Skip Navigation LinksHome-Nieuws-Open Podium-Item

Voetbalsector kan veel beter presteren 7 oktober 2014

door: Tsjalle van der Burg

Als de Engelse kampioen van 2013, Manchester United, tegen de Engelse kampioen van 1960, Burnley, had kunnen spelen, wat zou dan de uitslag zijn geweest? Het antwoord is duidelijk: Manchester United zou met 158-1 hebben gewonnen. Dat wil zeggen, als de score in geld was uitgedrukt. Burnley verdiende 136.000 pond in 1960. Destijds kon je voor een pond zeventien keer zoveel kopen als in 2013. 136.000 pond in 1960 is dus evenveel waard als 2,3 miljoen pond in 2013. Maar Manchester United verdiende 363 miljoen pond in 2013, en dat is 158 keer zoveel.

Geen enkele andere Engelse club had in 2013 zulke hoge inkomsten als Manchester United. Maar de gemiddelde club uit de Premier League verdiende dat jaar toch wel 53 keer zoveel als de gemiddelde club uit de hoogste Engelse divisie in 1960. Ook elders in Europa zijn de inkomsten van voetbalclubs spectaculair gestegen. Het lijkt allemaal een groot succes. Maar is dat ook zo?

De inkomsten van autofabrikanten zijn sinds 1960 ook sterk gestegen. Mensen besteden veel meer geld aan auto’s dan vroeger. Ze krijgen daar ook veel voor terug: er worden meer auto’s geproduceerd, de kwaliteit is beter en er is meer keus.

In het voetbal is de kwaliteit van het basisproduct - voetbalwedstrijden - niet verbeterd. Barcelona-Real Madrid is tegenwoordig niet leuker of spannender dan vroeger. Lionel Messi vermaakt de fans niet meer dan Johan Cruijff vroeger deed. Volgens veel ‘kenners’ zijn de wedstrijden nu zelfs minder leuk, omdat trainers meer voor de verdediging kiezen. Dit omdat ze het resultaat belangrijker vinden dan mooi voetbal, juist vanwege de financiële belangen. Verder nemen de inkomensverschillen tussen de clubs steeds verder toe. Dit vertaalt zich in grotere verschillen op het veld, waardoor in veel belangrijke competities de spanning daalt.

Ondertussen moet er door voetballiefhebbers wel meer worden betaald. Kaartjes voor het stadion zijn tegenwoordig duurder. En in veel landen betalen televisiekijkers voor beelden die vroeger gratis waren. In Nederland blijft betaaltelevisie nog wat achter. Maar ook bij ons is betaaltelevisie in opkomst. Vroeger waren de live beelden van de klassiekers, en ook de beelden van grote buitenlandse competities, nog gratis te zien. Tegenwoordig moet je daarvoor flink betalen.

Ook de belastingbetalers hebben pech. Nederlandse gemeenten hebben de laatste twintig jaar voor enige honderden miljoenen steun aan profclubs gegeven, en dat is veel meer dan in vroegere tijden. In sommige andere Europese landen krijgen de clubs nog meer steun. De belastingbetaler draait hiervoor op, ook als hij of zij niet van voetbal houdt.

Natuurlijk gaan er ook dingen goed. Er kijken tegenwoordig meer mensen naar voetbal, vooral via televisie. En je ziet steeds meer vrouwen in het stadion. Maar dit komt niet zozeer doordat de wedstrijden leuker zijn. Het heeft vooral te maken met bredere ontwikkelingen in de maatschappij, zoals de opkomst van televisie en de emancipatie. Natuurlijk heeft de voetbalsector zelf ook een bijdrage geleverd. Zo bieden stadions tegenwoordig meer comfort. Maar dit rechtvaardigt hooguit een klein deel van de hogere bedragen die liefhebbers en belastingbetalers moeten ophoesten.

Als clubs nu zoveel meer verdienen, barsten ze dan niet van de winst? Nee. Wat de clubs ook verdienen, ze maken zelden winst. Wanneer een club meer inkomsten krijgt, wordt het geld vooral gebruikt om betere spelers te kopen. Echter, alle clubs zien hun inkomsten stijgen, en ze willen allemaal betere spelers. Daardoor stijgen overal de spelerssalarissen, en verdwijnt de winst. Soms halen clubs te dure spelers, waarna de schulden oplopen.

