Skip Navigation LinksHome-Nieuws-Column XL-Item

Wij zijn niet zo innovatief als wij ons graag voordoen! 16 september 2008

door: Henk Kraaijenhof

In het bedrijfsleven gaan een aantal prachtige ‘buzzwords’ of liever gezegd, clichés rond; duurzaamheid en bevlogenheid zijn daar twee van. Een ander is innovatie, het woord dat de laatste jaren opgang doet. Innovatieplatforms vliegen je om de oren…
 
Ook in de sport lijkt innovatie de oplossing te zijn voor vele problemen. Maar hoe innovatief zijn we in Nederland nu eigenlijk? Illustratief is een artikel uit het NRC onder de titel: ‘Waar is Willy Wortel?’ Naar richtlijnen van de EU zou ieder land ongeveer 3% van het bbp moeten besteden aan uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling, lees innovatie. Nederland komt daarin op een schamele negende plaats - net voor Ierland en Spanje - en daarmee onder het gemiddelde van de EU 15. Niet om over naar huis te schrijven voor een land dat zichzelf graag portretteert als een kenniseconomie of als innovatieland. Of kijk naar het aantal Nederlandse patenten per 1000 inwoners in vergelijking met bijvoorbeeld de Verenigde Staten.

En hoe zit dat in de sport als het gaat om innovaties?

Zijn wij als coaches eigenlijk wel zo ‘open-minded’ en innovatief als wij ons graag afficheren? Mijn opinie is duidelijke: nee! Innovaties zijn mogelijk op velerlei gebieden: op gebied van de spelregels, van wedstrijdmateriaal, van trainingsmethoden, van voeding. Toch zijn het met name de meeste coaches die een behoorlijk conservatieve opstelling hierin laten zien. De uitdrukking ‘never change a winning team’ spreekt boekdelen. Vasthouden aan datgene wat in het verleden succes heeft gebracht. Hierin schuilt een groot gevaar want de succesformule van vandaag is morgen achterhaald of gekopieerd en verbeterd. Vooruitstrevende coaches zijn zelden innovators, maar eerder integrators. Zij integreren en implementeren vaak als eerste nieuwe ontwikkelingen in hun sport, maar hebben niet de tijd, het geld en de motivatie voor onderzoek en experimenten.

Noem nu eens een Nederlandse innovatie in de sport. Velen van u zullen beginnen met de klapschaats, niet beseffende dat er sinds 1895 al vijf patenten voor de klapschaats lagen, dat idee is dus zeker niet nieuw! Het is de verdienste van Gert-Jan van Ingen Schenau geweest het onderzoek naar de werking ven de voordelen van de klapschaats gedaan te hebben. Dan nog heeft het meer dan een decennium geduurd voordat de meerderheid van de schaatscoaches en schaatsers overtuigd waren van het nut en het voordeel van de klapschaats. Innovaties in materiaal zijn trouwens meestal van beperkte waarde, omdat het materiaal vanwege de omzet over het algemeen snel op de vrije markt beschikbaar moet zijn.

Innovaties in de sport zijn voor een groot deel niet uit de sport afkomstig, maar logische ontwikkelingen en toepassingen uit bijvoorbeeld de textielindustrie, zoals het gebruik van nieuwe materialen voor schaats- en zwempakken. Net als de innovaties uit de sportschoenindustrie zijn die vaak meer ‘marketing-driven’ dan ‘innovation-driven’. Oude wijn in nieuwe zakken worden, meestal net vóór bijvoorbeeld de Olympische Spelen met veel tamtam aangekondigd, zinspelend op prestatieverbeteringen die in de bikkelharde praktijk domweg niet bevestigd worden. Laten we eerlijk zijn: als in de atletiek elke innovatie op het gebied van spikes tot prestatieverbetering zou hebben moeten leiden was het wereldrecord op de 100 meter nu een seconde of 7 geweest. Immers, elk kwartaal komen tientallen nieuwe modellen op de markt, eerder gericht op de laatste modetrends dan op wetenschappelijke inzichten in prestatieverbetering.

Maar wat is nu een innovatie? Is voetbal spelen met een tennisbal een innovatie? Is het toepassen van een nieuwe, maar reeds bestaande textielsoort als zwempak een innovatie? Ik denk dat de lat voor innovatie over het algemeen erg laag ligt. Misschien is dit wel een mooi voorbeeld van de beruchte ‘zesjes cultuur’?

Creatieve ideeën in de sport worden meestal snel de kop ingedrukt: ‘dat kan niet’, ‘dat mag niet’, ‘dat bestaat niet’, ‘dat is niet nodig’, komen snel om de hoek in ons mediocratische poldermodel. We zijn daarin zeker niet zo ‘open-minded’ als we met zijn allen geneigd zijn te denken. Dat is wellicht voor een deel te danken aan ons onderwijsmodel dat de creatieve vakken als muzikale vorming, handvaardigheid en lichamelijke opvoeding aan de kant schoof ten gunste van ‘nuttige’ vakken als rekenen, taal en informatica.

Een aantal oplossingen: breng de creatieve vakken weer terug in het lespakket van met name de basisschool, evenals het vak filosofie of ‘leren denken’. Voor coaches: stimuleer de sporters mee te denken over oplossingen voor bijvoorbeeld technische en tactische problemen. Stimuleer en beloon creatieve ideeën en oplossing en besef dat het ‘gekke’ idee van vandaag de oplossing voor een probleem van morgen kan zijn. Laat onze eigen beperkte denkwereld niet beperkend zijn voor de soms briljante, ideeën van anderen.

Henk Kraaijenhof is vooral bekend als atletiekcoach. Zo was hij was onder meer coach van Nelli Fiere-Cooman, Merlene Ottey, Troy Douglas en Letitia Vriesde. Verder was hij consultant van de Engelse rugbybond, coördinator van de krachttraining van het Nederlands herenhockeyteam, conditietrainer van o.a. tennisser John van Lottum en tennisster Mary Pierce, consultant bij voetbalclub Juventus en bondstrainer van de KNAU bij de heren, dames en junioren. Kraaijenhof is ook één van de oprichters van NLcoach, de belangenbehartiger van trainers en coaches.

« terug

Reacties: 0

Reactie toevoegen

Naam*
E-mailadres*
Reactie*
Stuur mij een e-mail als er een nieuwe reactie wordt geplaatst