Skip Navigation LinksHome-Nieuws-5 vragen aan...-Item

5 vragen aan Jessica Gal, sportarts en voormalig topjudoka 9 oktober 2012

Jessica Gal - dochter van een Amerikaanse moeder en een Hongaarse vader - werd op 6 juli 1971 in Amsterdam geboren. Zij zette al op jonge leeftijd haar eerste stappen op de judomat en boekte daar vele successen. Zij werd elf keer Nederlands kampioen, vier keer Europees kampioen en zij greep vier keer brons op een WK. Daarnaast nam zij deel aan vier opeenvolgende Olympische Spelen (1988-2000). Tijdens haar topsportcarrière studeerde Gal geneeskunde en na haar laatste Olympische Spelen in Sydney specialiseerde zij zich als sportarts. Zij werkte voor verschillende sportmedische instellingen en begon in 2009 haar eigen sportmedisch adviescentrum in Amsterdam. Als sportarts is Gal betrokken geweest bij de begeleiding van onder meer de Nederlandse vrouwenhockeyploeg en het Nationaal Zweminstituut Amsterdam. Zij is lid van de Sportraad Amsterdam en zit in de adviesraad van de Stichting Tegenkracht.

door: Leo Aquina | 9 oktober 2012

1. Je hebt je carrière als topjudoka altijd gecombineerd met een studie geneeskunde. Hoe ging dat?
“Eigenlijk was het voor mij altijd vanzelfsprekend dat ik zou gaan studeren na mijn gymnasium. Judo bleef echter op nummer één staan, dat kon ook om omdat het leren me makkelijk afging. Ik hoefde dus nooit een keuze te maken. Ik heb nog getwijfeld of ik iets met lichamelijke opvoeding wilde doen, maar ik zag meer toekomst in een geneeskundestudie. Daarmee is er altijd perspectief op een baan. Het combineren van studie en topsport ging goed, maar studeren is meer dan die studie alleen. Het is ook het studentenleven eromheen en daar heb ik mezelf van weggehouden. Natuurlijk kwam ik wel eens op een feestje, maar mijn wereld was vooral het judo en daarnaast studeerde ik. Studie en topsport sluiten in zekere zin ook goed bij elkaar aan. Als topsporter zit je al in een heel gedisciplineerd traject, binnen die structuur kun je de leertijd inplannen. Alleen tijdens mijn coschappen was het lastig te combineren. Dat kun je niet half doen, dus ik heb coschappen afgewisseld met judo.”

“In het algemeen denk ik wel dat de combinatie topsport en studie beter gefaciliteerd kan worden. Je hebt natuurlijk speciale studies zoals de Johan Cruyff University, maar dan gaat het specifiek over sportmarketing. Voor iemand die dokter wil worden, bestaat zoiets niet. Eigenlijk zouden universiteiten verplicht moeten worden het mogelijk te maken voor topsporters om naast hun sport ook te kunnen studeren. Dat vergt vooral aanpassingen in de planning en het programma. Voor mij was het altijd een beetje rommelen, met practica bijvoorbeeld. Er werd altijd moeilijk gedaan als ik vroeg om iets te verplaatsen. In de praktijk kon ik beter wegblijven en achteraf vragen wanneer ik het kon inhalen. De universiteit zal dus meer moeten faciliteren, maar aan de andere kant denk ik ook dat er vanuit de sport beleid zou moeten komen om ervoor te zorgen dat sporters zich naast hun sport op topniveau kunnen voorbereiden op een maatschappelijke carrière. Als je daar pas mee begint na afloop van je topsportcarrière sta je met lege handen. Voor toppers als Sven Kramer en Pieter van den Hoogenband is dat niet zo erg. Maar daar zit een grote groep onder die net zo hard heeft gewerkt, maar er veel minder aan over heeft gehouden. Dan dreigt het beruchte zwarte gat. Zelf heb ik daar niet de kans voor gekregen. Na mijn topsportcarrière ging ik in één keer door als met de opleiding tot sportarts en ik ging meteen aan de slag als sportarts bij het Nederlands dameshockeyelftal.”

