Skip Navigation LinksHome-Nieuws-5 vragen aan...-Item

5 vragen aan Huib Kloosterhuis, directeur Koninklijke Nederlandse Wielren Unie 9 september 2014

Huib Kloosterhuis had een glanzende carrière in de telecomwereld, toen hij in 2009 besloot te solliciteren als directeur van de KNWU. Zijn voornaamste ambitie? Een keer in een ploegleidersauto zitten. Kloosterhuis kreeg de baan en rijdt sindsdien ieder WK mee in de ploegleidersauto. Twee jaar geleden werd darmkanker bij hem geconstateerd. De ziekte leek vervolgens bedwongen, maar vorig jaar oktober kreeg Kloosterhuis te horen dat hij nog ongeveer een jaar te leven had. Een bucketlist heeft hij niet, wel een fuck it-list. “Er zijn dingen die ik normaal gesproken niet gedaan zou hebben en nu doe ik die wel.” Een van die dingen was een mail sturen aan Lance Armstrong met het verzoek om hem een keer te ontmoeten. Het antwoord was positief en Kloosterhuis zocht Armstrong afgelopen zomer op in Aspen, in de Amerikaanse staat Colorado. Met Sport Knowhow XL praat Kloosterhuis over de KNWU, wielrennen, doping, het bezoek aan Armstrong en zijn onmogelijke gevecht tegen kanker.

door: Leo Aquina | 9 september 2014

1. Waarom heb je in 2009 de overstap gemaakt van de harde zakenwereld naar de ‘softe’ sportwereld?
“De hárde sportwereld bedoel je? In dat opzicht verschilt het niet zoveel van elkaar hoor. Er zijn sowieso meer overeenkomsten dan verschillen. Ik heb de KNWU vanaf het begin aangevlogen als een MKB-bedrijf, in die omvang moet je denken. Je hebt een organisatie die professioneel moet functioneren met een budget van zes miljoen euro en een winst- en verliesrekening. De twintig procent verschil met het bedrijfsleven is het vergrootglas van de media. Het is bij een gewoon bedrijf onmogelijk dat iedereen in het openbaar zomaar lukraak uitspraken doet. Vrijwilligers? Nee, dat maakt niet zo’n groot verschil. Het blijft gewoon een bedrijf. Natuurlijk zou het wielrennen niet bestaan zonder de vrijwilligers en ik vind dat je ze goed moet verzorgen. Toen ik net bij de KNWU begon, was de Tourstart in Rotterdam. Toen heb ik meteen honderd kaartjes voor onze vrijwilligers gereserveerd. Voor de VIP’s wordt altijd wel gezorgd, maar die vrijwilligers zijn voor ons gewoon enorm belangrijk.”

“Waarom ik indertijd de overstap naar de KNWU heb gemaakt? Zoals met veel beslissingen in mijn leven, is het heel impulsief gegaan. Het komt allemaal voort uit een kleine frustratie in Spanje. Ik wilde altijd al eens een keer meerijden in een ploegleidersauto en als ik iets wil, dan lukt dat meestal ook. Wij hebben een huis Málaga en op een gegeven moment zag ik in de krant dat de Ruta del Sol precies langs ons huis kwam. Toen ben ik op mijn scooter naar de start gereden en daar zag ik Erik Dekker. Nee, ik kende hem niet maar ik ben gewoon op naar hem toegestapt. ‘Mag ik je iets vragen’, zei ik. ‘Nou, dat doe je al’, zei hij. Dat ging hem dus niet worden. ‘Geen sprake van’, was het antwoord.”

“Toen ik thuiskwam zeiden mijn vrouw en kinderen: ‘Als je dat nou zo leuk vindt, waarom ga je dan niet in die sport werken?’ Niet lang daarna kwam er een personeelsadvertentie voorbij voor een nieuwe directeur van de wielerbond. Toen heb ik maar eens een brief geschreven en ik ben het geworden, na de zwaarste sollicitatieprocedure ooit. Eerst twee gesprekken met de mensen hier op kantoor, toen twee gesprekken met het bestuur en nog een gesprek met de personeelsorganisatie. Dat had ik eerder nog niet zo meegemaakt. Terecht overigens, ik kwam natuurlijk helemaal niet uit de sport dus ze moesten wel weten wat voor vlees ze in de kuip hadden. Maar goed, uiteindelijk is het dus toch gelukt en het eerste wat ik heb gedaan als bondsdirecteur was in de ploegleiderswagen meerijden tijdens het WK.”

