Skip Navigation LinksHome-Nieuws-Column XL-Item

De zin en onzin van de Sportimpuls 13 oktober 2015

door: Sanne Scholten

Ze rolden weer binnen de afgelopen weken: de berichten van juichende of teleurgestelde Sportimpulsaanvragers. Een mooi moment om even stil te staan bij het waarom en hoe van de Sportimpuls en hoe dat in de praktijk nou eigenlijk uitpakt.

Al jaren wordt in Nederland gewerkt aan het in beweging krijgen van meer mensen. De verschillende Rijksprogramma’s volgen elkaar op: van 'Breedtesportimpuls' (BSI) naar 'BOS-impuls' en van 'Impuls Brede Scholen sport en cultuur' naar 'Sport en Bewegen in de Buurt'. En natuurlijk hebben we ook nog 'Meedoen Alle Jeugd door Sport' gehad.

Daarmee kunnen we gerust stellen dat er sprake is van een structurele incidentele geldstroom in de sport die is gericht op het verhogen van sportparticipatie onder mensen die onvoldoende bewegen. De focus in doelgroepen varieert wellicht een beetje, maar in het algemeen zijn het al jaren dezelfde groepen die minder sporten.

"Projecten moeten zichzelf na enige tijd bedruipen en bijna altijd zien we dat mislukken"

Structureel, incidenteel subsidiegeld
Een structurele geldstroom noem ik het, want er is steeds geld beschikbaar voor hetzelfde doel. Maar het gaat om incidenteel geld, want elke paar jaar verandert de manier waarop het geld aangevraagd moet worden, wie dat mogen doen e.d. En meestal is er het uitgangspunt dat financiering tijdelijk is, omdat projecten zichzelf na enige tijd moeten bedruipen.

En bijna altijd zien we dat mislukken, waardoor projecten stoppen en nieuwe projecten deels opnieuw moeten beginnen (het moet immers wel vernieuwend zijn!). Van borging is vaak nauwelijks sprake en mijn beeld is ook niet dat we hierin echte stappen vooruit zetten. Uitzondering daarop is de combinatiefunctionaris-/buurtsportcoachregeling waarmee het mogelijk is om op lokaal niveau ervaring op te doen, bij te stellen en op die manier langere lijnen uit te zetten. De vraag is natuurlijk wat het Rijk na 2016 met deze regeling gaat doen.

Worsteling Rijk
Interessant aan genoemde programma’s is dat de Rijksoverheid probeert lokaal dingen voor elkaar te krijgen. Dat is natuurlijk niet makkelijk. Hoe ga je in 393 gemeenten meer mensen laten sporten? En wat doe je daarbij met de 76 bij NOC*NSF aangesloten sportbonden? Daar worstelt het Rijk duidelijk ook mee: bij BSI en BOS-impuls lag de bal primair bij de gemeenten, bij Meedoen Alle Jeugd door Sport juist bij (een aantal) sportbonden. Beide met nadelen vanuit het perspectief van de andere partij. In de Sportimpuls lijkt op een bijzondere manier een poging gedaan om iedereen een rol te geven. Die insteek is te waarderen, maar er zijn verbeterpunten.

"Er lijkt een mooi samenspel ontstaan tussen lokaal en landelijk, maar er zitten ook nadelen aan deze systematiek"

Landelijke sportorganisaties hebben binnen de Sportimpuls een rol, omdat veel bewezen interventies van hen zijn. Daarnaast bemensen NOC*NSF en een aantal sportbonden de ondersteuningsstructuur (OOSI). Op die manier lijkt een mooi samenspel ontstaan tussen lokaal en landelijk (en bottom-up en top-down).

Vraagtekens bij beoordeling
Maar er zitten ook nadelen aan deze systematiek. Zo zijn er landelijke organisaties die hun interventie actief aan de man brengen en volledig voorbereide aanvragen voor lokale aanbieders beschikbaar hebben. Dat is op zich prachtig, maar roept wel de vraag op of in zo’n geval de lokale inpassing en inbedding wel zo goed geregeld is. Er zijn projecten die op elke plaats waar ze op deze manier worden aangevraagd lijken te worden gehonoreerd. Prachtig voor de interventie-eigenaar natuurlijk, maar het roept ook echt vragen op over hoe de beoordeling plaatsvindt.