Wanneer de inkomsten het toelaten, is het voor een club ook best zinvol om veel geld aan spelers uit te geven. Doet de club dit niet, dan mist het bijvoorbeeld Europees voetbal, of volgt degradatie. Dit leidt tot minder inkomsten, en dat is ook niet goed. Daarom moet elke club wel proberen steeds meer geld te verdienen, zodat men spelers goed kan betalen.

In dit ingewikkelde krachtenveld hebben veel afzonderlijke clubs goed gepresteerd. PEC Zwolle bijvoorbeeld haalt de laatste tijd met aantrekkelijk spel resultaten die beter zijn dan de begroting zou doen verwachten.

Maar voor de voetbalsector als geheel moet het oordeel helaas anders luiden. Alle liefhebbers en belastingbetalers tezamen betalen steeds meer voor een product dat niet veel beter wordt. Vanuit hun perspectief heeft de voetbalsector, in vergelijking met bijvoorbeeld de auto-industrie, de afgelopen decennia bijzonder matig gepresteerd. Het is dan ook tijd voor verandering.

Een Europees beleid voor betaaltelevisie
Op deze plaats kunnen slechts twee van de mogelijke veranderingen kort besproken worden. De eerste heeft te maken met het volgende. In Nederland mogen de (redelijk lange) samenvattingen van de eredivisie, alle wedstrijden van Nederlandse clubs in de Champions League, en nog flink wat andere belangrijke wedstrijden, alleen op het open net worden vertoond; ze mogen niet achter de decoder. Ons land loopt hiermee voorop; in andere landen is de hoeveelheid voetbalbeelden waarvoor een coderingsverbod geldt veel kleiner.

Voor het Nederlands beleid is best wat te zeggen. De economische theorie laat zien dat coderingsverboden de welvaart kunnen verhogen. Het idee is als volgt. Omdat televisiebeelden door een coderingsverbod gratis blijven (of weer gratis worden) zullen relatief veel mensen naar de beelden kijken, en er dus plezier aan beleven. En als mensen meer plezier hebben, betekent dat op zich dat de welvaart hoger is. Verder geldt het volgende: als meer mensen naar een programma gaan kijken, dan stijgen de kosten van de zender niet. Een coderingsverbod leidt dus tot meer plezier zonder dat de kosten stijgen. En dus stijgt de welvaart. Tenminste, als ook nog aan drie randvoorwaarden wordt voldaan.

De eerste randvoorwaarde is dat de beelden ook bij een coderingsverbod kunnen worden uitgezonden. Het moet niet zo zijn de zenders de beelden niet meer vertonen omdat het verbod tot een gebrek aan inkomsten leidt, want dan heeft geen enkele kijker meer plezier. Gelukkig wordt bij alle belangrijke voetbalbeelden – en daaronder vallen alle beelden waarvoor in Nederland een coderingsverbod geldt – aan de eerste randvoorwaarde voldaan. Dit komt omdat de inkomsten uit reclame ruim voldoende zijn om belangrijke voetbalbeelden op televisie te krijgen.
 
De tweede randvoorwaarde is dat de kwaliteit van de uitzendingen, nog even los van het voetbal zelf, van hoge kwaliteit blijft. Nu zijn de reclame-inkomsten bij belangrijke voetbalbeelden meer dan voldoende voor de inzet van een flink aantal camera’s en voor een goede beeldkwaliteit. Ook hier bestaat dus geen probleem.

De derde randvoorwaarde is dat de kwaliteit van het vertoonde voetbal hoog blijft. Hier ligt nu wel een probleem. Nederland legt momenteel als enig land sterke beperkingen op aan betaaltelevisie. Het gevolg hiervan is dat onze voetbalclubs minder geld van televisiezenders krijgen dan buitenlandse concurrenten. Ze raken dus financieel verder achterop, en er vertrekken (nog) meer spelers naar het buitenland. Hierdoor beleven Nederlanders minder plezier aan het voetbal, zodat er een negatief effect op onze welvaart ontstaat.