2. Je kwam in een nieuwe wereld terecht. Hoe beviel dat, hoe trof je de bond aan en wat waren je ambities?
“Het is een droombaan. Het levert een stuk minder op. Het scheelt zomaar 10.000 euro in de maand, maar ik vind het prachtig. Ik zit al sinds mijn vijftiende op de racefiets. Echt wedstrijdfietsen is er nooit van gekomen. Toen ik bij KPN werkte, reed ik vanuit Den Haag op vrijdag naar huis in Hilversum en dan dacht ik ‘hè lekker, weekend.’ Nu weet ik meestal niet eens welke dag in de week het is. Ik bedank Erik Dekker ook nog elk jaar. Thorwald Veneberg heeft mij dit miniatuurtje gegeven van een Rabo-ploegleidersauto. Het staat altijd op mijn bureau om me eraan te herinneren waartoe ik hier ben. Ze vragen me wel eens of ik ook directeur zou kunnen zijn van de tafeltennisbond. Niet dus.”

“Ik was wel gewaarschuwd toen ik aan deze baan begon. Kijk hier maar eens naar. (Kloosterhuis laat een ingelijst krantenartikel zien met als kop ‘de sportdirecteur krijgt het vaak zwaar voor de kiezen’, red.). Een bondsdirecteur houdt het gemiddeld maar één of twee jaar vol. Hoe dat komt weet ik niet. Toen ik hier binnenkwam, viel het me in ieder geval op dat er nauwelijks financiële sturing was. In ieder geval niet op de manier waarop ik het wilde. De eindejaarvoorspelling schoot van vijf ton in de min naar vijf ton in de plus binnen twee weken. Ik heb meteen gezegd: ‘jongens zo kan ik niet werken.’ Mijn eerste prioriteit was het op orde brengen van die financiële situatie. Ik ben kwartaalgesprekken gaan houden met de bondscoaches over budgetten. Het was binnen een jaar honderd procent transparant en dat gaf rust. Iedereen weet dan waar hij aan toe is.”

“Mijn ambities bij de bond? In een ploegleidersauto zitten… Ik voelde me als een kind in de snoepwinkel, maar daar moet je natuurlijk ook mee oppassen. Je moet zorgen dat je de juiste afstand bewaart die noodzakelijk is om goede beslissingen te nemen. Of daar ook die financiële chaos uit voortkwam? Nee, dat was gewoon onkunde. Dat had ermee te maken dat er niemand op stuurde. Als er iemand riep: ‘We moeten nieuwe wielen hebben want dan worden we wereldkampioen’, dan werden er nieuwe wielen gekocht. We hadden als bond wel een reserve, maar die zat in aandelen. Dat kan natuurlijk niet. Die reserve moet je gewoon op de bank hebben, anders is het een veel te groot risico. Dat zijn de dingen die je gewoon bedrijfsmatig kan aanpakken.”

“Toen ik dat allemaal op orde had, ben ik naar de sport gaan kijken en daar heb ik mensen voor aangetrokken. Thorwald Veneberg als sporttechnisch directeur. Met hem zijn we de hele sportpiramide vorm gaan geven. Je moet je als bond altijd afvragen wat je bestaansrecht is. Bij ons is dat opleiden en opvangen. De topsport gaat buiten ons om, dat is de commercie. Belkin is voor ons belangrijk, maar Westland Vooruit is voor ons nog veel belangrijker. Vroeger deed Rabobank ook aan opleiding. Dat was eigenlijk altijd strijd. Oud-bondscoaches die van alles in de pers riepen. Dat is nu veranderd. Wij hebben die opleidingsploeg overgenomen en daar is nu gewoon rust. De Wilco Keldermans en de Bauke Mollema’s zijn belangrijk voor ons omdat jonge kinderen daardoor gaan wielrennen, maar uiteindelijk komen ze in een wereld terecht waar wij geen invloed op hebben.”

