Skip Navigation LinksHome-Nieuws-Nieuwsberichten-Nieuwsbericht

Nieuw lectoraat voor betere motorische ontwikkeling in de maak

door: Marc Hoeben | 17 januari 2019

Sinds begin deze maand is Mirka Janssen ‘persoonlijk’ lector bij de Hogeschool van Amsterdam (HvA). Het is de bedoeling dat zij met haar team het onderzoek van het lectoraat Bewegingswetenschappen gaat uitdiepen en omvormt tot een nieuw lectoraat Bewegen In en Om School (BIOS).

Mirka Janssen-1 copyJe zou kunnen zeggen: het nieuwe lectoraat sluit straks helemaal aan bij de tijd van nu. Mirka Janssen stak onlangs nog haar licht op in Denemarken, waar de lessen en de ruimte van een school in motorisch opzicht nog veel effectiever worden ingezet om tegemoet te komen aan de natuurlijke bewegingsdrang van kinderen. “Dat zouden wij in Nederland ook nog veel meer kunnen doen”, zo is de overtuiging van Janssen, die in het Scandinavische land ontdekte dat er nog een wereld te winnen valt.

Sociale hiërarchie
In 2014 is in Denemarken een nieuwe wet aangenomen die elke school voorziet in dagelijks drie kwartier bewegen, naast de gymles en de pauzes voor het buitenspelen. “In Nederland is het streven om per week zo’n negentig minuten aan gymnastiek op de basisschool te geven. Daar zit dus nog wel een groot verschil.”

Het belang van een goede motorische ontwikkeling voor de gezondheid, de sociale status en ook het cognitieve deel staat volgens Janssen buiten kijf. Eerder promoveerde ze op een onderzoek naar PLAYgrounds, een programma om bewegen te stimuleren tijdens de pauze op de schoolpleinen. “Wat gebeurt er op het schoolplein? Je ziet dat de motorische vaardigheid mede de sociale hiërarchie bepaalt. De minder vaardige kinderen doen vaak niet mee of staan eerder langs de zijlijn, terwijl zij vaak juist beweging nodig hebben.” 

“De vakleerkracht kan echt een ambassadeur zijn van het beter bewegen in en om de school”

Janssen vervolgt: “Eén van de dingen die je dan kunt doen is de speelpauze buiten zo organiseren dat ze wel gaan bewegen. Je kunt de pauzes effectief benutten. Een eerlijke verdeling van de populaire plekken helpt: je kunt ervoor zorgen dat er minder kinderen tegelijk op het plein zijn door ook andere pleintjes in de buurt te benutten.”

Vakleerkracht ambassadeur
De invulling van de gymles is belangrijk, zegt Janssen. “Uit eerder onderzoek van ons is gebleken dat de aanwezigheid van een vakleerkracht een positieve invloed heeft op de ontwikkeling van motorische vaardigheden bij kleuters. In Amsterdam hebben we de gelukkige omstandigheid dat er op basisscholen met vakleerkrachten wordt gewerkt, maar dat is lang niet overal zo. Het is bovendien van belang dat we misschien op een wat andere manier naar die vakleerkracht gaan kijken, dat zijn of haar invloed verder gaat reiken dan alleen de gymzaal. De vakleerkracht kan echt een ambassadeur zijn van het beter bewegen in en om de school.”

Dat laatste zal voor Janssen ook de komende jaren centraal staan. Zij is met haar lectoraat verbonden aan de Academie voor Lichamelijke Opvoeding (ALO) van de HvA. Ze legt uit wat de term ‘persoonlijk’ in dit verband betekent: “Dat wil zeggen dat ik onder de hoede van een ervaren lector de kans krijg om een zelfstandig lectoraat op te bouwen.”

