Skip Navigation LinksHome-Nieuws-Column XL-Item

Grenzen aan het dopingbeleid? 23 september 2008

door: Ivo van Hilvoorde

Herman Ram reageerde op deze site op een vijftal geponeerde stellingen (zie hier) die deels waren opgetekend uit een interview dat ik gaf aan de Volkskrant. Een aantal uitspraken van Ram zijn dermate prikkelend dat ik er graag op reageer.

De stelling dat we bij de Olympische Spelen naar een wereldkampioenschap farmacie zitten te kijken is inderdaad niet van mij. Dat neemt niet weg dat het iedereen vrij is te kijken en naar hartelust mag projecteren op de sport zoals zij of hij het belieft. Kijken alsof het een WK farmacie betreft, een wedstrijdje medailles tellen, een vorm van schaamteloos chauvinisme, een verering van helden, een darwinistisch experiment, het opwekken en ensceneren van emoties of een platform voor internationale verbroedering; het kan allemaal. Atleten laten zich denk ik niet zo snel beledigen en zijn zich goed bewust van een dominante manier van kijken naar sport, die niet verbonden is aan farmaceutische kennis, maar primair aan emoties, verhalen en patriottisme.

Ram verwijst ‘de nuchtere lezer’ naar een artikel op de website van ‘100procentdopefree’. Een zinvolle uitspraak in dit artikel luidt dat het waarheidsgehalte van uitspraken gerelateerd moet worden aan de belangen en de omgeving van de spreker. Dat doe ik dan ook graag met deze informatie, afkomstig van een organisatie die zich vereenzelvigt met 100% dopingvrije sport. Op basis van ‘objectieve gegevens’ concludeert de auteur dat ‘het overgrote merendeel van de topsporters geen doping gebruikt.’ Dat is nogal een claim, op basis van de gepresenteerde informatie. Het predicaat ‘objectief’ lijkt me nogal hoog gegrepen op basis van een percentage ‘positieve sporters’ of een percentage ondervraagde Nederlandse sporters dat zegt geen behoefte te hebben aan een ‘wonderpil’.
Veel vergelijkbare retoriek uit het verleden is niet altijd even betrouwbaar gebleken. Ik zou wel geïnteresseerd zijn in een onafhankelijk onderzoek waarin alle uitspraken van sportautoriteiten uit de jaren negentig over doping (pak ‘m beet: valt wel mee, we zitten er bovenop, niemand ontsnapt etc.) naast de feiten worden gelegd zoals die later door alle bekentenissen en onthullingen duidelijk zijn geworden.

Antidopingbeleid is geen harde wetenschap. Zo’n beleid heeft ook iets te verkopen, al was het maar het ideaal van een ‘schone sport’. Grofweg kun je daarbij twee kanten opgaan. Enerzijds is er de ‘wasmiddelenvariant’ (‘Alles nu nog witter!’). Deze aanpak kan op gespannen voet staan met een meer wetenschappelijke benadering, met aandacht voor de keerzijden, beperkingen en (wetenschappelijke) onzekerheden van het beleid. Het zal duidelijk zijn dat de tweede optie mijn voorkeur geniet.

Op stelling 2 (‘Dopingcontroles hebben veel weg van een tombola’) reageert Ram terecht met de uitspraak dat uit de aard der zaak niemand exact weet hoeveel doping gebruikende sporters er door de mazen van het net zwemmen. Wat daarna volgt is naar mijn idee echter in strijd met deze uitspraak. Dat ‘bij minder dan 2% van de dopingcontroles een overtreding wordt geconstateerd’, is uit de dezelfde aard der zaak weinig relevante informatie als het gaat om de vraag hoeveel atleten door de mazen zwemmen. Dat veel gebruikende sporters vroeg of laat in de prijzen vallen is dan ook even speculatief als de ‘overtrokken ideeën’ die het publiek zou hebben over dopinggebruik.
Interessant is overigens dat er meer aandacht lijkt uit te gaan naar de ‘valse negatieven’, zeg maar de zwemmers door de mazen, dan naar de ‘valse positieven’; zoiets als beschadigde dolfijnen bij de jacht op tonijn. Veel sportvolgers zijn gewend geraakt om minzaam te glimlachen als een atleet spreekt over ‘geflikt te zijn’ door besmette tandpasta, vervuilde zalf etc. Feit is wel dat wetenschappelijk onderzoek steeds vaker de feilbaarheid van testmethoden aantoont.
Laat ik één recent voorbeeld noemen. Statisticus Donald Berry publiceerde 7 augustus in Nature het artikel The science of doping. Onder meer op basis van het fenomeen Prosecutor’s fallacy stelt Berry:

‘The processes used to charge athletes with cheating are often based on flawed statistics and flawed logic. […] If conventional doping testing were to be submitted to a regulatory agency such as the US Food and Drug Administration to qualify as a diagnostic test for a disease, it would be rejected.’

In een Editorial doet het prestigieuze tijschrift er zelfs nog een schepje bovenop:

Nature believes that accepting ‘legal limits’ of specific metabolites without such rigorous verification goes against the foundational standards of modern science, and results in an arbitrary test for which the rate of false positives and false negatives can never be known. By leaving these rates unknown, and by not publishing and opening to broader scientific scrutiny the methods by which testing labs engage in study, it is Nature’s view that the anti-doping authorities have fostered a sporting culture of suspicion, secrecy and fear.’

Op deze conclusie valt zeker wat af te dingen. Maar het zijn wel belangrijke gegevens waartoe je je inhoudelijk moet verhouden, wil je gaan schermen met een term als ‘objectieve kennis’.

Naar aanleiding van de stelling over de (on)eerlijkheid van de competitie stelt Ram dat ‘(gelukkig) niet alle sporters gelijke toegang tot dopingmiddelen’ hebben. Atleten die nu voorop lijken te lopen zouden door de tijd worden ingehaald. Dat zou kunnen, dat is een voorspelling die ik niet zou durven doen. Het is echter de vraag of de opsporing van Mircera wel als onderbouwing van deze voorspelling kan dienen. De vondst van Mircera bij Ricco is zeker een goede stunt te noemen, vooral vanwege de samenwerking tussen de Franse opsporingsinstantie en het farmaceutische bedrijf Roche. Tenzij Ricco zich heeft laten sponsoren door de firma Roche (niet waarschijnlijk, maar wel een mooi verhaal) kun je stellen dat hij nogal opzichtig in deze val is gelopen. Maar wederom is niet alleen relevant wie er zo sullig is om in deze val te lopen, maar vooral: hoeveel sporters er gewiekster zijn om aan een niet gelabelde variant van het medicijn te komen.

Naar aanleiding van de vierde stelling stelt Ram dat alles opsporen een illusie is omdat we niet in een ideale wereld leven. Het voert hier te ver om in te gaan op het concept ‘ideale wereld’, maar laat ik het beperken tot de opmerking dat de directe koppeling tussen ‘alles opsporen’ en ‘een ideale wereld’ in mijn wereldbeeld niet bestaat. Ook niet perfect, maar wel dichterbij dat ideaal is voor mij een afwezigheid van opsporing, meer autonomie voor atleten en minder paternalisme. Of, iets minder ambitieus geformuleerd: wat meer reserve en ruimte voor vraagtekens bij het huidige opsporingsdogmatisme.
Naar mijn idee begint de ambitie om alles te willen controleren en opsporen nogal uit de hand te lopen. Vorig jaar schreef ik in Het Parool, bij wijze van ironische meedenken met de dopingjagers, over GPS controle bij atleten. Ik bleek al achter de feiten aan te lopen. Nog geen drie maanden later hield de Australische ‘antidoping autoriteit’ Michael Ashenden tijdens het Play the Game congres in Reykjavik een bloedserieus pleidooi voor het gebruik van GPS chips bij atleten om het systeem van whereabouts te ‘vereenvoudigen’. Met alle respect voor de pogingen om de sport gezond en eerlijk te houden, maar volgens mij ben je het spoor bijster wanneer je dit soort stappen gaat overwegen. Het is vooral deze vorm van opsporingsdogmatisme die steeds meer mensen (inclusief atleten, wetenschappers en politici) tegen de borst stuit.