Om dit effect te vermijden kunnen we natuurlijk de Nederlandse coderingsverboden opheffen, zodat onze clubs wat meer gaan verdienen en op het veld wat vaker kunnen winnen. Maar er komt dan wel meer voetbal achter de decoder, zodat een deel van de voetballiefhebbers bepaalde beelden niet meer zal zien omdat de prijs voor hen te hoog wordt. Er hebben dan minder mensen plezier van de beelden, en dat is ook weer niet goed voor onze welvaart.

De beste oplossing is dan ook dat de Europese Unie het Nederlandse beleid overneemt. De EU zou een coderingsverbod moeten invoeren voor de (redelijk lange) samenvattingen van alle wedstrijden in de hoogste divisie van elke lidstaat, voor alle wedstrijden in de Champions League, en voor nog flink wat andere belangrijke voetbalbeelden. Goed voor de welvaart in heel Europa.

Natuurlijk zullen de voetbalclubs dan wat lagere inkomsten hebben, maar ze kunnen dat opvangen door hun spelers minder te betalen. Omdat sommige spelerscontracten nog vijf jaar doorlopen moet een maatregel zoals een Europees coderingsverbod wel vijf jaar van te voren worden aangekondigd, zodat de clubs hun uitgaven tijdig aan kunnen passen. Er hoeft dan geen enkel probleem te ontstaan. Eigenlijk leert het verleden ons dat al. In de tijd dat betaaltelevisie nog niet bestond, hadden de clubs lagere inkomsten, lagere uitgaven en lagere schulden, terwijl het spel van George Best werkelijk fantastisch was.

Meer spanning dankzij een progressieve heffing
We komen nu bij de tweede mogelijke verandering. De Europese Unie is de enige instantie die voldoende macht heeft om het tegen de grote voetbalclubs op te nemen, en is daarom als enige in staat het Europese voetbal weer echt spannend te maken. Dat kan bijvoorbeeld door het invoeren van een progressieve ‘sociale heffing’ voor alle Europese clubs. De heffing bedraagt (zeg maar) een paar ton voor Heracles, vier miljoen euro voor PSV, en 100 miljoen euro voor Manchester United. De opbrengst van de heffing gaat niet naar de overheid, maar mag door de betrokken club zelf geïnvesteerd worden in sociale projecten. Het begrip ‘sociaal project’ moet hierbij ruim geïnterpreteerd worden; het geven van financiële steun aan amateurclubs is ook een sociaal project. Maar de essentie is dat het geld niet in profspelers mag worden geïnvesteerd.

Zo leidt de progressieve heffing ertoe dat Heracles weer wat meer kans maakt tegen PSV, en dat PSV vaker zal scoren tegen Manchester United. Goed. En niemand hoeft te vrezen voor het voortbestaan van Manchester United. Deze club kan zonder het geld van de sociale heffing nog steeds meer dan 120 keer zoveel geld aan het eigen voetbalbedrijf besteden als de Engelse kampioen van 1960. En dat is meer dan genoeg.

Dr. Tsjalle van der Burg doceert economie aan de Universiteit Twente. Voor meer informatie: t.vanderburg@utwente.nl

Football Business. How Markets are Breaking the Beautiful Game
De auteur publiceerde deze maand het boek 'Football Business. How Markets are Breaking the Beautiful Game' (Oxford, Infinite Ideas). Het boek bespreekt de problemen in het betaald voetbal, en analyseert de verschillende oplossingen die worden aangedragen op kritische wijze. Daarbij wordt ook lering getrokken uit de ervaringen bij Amerikaanse teamsporten. Tevens wordt aandacht besteed aan de machtsverhoudingen binnen en buiten de voetbalsector, en aan de vraag of bepaalde maatregelen politiek haalbaar zijn. Hoewel er veel serieuze problemen worden besproken, blijft de analyse ook voor niet-economen steeds goed te begrijpen. Het moet immers wel leuk blijven als het om voetbal gaat.

Voor meer informatie over het boek en bestelwijze: klik hier

« terug

Reacties: 0

Reactie toevoegen

Naam*
E-mailadres*
Reactie*
Stuur mij een e-mail als er een nieuwe reactie wordt geplaatst