling van de – vaak goed opgeleide – werknemers.
Volgens recent onderzoek van het Mulier Instituut en de daarop gebaseerde analyses van FNV Sport & Bewegen, blijkt dat veel van het werk in de sportsector ook vandaag de dag nog valt onder de categorie ‘laagwaardig’. Zonde en zorgelijk. Eens te meer omdat al sinds 2021 door vertegenwoordigers van werkgevers, werknemers, ondernemers en beroepsopleidingen aan de overlegtafel Human Capital Agenda (HCA) gezamenlijk gewerkt wordt aan de professionele kwaliteit en toekomstbestendigheid van de sportarbeidsmarkt in ons land. De noodzaak van professionalisering wordt door alle betrokken partijen alom gedeeld. Helaas ontbreekt het tot nu toe aan geschikte implementatiemiddelen en overtuigingskracht om het tij daadwerkelijk te keren.
Nieuwe toetreders tot de arbeidsmarkt hebben hun eigen opvattingen over de 4 A’s van werk. Zo hechten veel aankomende ‘young professionals’ bijvoorbeeld belang aan én een goed inkomen én interessant werk. De nieuwe generatie (Gen Z) wil daarenboven tevens een bijdrage leveren aan een maatschappelijk ideaal. Daarmee leggen de twintigers de lat hoog. Voor zichzelf en voor de aard en inhoud van hun toekomstige baan. Ze zijn op zoek naar wat in de betreffende vakliteratuur ‘goed werk’ genoemd wordt. Kwalitatief hoogstaand werk dat goed is, goed doet en goed voelt. Op de hedendaagse sportarbeidsmarkt is dit type werk weliswaar schaars, maar voor aankomende sportprofessionals ziet het er sinds kort een stuk rooskleuriger uit. Kansen en mogelijkheden wat betreft betekenisvol werk liggen ook op het gebied van sport en bewegen wel degelijk in het verschiet. Zowel de beleidsmakers aan de overlegtafels als de toekomstige professionals in de praktijk zullen echter nog flink aan de bak moeten.
Uit de onlangs in het kader van de Human Capital Agenda uitgevoerde onderzoeken en toekomstverkenningen kwamen – op de verschillende micro-, meso- en macrolagen waaruit het sportsysteem is opgebouwd – voorbodes van (verdergaande) veranderingen duidelijk in het vizier. Ze luiden op het sterk verbrede werkterrein van sport en bewegen een nieuw toekomstbestendig sportlandschap in. Meer en meer zal het dan gaan over interprofessioneel samenwerken, bruggen slaan naar andere disciplines en werkvelden en niet in de laatste plaats zorgen voor duurzame verbindingen met en bijdragen aan complexe vraagstukken en maatschappelijke opgaven in de samenleving van morgen en overmorgen.
"De sociaaleconomische bijdrage van sport en bewegen aan de in ons land omarmde brede welvaart staat inmiddels als een huis"
Adri Broeke
Op micro-niveau zien we dat – mede dankzij de nationaal ingezette Sportakkoorden SA I en SA II en de rijksbijdragen via de Brede Regeling Combinatiefuncties (BRC) – de verenigingsondersteuning stevig in de steigers is gezet. Al dan niet in dienst van gemeente of sportbond, zijn buurtsportcoaches op plaatselijk niveau in de rol van procesbegeleider, clubkadercoach of verenigingsmanager actief met een professionaliseringsslag van het voor vrijwilligers (te) veel tijd en energie vragende verenigingswerk bij sportclubs in ons land. Deze werkzaamheden vallen onder een passend functieniveau van het cao-sportstelsel en bieden de betreffende groep goed opgeleide sportwerkers een duurzaam carrièrepad.
De opkomst van hybride sportparken biedt op meso-niveau een uitdagend perspectief. Daar werken gemeentelijke sportbedrijven, (top)sportverenigingen, buitenschoolse opvangorganisaties en in veel gevallen ook commerciële sportorganisaties nauw samen. Sportvoorzieningen en personeel worden gezamenlijk gedeeld en gebruikt en het parkmanagement zorgt voor bestuurlijke afspraken en verbindingen tussen de verschillende participerende partijen. De veelal klimaatbestendig (waterbeheer) en duurzaam (laag energieverbruik) ingerichte sportcomplexen fungeren in de praktijk vaak tevens als ontmoetingsplek voor zowel verenigingsleden, schoolgaande jeugd als buurtbewoners. Om het management en de exploitatie van zulke multifunctionele parken in goede banen te leiden, wordt met name theoretisch geschoolde organisatieprofessionals met in sportpraktisch opzicht voldoende ‘skin in the game’ een interessante kans geboden om in deze setting ‘goed werk’ te leveren.