3. Op 1 augustus jl. was je precies vijf jaar in dienst van de Koninklijke Wielrenunie. Waar ben je het meest trots op als je daarop terugkijkt?
“In eerste instantie op de mensen hier. Maar als je vraagt naar een beslissing of iets dat we in de afgelopen periode hebben bereikt: het rapport Sorgdrager (de commissie Sorgdrager deed onderzoek naar de dopingcultuur in het Nederlandse wielrennen in het eerste decennium van de 21ste eeuw, red.). Ik ben er trots op dat we niet weg hebben gekeken. We lazen het boek van Tyler Hamilton (The Secret Race, red.) met alle verhalen over EPO-gebruik in het profpeloton en toen hebben Marcel Wintels (KNWU-voorzitter, red.) en ik elkaar diep in de ogen gekeken. We stonden voor de keus: steken we ons hoofd in de strop en kiezen we voor een ongelooflijke bak stront over ons heen, of kijken we weg zoals dat altijd al was gedaan. We hebben voor het eerste gekozen. Ze zullen Marcel Wintels en Huib Kloosterhuis over twintig jaar niet verwijten dat ze erbij stonden en de andere kant opkeken.”

“Als je me vraagt of het wielrennen tegenwoordig schoner is dan toen? Dat denk ik zeker. Ik weet natuurlijk niet of het daardoor komt, maar op basis van dat rapport zijn wel de nodige acties ondernomen. Een cultuurverandering kost tijd. Dat heeft wel vijf of tien jaar nodig. Toen ik bij IBM werkte moest het bedrijf van hardware naar software. Niemand geloofde dat het kon, maar het bedrijf is er nog altijd en ze maken geen hardware meer. Later werkte ik bij KPN. De oude PTT, dat was 'putje graven, tentje bouwen, tukkie doen'. Het moest een commercieel bedrijf worden en niemand geloofde dat het zou lukken. Kijk waar ze tegenwoordig staan. Als het water aan de lippen staat, moet je wel. Ik weet niet of het water bij het professionele wielrennen echt aan de lippen heeft gestaan, maar je ziet wel dat er na het rapport Sordrager met Belkin, Lotto en Roompot drie nieuwe sponsors zijn gekomen in het Nederlandse profwielrennen en ik verwacht dat er bij Giant-Shimano ook nog wel een bijkomt.”

4. Hier aan tafel zit een ogenschijnlijk kerngezonde man met veel ambitie, maar je hebt vorig jaar oktober van je artsen te horen gekregen dat je nog ongeveer een jaar te leven hebt vanwege kanker. Op welke manier heeft dat noodlot invloed op de beslissingen die je neemt en op de manier waarop je in het leven staat?
“Als je te horen krijgt dat je terminale kanker hebt, kun je daar eigenlijk niet mee omgaan. Bij ons thuis zijn we gewend om een probleem te bekijken en vervolgens een oplossing te verzinnen, maar hier is geen oplossing voor. Dan moet je een weg zoeken. Ik ben naar een psychiater geweest. Er zijn zoveel mensen die het overkomt en je wil gewoon weten hoe je ermee om moet gaan. Een van de dingen die hij zei was: ‘Laat geen rokende puinhopen achter.’ In mijn geval was dat dus ook: ‘laat de bond goed achter.’ Om terug te komen op je vraag of het invloed heeft op de beslissingen die je neemt: ja, het vergroot uit. Wat belangrijk is, wordt belangrijker en wat minder belangrijk is, wordt futieler.”

“Het rapport Sorgdrager, dat was belangrijk. Ik zag in het ziekenhuis EPO-bussen staan, dus ik zei tegen die specialist: ‘joh, heb je niet wat voor mij?’ Ik had er zoveel over gehoord, nou wilde ik het ook wel eens zelf proberen. ‘Ben je gek geworden?’, zegt die man. ‘Dat versnelt de kankercellen in je lichaam.’ Toen dacht ik: ‘Ik moet iets doen.’ We stellen allerlei eisen aan wielrenners. We verlangen steeds meer van ze. Ze moeten bietensap drinken en als er morgen iemand komt die zegt dat je harder gaat fietsen van berkenschors, gaan ze dat allemaal eten. Is dat doping? Als bond zijn we de overheid van het wielrennen. Iemand moet de grens bepalen. Stel je voor: een jonge vent van 21 die zit tegenover een man in een witte jas en die zegt dat het allemaal niet uitmaakt, een beetje EPO. Zo’n man moet de gevangenis in. Hij heeft ervoor doorgeleerd. Natuurlijk moet je die renner schorsen, maar de dokter is verantwoordelijk. De hamvraag is natuurlijk of je iemand die gezond is een medicijn moet geven. Uiteindelijk is het een zegen wat er nu met het wielrennen is gebeurd. Als het zo was doorgegaan, hadden ze nu met bloedzakken op de rug rondgereden. Het is volslagen bizar. Iedereen roept altijd dat Lance Armstrong zo professioneel was met die doping. Een tuinman op een scooter achter het peloton aan, kom op zeg.”