Ook de ondersteuningsstructuur roept vragen op. Als we lokaal succesvol willen zijn, moet de kwaliteit om lokaal zinvolle samenwerkingen op te zetten en succesvolle interventies blijvend aanwezig zijn. Dan redden we het niet met een landelijke structuur op afroep. Er moet een lokale ondersteuning zijn en als de kwaliteit lokaal ontbreekt, zou de landelijke ondersteuningsinfrastructuur erop gericht moeten zijn die kwaliteit te versterken. Waarom gebeurt dat wel bij de ontwikkeling van de Transitieatlas en Open Clubs, en niet bij de Sportimpuls?

Moeilijke rol gemeenten
Aanvragen worden door lokale aanbieders gedaan. In eerste instantie kon dat volledig buiten de gemeente om, maar inmiddels is de procedure dankzij input van grote gemeenten gelukkig veranderd en moet een gemeente ook iets vinden van een aanvraag. Een moeilijke rol voor de gemeente overigens, want niet tekenen betekent een kleinere kans op geld dat in jouw gemeente wordt geïnvesteerd. Extra ingewikkeld, omdat je als gemeente vaak totaal niet kunt voorspellen welke projecten gehonoreerd zullen worden en welke niet: degenen waarvan je hoopt dat ze doorgaan, halen het niet en degenen die je minder sterk vindt, krijgen subsidie. Op z’n minst een bijzondere situatie.

"Het is eigenlijk absurd dat op advies van twee leden van een commissie een beoordeling van een hele lokale coalitie aan de kant wordt geschoven"

Dat brengt me op de beoordeling onder verantwoordelijkheid van ZonMW. In hoeverre is het mogelijk om in zulke grote hoeveelheden aanvragen daadwerkelijk tot een goede lokale beoordeling te komen? Het is eigenlijk absurd dat op advies van twee leden van een commissie een beoordeling van een hele lokale coalitie aan de kant wordt geschoven: 'nee, deze aanvraag is niet zo relevant'. Maar ook de beoordeling van de kwaliteit van mensen en organisaties is landelijk niet of nauwelijks te doen. En dat gaat dan ook lang niet altijd goed.

Moed verloren
Natuurlijk, deze perikelen horen bij veel subsidieregelingen, daar ben ik me van bewust. Maar laten we ons realiseren dat we hier grotendeels werken met vrijwilligers. Daar moeten we voorzichtig mee omgaan. Wij horen verenigingen zeggen dat ze geen Sportimpuls-aanvraag meer gaan doen. Sterker nog, ze willen helemaal geen subsidieaanvragen meer doen. Ze zijn hun geloof verloren in dat het zin heeft. En dat is echt zonde als het gaat om maatschappelijk betrokken clubs met de kwaliteit om lokaal het verschil te maken.

In het ontwerp van de Sportimpulsregeling is geprobeerd misbruik te voorkomen en (snel) resultaat te bevorderen. Dat is op zich begrijpelijk, maar het levert regels en verplichtingen, waarvan het maar de vraag is of ze op lokaal niveau zo logisch zijn. De Sportimpuls mag bijvoorbeeld vrijwel alleen voor de uitvoering van activiteiten worden benut. Terwijl veel mensen die op lokaal niveau werken zullen beamen dat juist het vormen en onderhouden van coalities, het gezamenlijk uitwerken hoe samenwerking er structureel uit zou moeten zien veel tijd kost (en moeilijk te financieren is). Met de zeer beperkte mogelijkheid projectleiding en overhead te bekostigen, wordt dit onmogelijk gemaakt.

"Als we echt willen dat meer mensen in beweging komen, hebben we andere partijen - zoals de eerstelijnszorg en het welzijnswerk - juist hard nodig"

Ook het inperken van de soort organisatie die mag aanvragen lijkt, vanuit de doelstelling van de regeling geredeneerd, niet per se logisch. Als we daadwerkelijk willen dat meer mensen in beweging komen, hebben we juist die andere partijen - zoals de eerstelijnszorg en het welzijnswerk - zo hard nodig. Waarom zou de lead in een samenwerkingsverband niet bij hen kunnen liggen? Dat zou voor de duurzaamheid wel eens veel beter kunnen zijn!