“We werken met een stoplichtmodel. Bij groen hebben kinderen geen persoonlijke aandacht nodig. Bij oranje zijn ze motorisch matig en hebben ze aandacht op school nodig”

Motorische achterstand
Dat nieuwe lectoraat moet gaan over Bewegen In en Om School, waarbij alles draait om het beter leren bewegen van kinderen. Dat is misschien wel harder nodig dan ooit, zo blijkt uit de onderzoekscijfers van de HvA. Jaarlijks doet het team van de hogeschool onderzoek onder vijfduizend basisschoolkinderen in Amsterdam. Van hen blijkt 20 procent een matige of ernstige motorische achterstand te hebben.

Mirka Janssen-265 procent van de kinderen die matig presteren, doen dat drie jaar later nog steeds, of vallen zelfs in de categorie met een ernstige motorische achterstand. “We onderzoeken dat aan de hand van de ‘4 vaardighedentest’ van Wim van Gelder. De afgelopen vier jaar hebben we de validiteit van de test onderzocht en inmiddels werken we met een stoplichtmodel. Bij groen hebben kinderen geen persoonlijke aandacht nodig. Bij oranje zijn ze motorisch matig en hebben ze aandacht op school nodig. Bij rood is het ernstig en komen ze op een zorgpad terecht, waarbij er gesprekken plaatsvinden met een intern begeleider, de vakleerkracht, de ouders en eventueel een jeugdarts, die kijkt wat de meest passende zorg is op basis van de informatie van de school. Die kan bestaan uit fysiotherapie, oefentherapie, bezoek aan een kinderneuroloog, noem maar op.”

Het genoemde zorgpad is in Amsterdam inmiddels ontwikkeld en geëvalueerd. De gemeente Amsterdam buigt zich nu over een implementatieplan, ook in het streven naar gezond gewicht. “Een medewerker van de Amsterdamse Aanpak voor Gezond Gewicht (AAGG) zit ook in ons lectoraatsteam om te zorgen voor de vertaling van onderzoeksresultaten naar implementatie. Door de integrale aanpak van de AAGG is de laatste jaren in Amsterdam het overgewicht onder kinderen niet verder gestegen.”

“Kinderen zitten te veel, soms wel 65 procent van de schooldag. We moeten veel meer inspringen op hun natuurlijke bewegingsbehoefte”

Drie onderzoekslijnen
Het onderzoek van Janssen en haar team richt zich op de oorzaken van de motorische bewegingsachterstand en welke middelen daarvoor in individuele gevallen ingezet kunnen worden. “We hebben drie onderzoekslijnen. Bij de ene school loopt de motorische achterstand sneller op dan een andere en dat is niet altijd te verklaren vanuit een sociaal-economische achtergrond. Dus proberen we de schoolomgeving en de kwaliteit van de gymles in kaart te brengen.”

“Als tweede kijken we naar de zorgprofessionals, hoe zij zo goed mogelijk op elkaar kunnen aansluiten en informatie met elkaar kunnen delen”, vervolgt ze. “We kijken ook in hoeverre bepaalde interventies werken of niet. Als derde onderzoeken we wat de gymleraar kan bijdragen aan bewegen in en om school. Uiteindelijk draait het bij BIOS allemaal om preventie. Kinderen zitten te veel, soms wel 65 procent van de schooldag. We moeten veel meer inspringen op hun natuurlijke bewegingsbehoefte, maar dan is het ook belangrijk als we te weten komen wat de kinderen eigenlijk zelf willen. We geven ze nog veel te weinig autonomie.”

Voor meer informatie: Mirka Janssen benoemd tot persoonlijk lector

« terug

Reacties: 1

Erik Hein
17-01-2019

Mooi en goed!

Een stap voorwaarts...van in de school naar in + om de school. Ik kijk er naar uit zowel vanuit bewegingswetenschappelijk als sociaalwetenschappelijk oogpunt. En vooral als bewegingsliefhebber en vader van twee kids die gelukkig de ruimte hadden om veel te kunnen bewegen. 

Reactie toevoegen

Naam*
E-mailadres*
Reactie*
Stuur mij een e-mail als er een nieuwe reactie wordt geplaatst