5. Je bent afgelopen zomer bij Lance Armstrong op bezoek geweest. Een bijzonder verhaal. Kun je vertellen hoe dat is gegaan?
“Ik heb hem gewoon een mail gestuurd met mijn verhaal, zoals ik indertijd ook naar Erik Dekker toestapte om mee te rijden in de ploegleidersauto. Tot mijn stomme verbazing kreeg ik binnen drie dagen antwoord. Hij nodigde me uit om langs te komen in Aspen, Colorado. Dus ik zeg tegen mijn vrouw, 'jee, hij wil dat we langskomen'. We zijn naar Amerika gevlogen en toen we in Aspen aankwamen heb ik weer gemaild. We konden de volgende dag langskomen om vijf uur. Dus ik zeg heel stoer ‘okay’. Ik wist nog steeds niet of hij het wel echt was en ik wist ook niet eens waar hij woonde, maar goed, daar kom je natuurlijk vrij gemakkelijk achter.”

“Toen we de volgende dag bij zijn huis aankwamen werden we opgevangen door zijn vrouw en zijn housemanager. Lance was een stukje fietsen. Toen hij aankwam gooide hij zijn fiets tegen het hek en ja, hoe gaat dat dan? Het gesprek vliegt van links naar rechts. Je kent elkaar natuurlijk niet dus je weet niet of je een klik hebt. Na een halfuurtje kom je daar meestal wel achter en ik geloof wel dat die klik er was. Amerikanen zijn natuurlijk wel makkelijke praters, maar dat ben ikzelf ook wel. Ik heb hem natuurlijk ook wel een paar grote vragen voorgelegd. Hoe wist hij nou dat het gebruik van EPO geen kwaad kon? Nou toen zag ik hem toch ook wel even kijken van ‘eh, ja, ingewikkeld’. Hij had er eigenlijk niet echt een antwoord op. Ik zei ook dat ik met de gedachte speel om die hele generatie profrenners van toen te gebruiken als medisch experiment. Dat is toch een waanzinnig interessante groep. Daar schrok hij wel een beetje van, het besef dat hij een medicijn gebruikte terwijl hij eigenlijk niet ziek was. Maar ja, Amerikanen hebben een ongenuanceerde drive. Winnen ten koste van alles, de drive die we eigenlijk zoeken in topsporters. Daar heb ik ook wel bewondering voor.”

“Je ziet die drive ook terug in de benadering van deze ziekte. In Nederland kijken de artsen al snel naar de kwaliteit van leven; als de kans op overleven dan toch nul is, laten we het dan maar een beetje leuk houden. In Amerika begrijpen ze daar niets van. Je moet de ziekte bevechten. Zo’n chemokuur, daar wordt je echt doodziek van. Ik zei dat tegen mijn Nederlandse arts en die zei 'okay, dan moeten we misschien iets rustiger aan doen'. In Amerika zei de arts meteen 'dan moet je gewoon meer anti-misselijkheidspillen nemen. We moeten tijd kopen om je ziekte te bevechten'. Ik heb denk ik een mix gevonden tussen die twee benaderingen. Af en toe ga ik naar Amerika om een boost te halen. Dat is vooral psychisch. Ik heb mijn Nederlandse oncoloog gezegd dat ik wil dat hij de leiding houdt in de behandeling. Uiteindelijk ben ik toch meer van de Nederlandse benadering. Als je met de Amerikaanse benadering de ziekte zou kunnen overwinnen, zou het betekenen dat de mensen die het niet halen niet genoeg hebben gestreden. Dat is onzin. Mijn kans op overleven is nul procent. Als er ook maar de geringste kans was, zou ik me helemaal plat laten spuiten.”