Steviger inzetten op kwaliteit
Het gebruik moeten maken van interventies, is een poging om kwaliteit te verhogen en te voorkomen dat overal het wiel moet worden uitgevonden. Het aantal interventies is echter zo groot dat het de vraag is in hoeverre het echt mogelijk is om op kwaliteit te sturen en kennis op te bouwen. In plaats van het uitwerken van tientallen interventies, zou aan kennisdeling en reflectie binnen thema’s gewerkt kunnen worden en meer geredeneerd kunnen worden vanuit werkzame principes en kritische succesfactoren. Een gedegen financiële bijdrage richting interventie-eigenaren zou steviger inzet op kwaliteit vooruit kunnen helpen. Ook het verhogen van de (proces)kwaliteit van lokale ondersteuning zou daaraan bijdragen.
 
En tot slot: waarschijnlijk is vanuit beheersbaarheid gekozen voor projecten van 10.000 tot 100.000 euro. Maar dat is voor een afzonderlijke sportaanbieder een enorme bak geld. De sport zou er waarschijnlijk veel meer bij gebaat zijn om kleinere, simpeler projecten op te zetten. En dan zou je in één gemeente veel meer kunnen bereiken met hetzelfde geld.

"De regeling is zo ingewikkeld dat slechts een heel klein gedeelte van de sportaanbieders in staat is om een aanvraag te doen"

In het algemeen kun je stellen dat de regeling zo ingewikkeld is dat slechts een heel klein gedeelte van de sportaanbieders in staat is om een aanvraag te doen. In Rotterdam zie we juist in gebieden die een grote sprong in sportparticipatie kunnen maken minder sterke aanbieders. Door een simpeler regeling zouden we meer maatschappelijk rendement kunnen behalen.

Rendement Sportimpuls?
Ik ben benieuwd naar de verhouding van uitgekeerde subsidie en uitvoeringskosten van de Sportimpuls: het apparaat wat de regeling uitvoert is gigantisch. Als we daar ook nog eens alle tijd en energie van (afgewezen) aanvragen bij optellen, gaat het om enorme maatschappelijke kosten. Zijn die te rechtvaardigen in relatie tot de opbrengsten?

Ik ben heel benieuwd naar de lijst van geborgde projecten, de leerervaringen die de projecten ons hebben opgeleverd en de extra mensen die in beweging zijn gekomen. Zolang ik die niet gezien heb, ben ik van mening dat het Ministerie van VWS de subsidiebedragen en de overhead van de regeling beter (net als de buurtsportcoachregeling) kan uitkeren aan gemeenten en hen lokaal structureel laten investeren in het verhogen van de sportparticipatie.

Sanne Scholten is adviseur 'strategie, beleid en HRM' bij Rotterdam Sportsupport. Zij was mede verantwoordelijk voor de ontwikkeling van het Sportplusprogramma en houdt zich vooral bezig met de verbinding van sport met andere sectoren. Voor meer informatie: s.scholten@rotterdamsportsupport.nl

« terug

Reacties: 9

Frans Rinsema
13-10-2015

Een herkenbaar verhaal. Verenigingen missen vaak de knowhow en expertise om de Sportimpulsregels van redenatie en relevantie succesvol toe te kunnen passen. Terwijl het enthousiasme en de maatschappelijke wil er juist wel is. De uitvoering hoeft geen punt te zijn, maar staat of valt met de tijd die je kunt besteden aan projectleiding en dat wordt niet gezien als uitvoering. Wat ik zie is dat het aantal werkelijke uren projectleiding en/of -coördinatie de begroting overstijgt. Een enthousiaste en vastberaden projectleider maalt daar misschien niet om, maar het is wel een afbreukrisico. Te meer omdat die projectleider na 2 jaar veelal afhaakt. En wat blijft er dan nog over van het enthousiasme en die vastberadenheid? Dat is moeilijk te borgen. Het pleidooi voor meer kleinschaligheid en versimpeling onderschrijf ik dan ook van harte.

Frans Rinsema, beweeg-meer.nl / desportcombinatie.nl

Holtman
13-10-2015

Dag Sanne, een verhelderend kritisch betoog. Ik heb al eens geopperd om het geld aan de interventie-eigenaar te gunnen die vooraf prestatieafspraken maakt met de lokale partners (veelal gemeenten). Dit sluit ook veel beter aan bij de tijdens BOS en BSI gevolgde geldstromen en verankering. No cure no pay. Ik offreer 10% nieuwe leden bij uitvoering van de interventie Kies voor Hart en Sport.

