Skip Navigation LinksHome-Nieuws-5 vragen aan...-Item

5 vragen aan Frank Backx, sportarts en hoogleraar klinische sportgeneeskunde 16 juni 2015

Hij heeft het vak zien groeien en weet met trots te melden dat Nederland met het specialisme sportgeneeskunde tot de top van Europa behoort. Zelf werd Frank Backx begin jaren tachtig als één van de eersten ingewijd middels een destijds nieuwe, vierjarige opleiding. Hij startte zijn loopbaan als sportarts in 1985 bij het Nationaal Instituut voor de Sportgezondheidszorg op Papendal, werkte bij NOC*NSF en als bondsarts voor tal van sportbonden. Tegenwoordig passeert bijna geen sportgeneeskundig onderwerp meer of Backx is er wel bij betrokken. Hij is sinds 1 januari 2007 hoogleraar klinische sportgeneeskunde aan de Universiteit Utrecht en is werkzaam bij het UMC Utrecht, waar hij tot de grondleggers van de in september 2014 gestarte Mobility Clinic behoort.

door: Marc Hoeben | 16 juni 2015

1. De Vereniging voor Sportgeneeskunde vierde onlangs haar vijftigjarig bestaan. Wat zijn in de periode 1965-2015 de belangrijkste ontwikkelingen geweest?
“Ha, van die vijftig jaar heb ik er bijna 35 meegemaakt. De voorvaderen van de sportgeneeskunde waren natuurlijk Wim Mosterd, Sjung Hermans, Peter Harting en John Wesseling. De eerste lichting sportartsen kreeg het specialisme op basis van hun ervaring, zoals KNVB-arts Frits Kessel. Ik zat zelf bij de tweede lichting, het was inmiddels een vierjarige opleiding en ik slaagde als achtste in de rij.”

“Het vak sportgeneeskunde maakte toen nog heel duidelijk onderdeel uit van de sociale geneeskunde. Dan heb je het vooral over preventie. Bijvoorbeeld hoe artsen in de jeugdzorg en verslavingszorg functioneren. Vroeger was het keuren heel belangrijk. De verplichte sportkeuring is sinds 1983 afgeschaft, alleen nog enkele bonden – zoals de motorsportbond - houden eraan vast. Later is de overstap gemaakt van preventie naar curatie en is de opleiding steeds meer klinisch gericht en volwaardiger geworden. Het accent is meer verschoven richting klachtenbehandeling en dan kom je eerder in de omgeving van het ziekenhuis terecht.”

“Bij mijn leerstoel klinische sportgeneeskunde maak ik altijd een onderscheid tussen sport als doel en sport als middel. Je kunt als doel het lopen van de marathon hebben. Door dat doel kunnen klachten ontstaan. Bij sport als middel heb je het bijvoorbeeld over iemand met suikerziekte. Dan zet je de sport in als geneesmiddel om fitter en gezonder te worden. Daar dachten we vijftien jaar geleden helemaal niet aan. Tegenwoordig heb ik veel te maken met hartrevalidatie, doen wij onderzoek bij schizofreniepatiënten en zijn we betrokken bij het onderzoek naar de effecten van medicijnen die je duffer en inactiever maken of zelfs voor een angst tot bewegen zorgen.”

"Voor een consult bij een sportarts moet je nu nog aanvullend verzekerd zijn. Het is de bedoeling dat het per 1 januari 2016 in het basispakket komt"

“Vroeger was sportarts geen beschermde titel. Het was een leuke hobby om ernaast te doen. Eigenlijk pas vorig jaar is sportgeneeskunde erkend als medisch specialisme. Dat maakt heel veel uit, want dan zit je opeens midden in een discussie over vergoedingen. Voor een consult bij een sportarts moet je nu nog aanvullend verzekerd zijn. Het is de bedoeling dat het per 1 januari 2016 in het basispakket komt.”