Ten aanzien van de laatste stelling, die er op neerkomt dat het begrip ‘natuurlijk’ weinig zeggingskracht heeft als het gaat om de vraag hoe mensen (behoren te) leven, komt Ram krachtig uit de hoek met de uitspraak dat hier niet alleen sprake is van normvervaging, nee, hier worden zelfs bepaalde normen en ideeën over wat de mens is, ‘weggegooid’.

Deze uitspraak doet geen recht aan de historisch veranderlijke mens. Als er al een constante kan worden aangewezen, dan is het wel het gegeven dat mensen altijd technologie hebben geïntegreerd in hun bestaan om zichzelf te ‘verbeteren’. Daarmee wil ik overigens niet zeggen dat alles wat technisch mogelijk is ook zou moeten worden toegepast. Veel mensen zijn verheugd over de mogelijkheden die Pre-implantatie Genetische Diagnostiek biedt als het gaat om het voorkomen van genetisch aangeboren afwijkingen. Als dezelfde technologie het mogelijk maakt om het ‘meest getalenteerde embryo’ te selecteren (wat niet onrealistisch is) dan zijn er zwaarwegende argumenten om een dergelijk gebruik van technologie te begrenzen. Maar het lijkt mij zinvoller om die argumenten eerst helder op tafel te krijgen, dan om de discussie te starten met doemscenario’s.

Verwijzingen naar freakshows of ‘Dr. Faust spelen’ doet de inhoudelijke discussie denk ik geen goed. Het onderschat zowel de rationaliteit van alle betrokken als het aanpassingsvermogen van het sportpubliek. Iedere atleet die in een glazen bol naar de kampioen van de toekomst mag kijken, zal waarschijnlijk even moeten slikken en schrikken van de – wederom – verlegde grenzen van ‘de mens’.

Er is een mooie anekdote over een beeld dat de Italiaanse beeldhouwer Ezio Roscitano in 1929 van Piet Moeskops maakte. Joris van den Bergh schreef daarover: ‘Over de proportie's hadden tusschen Moeskops en den beeldhouwer telkenmale gedachtenwisselingen plaats. Moeskops zei: U maakt het te zwaar, vooral de beenen. En de beeldhouwer antwoordde: ik wil er op hevige wijze de kracht in uitdrukken.’

De vrijheid van de kunstenaar leverde een ‘beeld van de toekomst’ met indrukwekkende proporties en musculatuur. Voor Moeskops was het misschien wel angstwekkend, zo’n blik op de atleet van de toekomst. Alsof Moeskops, nota bene ‘Big Pete’ genoemd, oog in oog stond met Chris Hoy. Wij schrikken niet meer van het beeld van Roscitano. De gewenning aan ‘extreme lichamen’, die zich op steeds verdergaande wijze aanpassen aan de eisen van een internationale competitie, gaat stap voor stap. Of dat stappen ‘vooruit’ dan wel ‘achteruit’ zijn, dat is altijd open voor discussie. Deze discussie wordt echter niet beslecht door een ‘positieve’ of ‘negatieve dopingtest’.

Ivo van Hilvoorde is universitair docent sportfilosofie (Faculteit Bewegingswetenschappen, VU Amsterdam). Hij houdt zich o.a. bezig met sportethische en historische vragen rondom ‘het maakbare lichaam’, (genetische) doping, screening en privacy. Voor meer informatie over Ivo van Hilvoorde klik hier

« terug

Reacties: 0

Reactie toevoegen

Naam*
E-mailadres*
Reactie*
Stuur mij een e-mail als er een nieuwe reactie wordt geplaatst