Marian ter Haar
13-10-2015

Beste Sanne,

Dank voor je interessante bijdrage! Wordt het niet tijd voor een 'peer review' procedure waarin lokale experts en lokale beleidsmakers geanonimiseerd een oordeel geven over de aanvragen?

hartelijke groeten,

Marian ter Haar

Annemiek Haak
13-10-2015

Dag Sanne,

Dank voor je heldere, inhoudelijke artikel. Herkenbaar, o.a. als intervertie eigenaar. Erg veel teleurgestelde (soms verbijsterde) locale coalities dit jaar. Ik neem het ook mee naar de studenten Sportmanagement die we wegwijs trachten te maken in de mystieke wereld van subsidiebeleid.

Hartelijke groet, Annemiek Haak

Erwin Sengers
14-10-2015

Meer, beter onderwijs op (ondernemers)skills, de ondernemende houding en het leren vinden van de juiste informatie, onze - onderwijskundige - opdracht?

Hans Sanders
14-10-2015

Dag Sanne, heel herkenbaar en duidelijk zoals je ook mijn twijfels verwoord. Ik heb toevallig net een bezwaarschrift ingediend tegen onze afwijzing. Ik denk dat dit niet veel zal uithalen, maar de frustatie die ik heb na het lezen van de twee beoordelingen, raak ik dan misschien een beetje kwijt. Bijvoorbeeld 9 van de 10 items met een Zeer Relevant beoordeeld en één met Onvoldoende Relevant op een punt waar de aanvraag juist niet over gaat. Mee eens om meer en kleinschaliger projecten.                  

Groet van Hans Sanders, platform G-sport in de Zaanstreek.

Wouter de Groot
15-10-2015

Hoi Sanne,

Helder verhaal. Een subsidieregeling met een subsidieplafond levert, bij overtekening, natuurlijk altijd teleurgestelde aanvragers op. Ik ga niet in op de dagelijkse praktijk van de Sportimpuls, maar wil vooral reageren op het punt van het rendement. Even los van de overhead in relatie tot de beschikbaar gestelde subsidiebedragen ben ik vooral benieuwd naar de effecten die de Sportimpuls (en overigens ook vele andere initiatieven om de sportparticipatie te verhogen) heeft. Vooralsnog neem ik geen spectaculaire toename van de sportdeelname waar (12 maal per jaar, 40 maal per jaar) en nemen (ernstig) overgewicht en sedentair gedrag, kortom een ongezonde leefstijl, nog steeds toe. Succesvolle beweeginterventies leveren elders weer afvallers op (niet qua gewicht overigens). Blijkbaar levert het constant houden van de sportdeelname toch een verslechtering van de volksgezondheid op. Uiteindelijk kom je dan toch op de vraag hoe we nu meer mensen in beweging krijgen (als ik me even beperk tot sport en bewegen) waardoor we een gezondere bevolking krijgen. En het antwoord op die vraag hebben we (nog) niet. Hiervoor is nog heel veel onderzoek nodig. Ik kijk uit naar het moment dat in Nederland het roer volledig omgegooid wordt en dat we een gezonde leefstijl, waar sport en bewegen een zeer belangrijk onderdeel van uitmaken, als uitgangspunt gaan nemen voor het inrichten van onze samenleving. De Sportimpuls gaat ons hier, hoe goedbedoeld ook, niet aan helpen.

Wouter de Groot

Marja Nieuwenhuis-Leijenhorst
15-10-2015

Beste Sanne,

Bedankt voor het aanwakkeren van een discussie over de zin en onzin van de Sportimpuls.

Zoals je aangeeft wordt er in de sport en beweegwereld al geruime tijd gebruik gemaakt van incidentele middelen om mensen aan het bewegen te krijgen. De Sportimpuls is er daar één van.

Je geeft aan dat het bij bijna alle projecten niet lukt om zichzelf na afloop van de impuls financieel te bedruipen. Dit is in mij beleving niet het geval. Sinds de start van de Sportimpuls volgen Kennispraktijk en het Mulier Instituut in een landelijk verdiepgingsonderzoek een aantal projecten. Deze zijn random gekozen en hebben geen extra begeleiding of andersoortige ondersteuning gehad in de loop van de jaren dan andere projecten. In het onderzoek wordt door de meeste van de oud-projectleiders aangegeven dat het project na afronding van de financiering vanuit de Sportimpuls deels of volledig doorgang heeft gevonden. Er zijn dus zeker succesverhalen. Of er op grote schaal ook successen worden behaald zal moeten blijken uit de eindrapportages die ZonMw inmiddels van de projecten heeft ontvangen die in 2012 van start zijn gegaan. Ik ben net als jij benieuwd of ZonMW met een lijst kan komen van projecten die zich voortzetten na afloop van de projectperiode. Dat zou in ieder geval aannames en speculaties uit de lucht kunnen nemen.