“Als het gaat om de erkenning binnen de beroepsgroep van artsen: in de beginjaren hebben we wel moeten bewijzen welke toegevoegde waarde we hadden. Die vraag kwam ook vorig jaar, toen we de erkenning als medisch specialisme van een speciale adviescommissie van het College Geneeskundige Specialismen (CGS) moesten krijgen. Voorheen moest je een robbertje vechten met orthopeden. Maar wij kijken toch echt anders naar een knieblessure. Zij kijken of een operatie noodzakelijk is of niet. Wij kijken naar de hele bewegingsketen. Als je dan samenwerkt, kun je elkaar ook heel mooi aanvullen.”

"Als je dan de Tour de France neemt: die jongens fietsen drie weken achter elkaar en krijgen niet de kans om voldoende te herstellen. Dan is topsport ongezond"

2. Hoe kijkt u tegen topsport aan? Is dat vanuit geneeskundig perspectief wel gezond te noemen?
“Ik ken de battles over dit onderwerp maar al te goed. Neem atlete Dafne Schippers. Ze heeft misschien twintigduizend trainingsuren achter de rug, haar hele lichaam is gefocust op inspanning, ze traint twintig tot dertig uur per week, is professioneel bezig en zoekt haar grenzen op. Dat hoeft niet ongezond te zijn. Als ze maar goed weet te pieken en goed weet om te gaan met de verhouding tussen inspanning en herstel. Maar als je dan de Tour de France neemt: dat is een heel ander verhaal. Die jongens fietsen in drie weken de ene na de andere dag en krijgen niet de kans om voldoende te herstellen. Dan is topsport dus wel ongezond.”

“Verbieden kan natuurlijk niet. Daarvoor is de Tour te commercieel en een veel te groot mediaspektakel. Eerlijk gezegd merk ik nu dagelijks iets van de uitstraling, door de Tourstart hier bij ons in Utrecht, en ik vind dat, net als ieder ander, fantastisch. Maar je kunt je vraagtekens plaatsen bij de enorme belasting, die weer heel anders is dan bij voetballers. Dat is een relatief makkelijker bestaan. Ze trainen een paar uur per dag, het wordt gedoseerd. Wat dat betreft is de trainingsleer ook wel aan het veranderen, gelukkig. Sporters worden meer algemeen en symmetrisch getraind. Voorheen werd er in de topsport meer en harder getraind. Nu is het credo eerder: less is more.”

“Bij ons in het UMC is 98 procent geen topsporter. NOC*NSF voert de laatste jaren het beleid om ze naar de vier CTO’s in Heerenveen, Papendal, Amsterdam en Eindhoven te sturen. Daar hebben ze op één plek de mogelijkheid om te trainen, onderwijs, huisvesting en medische voorzieningen. Daar zitten we dus niet bij. Jammer, want in Utrecht zitten wel grote teamsporten als voetbal, hockey, waterpolo en korfbal met hun core business. Ik zou het toejuichen als we meer met topsporters konden doen. Wij focussen ons nu op andere, interessante topsporters die geen status bij NOC*NSF hebben of op aankomende toppers.”

3. In welke leeftijd zit de grootste groep met blessures/klachten? Wat zijn de oorzaken?
 “Dan praat je vooral over de leeftijd tussen 10 en 19 jaar. Het gaat vaak over groeigerelateerde klachten of overprikkeling. Een verklaring - denken wij - kan liggen aan een gebrekkige motorische ontwikkeling. De hoeveelheid bewegingsonderwijs is afgenomen, er is minder aandacht voor de skills. Daarnaast heeft het ook te maken met de beoefende sport. Teamsporten, met fysiek contact of springen, geven een verhoogd risico, hoe fit je ook bent. De trend is dat talent eerder gevraagd wordt een keuze voor één sport te maken, in plaats van zich algemener te ontwikkelen. Dan worden ze soms op jonge leeftijd overbelast, of je ziet het terug in kortere carrières. Vroeger ging je door tot je tweeëndertigste. Nu is het fysiek en mentaal minder lang vol te houden vinden ze het op hun vijfentwintigste of zesentwintigste soms al genoeg.”