Sport heeft zich de afgelopen tijd ontwikkeld tot een maatschappelijk verschijnsel dat er ook op macro- niveau toe doet. Op steeds meer beleidsterreinen speelt het een rol bij de aanpak van uitermate lastig te realiseren maatschappelijke opgaven. Vraagstukken op het gebied van gezondheid, actieve vrijetijdsbesteding, de sociale cohesie en de leefbaarheid van buurten en wijken bijvoorbeeld, zijn niet meer weg te denken bij ‘sport in all policies’. De sociaaleconomische bijdrage van sport en bewegen aan de in ons land omarmde brede welvaart staat inmiddels als een huis. Om maatschappelijke resultaten te blijven boeken, zal er in de nabije toekomst veel tijd, energie en denkkracht dienen te worden gestoken in organisatieoverstijgende vormen van intersectorale samenwerking. Voor een kleine groep getalenteerde starters op de sportarbeidsmarkt dienen zich de komende tijd onvermijdelijk innovatieve vormen van interprofessioneel samenwerken in complexe opgavenetwerken aan. Het is (mede) aan de nieuwe generatie professionals om daar op een waardevolle wijze vorm en inhoud aan te geven.
Elk tijdsgewricht waarin we leven en werken vraagt om de ontwikkeling van nieuwe vaardigheden en praktijken. In onze snel veranderende digitaal verbonden 21ste-eeuwse samenleving kunnen ook professionele werkers zich daaraan niet onttrekken. In ‘De nieuwe professional’ wordt een profiel geschetst van de extra bagage waarover aankomende professionals dienen te beschikken om in een onzekere, onvoorspelbare wereld een rol van betekenis te vervullen. Met minder focus op zichzelf (ego) en meer verbondenheid met de wereld om hen heen (eco).
De samenstellers van deze uit meer onderdelen bestaande publicatie (boek + website) beschrijven een nieuw profiel en praktisch ontwikkelmodel voor de professional van de toekomst. In een wereld met veel dynamiek, onzekerheid en complexiteit is een ander type professional nodig dan die van het gangbare statische T-shaped profiel. Daarbij stond de verticale poot van de T voor verdieping in één vak en de horizontale balk voor verbreding van je kennis over meerdere disciplines. Wat ontbrak, was de verbinding van die brede vakkennis met jezelf als persoon en de wereld om je heen. De link tussen wie je zelf bent en wat je voor je omgeving wilt betekenen (purpose) staat in het nieuw ontworpen profiel van de Y-professional centraal. De pootjes van de T gingen letterlijk omhoog!
In hun zoektocht naar de kennis en kunde die (nieuwe) professionals toekomstbestendigheid verschaft, stuitten de aan de Hogeschool van Utrecht verbonden auteurs Annelies Riteco en Hedwigh Verbruggen-Letty op het tot de verbeelding sprekende integrale Columbus-model van de 21ste-eeuwse vaardigheden. Wendbaarheid, digitale geletterdheid en ‘droomdenken’ bijvoorbeeld vormen drie soorten elkaar aanvullende vaardigheden die van essentieel belang zijn voor het toekomstbestendige professionele werk. De toekomstbestendige Y-professional moet behalve alert en wendbaar ook in staat zijn een eigen koers te varen en de ‘nieuwe wereld’ zelf vorm te geven.
Gebaseerd op het gedachtegoed van Ken Wilber over het integrale ‘both-and’ denken en geïnspireerd door het door Simon Sinek geïntroduceerde Why-begrip, ontwikkelden de beide hogeschooldocenten een praktische ontwikkeltool om de aankomende starters op de arbeidsmarkt te helpen in hun ontwikkeling tot een nieuw type professional. Een professional die denkt in verbindingen en gedreven is om vanuit zijn of haar innerlijke drijfveren en overtuiging (=het WHY met hoofdletters) betekenisvolle impact te maken met zijn of haar beroep als voertuig.
Bij de ontwikkeling van dit praktisch model gingen ze bepaald niet over één nacht ijs. Allereerst werd een tiental rolmodellen geïnterviewd. Professionals die – hoewel uit verschillende generaties afkomstig – aantoonbaar over de beoogde kwaliteiten beschikten. Hoe luidt hun WHY? Wat kunnen anderen leren van hun ervaringen als Y-professionals? Door dit soort vragen werd duidelijk dat je WHY helder krijgen en uiteindelijk met succes uitdragen een stapsgewijs verdiepend proces is voor de persoon in kwestie. Een praktisch ontwikkelingsmodel zou daarbij als ondersteuning uitermate van pas komen. De auteurs voegden de daad bij het woord en ontwikkelden met het oog hierop een tamelijk omvangrijke en complexe ontwikkelingstool: de zogenaamde WHY-er. Bestaande uit een hard copy waaier, een uitgebreide website en online leeromgeving en onderhavig boek. In het boek worden de zes kernelementen van het Waaier-model en de bijbehorende (Columbus-model) skills slechts beknopt weergegeven.