“Ik zie het nu als een versneld ouderdomsproces. Ik ben bezig met de afdaling, alleen gaat het wel heel erg snel. Ik werk door, omdat ik het goed wil achterlaten en ook omdat stoppen misschien wel een beetje voelt als opgeven. Maar er wordt hier nagedacht over een beleidsplan richting 2020 en dat laat ik over aan anderen. Die mensen zijn er capabel genoeg voor en in 2020 ben ik er zelf hoogstwaarschijnlijk niet meer bij. Ik houd me bezig met de dagelijkse dingen. Vorige week was er de begrafenis van Annefleur Kalvenhaar (het mountainbiketalent dat dodelijk verongelukte bij een valpartij in Frankrijk - red.). Dan ga je het ook wel weer relativeren. Ik ben tenminste nog 54 geworden, zij maar twintig. Dan denk ik toch even: ‘Je moet niet zo piepen Huib.’ Maar ik heb me er niet definitief bij neergelegd. Ik hoop wel dat ik straks de moed heb om op tijd te zeggen dat het mooi is geweest. Dat is moeilijk, omdat je toch altijd hoop houdt. Dus ik hoop ook dat het wielrennen ook schoon wordt.”

« terug

Reacties: 3

-
09-09-2014
met bewondering lees ik dit artikel. Ik hoop dat heel veel bestuurders dit ook doen. Huib veel sterkte, dat je iets goeds achterlaat is zeker, dank je wel... Gr Denise Simonse Sportbedrijf Arnhem
Ben
11-11-2015

Hoi Huub,

Zag je net in 1Vandaag ivm de film over Lance.

Begreep dat jij lijdt aan darmkanker. Vreselijk! Ook te horen gekregen: uitbehandeld! Als een doodvonnis suist het je oren binnen denk ik. Je voelt denk ik de machteloosheid en de eenzaamheid. De uitspraak: eerst moet je huilen anders kun je niet getroost worden zal ik nooit meer vergeten!

En toch wil ik tegen alles in ook een andere waarheid neer zetten. Namelijk de waarheid van de Amerikaan Ty Bollinger en zijn campagne The Truth About Cancer, kortweg TTAC. Hij maakt een al jaren durende zoektocht naar effectieve non-toxische anti-kanker-therapiën. Daar zijn al heel wat goede resultaten van te melden! Echter die komen ons vrijwel nooit ter ore. Wist je bijvoorbeeld dat er een zeer succesvolle virustherapie bestaat die zelfs kanker patiënten in stadium 4 hebben weten te genezen? Een arts in ik meen Letland heeft deze ontdekking gedaan. Het betreffende virus richt in een menselijk lichaam geen enkele schade aan, maar valt wel met succes de kankercellen aan en vernietigt die! Er is zoveel meer dan jij waarschijnlijk voor mogelijk houdt. 

Mijn advies: zoek contact met Ty Bollinger of in Nederland met de arts Henk Fransen in Apeldoorn die op hetzelfde spoor werkt als Ty.

Tot slot wens ik je heel veel doorzettings- en uithoudingsvermogen (twee eigenschappen die ook in de door jou zo geliefde wielersport een prominente plaats innemen) om je lichaam door de juiste maatregelen de mogelijkheid te bieden de kanker te verslaan.

Met een betrokken groet,

Ben.

Atty Geerling
13-11-2015

Hoi Huub,

ik weet niet of je mijn naam herkent maar ik ben de dochter van Bram Geerling, van TCT.

vandaag vertelde hij over je item in EenVandaag en hoe dit hem aangegrepen heeft. Mij trouwens ook. Wij, pa, ma en ik, kijken terug op een hele leuke tijd met TCT.

Veel leuke en vrolijke herinneringen uit die tijd. hoe wrang dan het bericht over je gezondheid. Mijn ouders zijn niet echt actief op internet en andere socialmedia vandaar dat ik namens hen een bericht stuur. Mijn vader zou je graag willen bellen/spreken/zien. Jij een mail aan Lance, hij aan jou :-)

Heel veel sterkte voor jou en je gezin!! en hopelijk tot een reactie/contact met m'n pa.

xx 

Reactie toevoegen

Naam*
E-mailadres*
Reactie*
Stuur mij een e-mail als er een nieuwe reactie wordt geplaatst