"Minister Schippers heeft voor de uitvoering van een preventieprogramma tot en met 2020 jaarlijks 675.000 euro beschikbaar gesteld. Dat zou je een sigaar uit eigen doos kunnen noemen"

4. Onlangs stuurde minister Schippers van VWS een brief naar de Tweede Kamer waarin een nieuw programma blessurepreventie wordt aangekondigd, startend per 2016. De sfeer van de brief is: wat we tot nu toe hebben gedaan, werkt niet. Wat vindt u daarvan?
“Met vijf universiteiten hebben we het landelijk overlegplatform sport- en gezondheidsonderzoek (LOSO), waarin ik de Universiteit Utrecht vertegenwoordig. We gaan zeker relevante projectvoorstellen indienen, nu minister Schippers voor de uitvoering van het programma tot en met 2020 jaarlijks 675.000 euro beschikbaar heeft gesteld. Overigens: je zou het een sigaar uit eigen doos kunnen noemen. Eerst wordt gekort op de maatschappelijk relevante activiteiten die de sportgeneeskunde al jarenlang uitvoert, nu krijg je geld voor de ontwikkeling van een programma blessurepreventie.”

“Het blijft natuurlijk goed om aan preventie te werken. Voorkomen is beter dan genezen en je moet altijd blijven zoeken naar maatregelen die effectief zijn. Een aantal hebben we al wel, in de vorm van scheenbeschermers, braces, gebitsbeschermers, noem maar op. Schippers wil die maatregelen ook echt implementeren. Daar gaat het inderdaad vaak mis. Zo hebben we bij de KNVB gewerkt aan een preventieve oefening tegen hamstringblessures1. Nou, die oefening werkt echt wel, ze moet alleen ook landen in de trainersopleidingen. Kijk, Schippers ziet dat er iets moet gebeuren. Maar ik voel mij niet al te zeer aangesproken. Wij lichten de mensen goed voor, we proberen herhaling van een sportblessure te voorkomen. Ik besef dat er maatschappelijk een belang ligt om het aantal blessures omlaag te krijgen. Maar voordat bonden of trainers programma’s overnemen ben je vaak al tien jaar verder. Dat roept misschien nog eerder de vraag op wat je qua gedragsbeïnvloeding moet doen.”

"Voor sporters kan het niet zo zijn dat je pas over zes weken aan de beurt bent, als je iets hebt. Je wilt een efficiënte, multidisciplinaire aanpak"

5. U bent bij het UMC begonnen met een ‘Mobility Clinic.’ Wat is de achtergrond en wat houdt het in?
“Voorheen liepen we als sportartsen en orthopeden met elkaar te strijden. We hadden een andere kijk, maar eigenlijk vulden we elkaar goed aan. Voor sporters kan het niet zo zijn dat je pas over zes weken aan de beurt bent, als je iets hebt. Je wilt een efficiënte, multidisciplinaire aanpak. In zo’n ziekenhuis is het dan zaak verschillende specialismen bij elkaar te brengen. Daarmee zijn we met de Mobility Clinic in Utrecht de eerste in Nederland, sinds september vorig jaar. Het gaat om een samenwerking tussen mij als sportarts, professor Daniël Saris als knie- en kraakbeenspecialist en professor Jaap van Laar als reumatoloog."

"Twee jaar terug is er een nieuwe vleugel aan ons ziekenhuis gebouwd, zonder dat je het gevoel hebt van een ziekenhuis. Het voordeel voor patiënten en sporters is dat ze in één middag het hele traject kunnen doorlopen met ons, met de fysiotherapeut en - als het moet - de gipsverbandmeester. Normaal zijn ze vijf keer zo veel tijd kwijt. Het loopt heel goed. We hebben twee spreekuren per week. Dat is veel voor een ziekenhuis, maar we merken nu al dat het te weinig is. Aan de belangstelling kan het niet liggen. Andere ziekenhuizen denken hier nu ook over na. We zijn alleen nog bezig om de zorgverzekeraars de voordelen uit te leggen.”

Noot 1:
Voor een filmpje van de hamstringoefening, uitgevoerd door voetballer Bas Dost klik hier

Voor meer informatie over de Mobility Clinic klik hier

« terug

Reacties: 0

Reactie toevoegen

Naam*
E-mailadres*
Reactie*
Stuur mij een e-mail als er een nieuwe reactie wordt geplaatst