"De WHY-er gaat dieper dan de puur professionele vorming"
Adri Broeke
De WHY vormt de spil van het model. Als kernelement 1: 'Mijn WHY' verbindt de binnenwereld (de persoonlijke drijfveren) met de buitenwereld (de maatschappelijke uitdagingen). De vraag hoe je je talenten en passies het beste kunt inzetten om via je professionele werk bij te dragen aan een betere wereld staat daarbij centraal. De kernelementen 2 t/m 6 worden hierdoor gestuurd en gevoed. Bij kernelement 2: 'Mijn Kracht' gaat het bijvoorbeeld over de skills die je kunt ontwikkelen om jezelf weerbaarder en wendbaarder te maken. Bij kernelement 3: 'Mijn Stem' staan oefeningen om je met een krachtig verhaal naar buiten toe te profileren centraal. Bij kernelement 4: 'Mijn Beroep' en kernelement 5: 'Mijn Gehoor' staan op het verwerken van waardevolle data en informatie betrekking hebbende vaardigheden en inzichten beschreven. Bij kernelement 6: 'Mijn Stempel' ten slotte, draait het om de werkwijzen en methodes die je kunt inzetten om naar betekenisvolle impact te streven en daarmee het eigenbelang te overstijgen ten gunste van de verbinding met het grotere geheel.
Met verhelderende praktijkvoorbeelden wordt in de laatste hoofdstukken toegelicht hoe het betreffende ontwikkelproces bij verschillende deelnemersgroepen in z’n werk gaat. Volgens de makers/ontwerpers onderscheidt hun WHY-er zich in dit opzicht fundamenteel van andere soortgelijke tools. Ze hebben er namelijk een diepere laag aan toegevoegd: een tweede-orde mindset, een – ooit door Ken Wilber begin deze eeuw ontworpen – denkkader waarmee je de dynamiek van wicked problems kunt doorgronden en beïnvloeden. In eerste instantie onvoorspelbare processen en problemen kunnen met de overstijgende denkkracht van zo’n tweede orde, integraal bewustzijn, kansrijk aangepakt worden. Met behulp van het ontwikkelmodel verwerf je de systematische inzichten en verbindende capaciteiten die daarmee gepaard gaan. Toegerust met de vermogens van de tweede-orde mindset en uitgaande van je WHY als kompas vergroot je als nieuwe (aankomend) professional je toekomstbestendigheid aanzienlijk. Zo iemand noemen de auteurs treffend een WHY-professional: een persoon die zijn werk inzet als expressie van waar hij/zij voor staat en al doende bijdraagt om van onze wicked world een betere plek te maken.
De WHY-er gaat dieper dan de puur professionele vorming en leent zich volgens de bedenkers daarom bij uitstek voor een levenslange ontwikkelingsreis. Het praktijkmodel is zonder meer Gen Z proof, maar richt zich niet alleen op de studerende en werkende jonge professionals. Het profiel van de nieuwe professional en het bijbehorende ontwikkelingsmodel kan in meerdere levensfasen ingezet worden, ook in het kader van het momenteel door werkgevers en politiek omarmde principe van Leven Lang Ontwikkelen (LLO) bijvoorbeeld. Wat zou het mooi zijn als in de binnenkort te verwachten Human Capital Agenda aanbevelingen en maatregelen voor de ontwikkeling van de wendbare toekomstbestendige WHY-professional op de sportarbeidsmarkt de hoogste prioriteit zouden krijgen. Over ‘droomdenken’ gesproken…
- Annelies Riteco e.a. (2026). De nieuwe professional. Meppel: Koninklijke Boom Uitgevers
- Ingrid Koppelman (2026). Dat kan groter, breder, samen. Utrecht: FNV sport & bewegen
- Niels Meulenbroeks e.a. (2026). Trendrapport arbeidsmarkt sport en bewegen 2025.Utrecht:
Het Mulier Instituut
- Paul de Beer (2025). Waardevol werk gaat om meer dan een goed loon en werkzekerheid.
S&D 20-10-2025. Den Haag: Wiardi Beckman Stichting
- Simon Sinek (2012). Begin met het waarom. Amsterdam: Uitgeverij Business Contact
Deel dit bericht:
Door: Adri Broeke
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.