Als positieve uitzondering op projecten waarbij borging minder goed is vormgegeven noem je de combinatiefunctionaris-/buurtsportcoachregeling. Ik ben het met je eens dat dit een goed voorbeeld van borging is. Juist de combinatiefunctionarissen en buurtsportcoaches zijn de afgelopen jaren steeds meer bij de Sportimpuls betrokken. Uit de verdiepgingsonderzoeken blijkt dat in de eerste ronde bij een derde van de aanvragen een buurtsportcoach betrokken was, in de tweede ronde bij de helft van de aanvragen en in de derde ronde (gestart najaar 2014) bij nagenoeg allemaal. Ook bij de projecten die tot nu toe zijn geborgd speelt de buursportcoach vaak een belangrijke rol, door bijvoorbeeld activiteiten, registraties of het initiatief in bijeenhouden van samenwerkingsverbanden  over te nemen van de projectleiders. Dus juist de combinatie van lokale impuls door middel van een subsidie uit de Sportimpuls en de structurele inzet van een buurtsportcoach lijkt, naar mijn mening, een mogelijke sleutel tot de borging van nieuwe initiatieven.

Ik geloof je meteen als je zegt dat sommige sportverenigingen de moed verliezen na het niet honoreren van een aanvraag. Aan de andere kant heb ik ook van projecten gehoord die andere financiering vinden en toch aan de slag gaan. Of projecten die gebruik maken van de energie en ontstane samenwerking om wellicht in een ander (kleiner) verband toch aan de slag te gaan. Waar een pot met geld te verdelen is zullen er altijd mensen zijn die niets krijgen, de vraag is wat je met de afwijzing doet.  

Net als jij heb ik ook het beeld dat er weinig ruimte is om te investeren in samenwerking, projectleiding en overhead, dit moet denk ik een aandachtspunt voor ZonMw blijven. Vooral bij complexe KSG aanvragen is dit lastig. Het lijkt me echter ook niet meer dan logisch dat in ieder geval de professionals die al werkzaam zijn vanuit Rijk/gemeente (buurtsportcoaches/combinatiefunctionarissen/welzijnsmedewerker/jongerenwerkers) dit in bestaande uren doen. Dit vraagt van Sportimpuls-projecten hier creatief op in te spelen. Dat het soms lastig zal zijn voldoende tijd te steken in samenwerking en netwerkvorming kan ik begrijpen maar anderzijds zal er ook discussie ontstaan op het moment dat bijvoorbeeld 40% van de kosten naar ‘overhead’ zou gaan en niet naar de uitvoering. 

Kortom laten we vooral de discussie blijven voeren en kritisch blijven kijken, maar ook de kleine en grote successen vieren, koesteren en van leren. 

Met vriendelijke groet, 

Marja Nieuwenhuis-Leijenhorst

Sanne Scholten
19-10-2015

Leuk om de positieve reacties op mijn column te lezen. Het is belangrijk om dit gesprek met elkaar te voeren en is het fijn dat ik daar een bijdrage aan kan leveren. Natuurlijk is niet alles kommer en kwel en zijn er ook positieve dingen te melden over de Sportimpuls. Voor een column werkt het vaak beter om het scherp neer te zetten, dat is wat ik heb gedaan. Fijn dat Marja ook een aantal positieve zaken noemt.

Ik ben het met Wouter eens dat je fundamenteel anders naar sport en bewegen zou moeten kijken. De verbinding tussen onderwijs en sport, gezondheidszorg en sport, welzijn en sport enz. zijn onvoldoende: systemen zijn totaal niet aan elkaar gelinkt. Daar valt veel te verbeteren.

Het idee van peer review van Marian vind ik een goede. Maar misschien is dat er stiekem al? Wie doen eigenlijk die beoordelingen voor de Sportimpuls? Openbaarheid daarover zou ook goed zijn mijns inziens.

Reactie toevoegen

Naam*
E-mailadres*
Reactie*
Stuur mij een e-mail als er een nieuwe reactie wordt geplaatst