2. Nog tijdens de Olympische Spelen van Sydney (2000) - waar jijzelf als judoka actief was - ben je gevraagd als sportarts bij het Nederlands dameshockeyelftal te komen. Dat heb je gedaan tot en met de Spelen van Athene in 2004. Hoe was de overgang van topsporter naar begeleider?
“Na Sydney heb ik twee of drie maanden vrij gehad om op adem te komen en toen ben ik weer vol aan de slag gegaan. Voor mijn opleiding tot sportarts ging ik als arts-assistent in de cardiologie aan de slag en ik begon als sportarts bij de hockeydames. Dat was een parttimebaan, waarin ik verantwoordelijk was voor de totale sportmedische begeleiding van de ploeg. Ik was aanwezig op de nationale trainingen, de trainingskampen en de wedstrijden en toernooien in het buitenland. Gedurende het seizoen trainden de dames bij hun eigen club, dus dan was het rustiger. Maar het was voor mij een drukke tijd met mijn baan als arts-assistent erbij. Ik had gelukkig veel energie dus ik heb het nooit als problematisch ervaren, maar het was wel moeilijk omdat ik op dat moment pas net begon als arts. Ik zou als ik bondscoach was eerlijk gezegd nooit kiezen voor iemand met zo weinig ervaring in zijn of haar medische carrière.”

“Het verschil om als sporter of als begeleider met topsport bezig te zijn was erg groot. Als sporter ben je acteur, alles draait om jou en het is veel intensiever. Als begeleider ben je eigenlijk een soort backstage-manager en doe je alles in dienst van… dat is een groot verschil. In je hoofd kun je dat onderscheid wel maken, maar gevoelsmatig heb ik daar erg aan moeten wennen. Ik voelde me vaak toch meer onderdeel van het team dan onderdeel van de begeleiding, ik stond nog erg dicht bij de sport zelf.”

3. Na 2004 ben je gestopt bij het dameshockeyelftal. Wat waren de vervolgstappen in je carrière?
“Na de Spelen van Athene veranderde de hele begeleidingsstaf van de dameshockeyploeg en voor mijzelf was het ook een mooi moment om iets anders te gaan doen. Ik had mijn opleiding als sportarts net afgerond en ik had het gevoel dat ik me pas echt goed kon ontwikkelen als sportarts als ik veel patiënten zou zien. Ik moest gewoon uren maken, veel blessures zien en ervaring opdoen om mijn vaardigheden als arts te ontwikkelen. Het is niet omdat ik toevallig Jessica Gal ben dat ik zomaar opeens een goede sportarts ben. Ik heb natuurlijk wel de kans gekregen om meteen bij de dameshockeyers aan de slag te gaan omdat ik Jessica Gal was, maar om een goede sportarts te worden moet je gewoon heel hard werken.”

“Ik ben toen gaan werken voor sportmedische adviescentra in Haarlem en Amsterdam. Daarna - in 2008 - ben ik bij het Nationaal Zweminstituut Amsterdam begonnen. Reinier de Groot vroeg mij daarvoor. Hij is huisarts en zwemtrainer en deed de sportmedische begeleiding bij NZA in zijn eentje. Mede omdat hij niet in Amsterdam woonde zocht hij iemand om dat werk samen te kunnen doen. Het begeleiden van de zwemmers bestond uit het tweemaandelijks bezoeken van de trainingen, preventief medisch onderzoek en begeleiding bij blessures. Ik deed daarbij als sportarts vooral het bewegingsapparaat en Reinier was er meer voor andere klachten, de oor- en luchtweginfecties en dergelijke.”

“In 2009 ben ik mijn eigen sportmedisch adviescentrum begonnen. Ik vind het prettig om het heft zelf in handen te hebben en mijn eigen beslissingen te nemen en niet afhankelijk te zijn van anderen. Helaas is de samenwerking met NZA beëindigd omdat NOC*NSF een regeling instelde dat topsporters die bij een CTO zijn aangesloten zich nog maar door vier speciaal door NOC*NSF aangewezen SMA’s mogen laten begeleiden. Dit is door NOC*NSF zonder overleg en zonder enige vorm van toetsing gedaan, en dat is een beetje frustrerend. Ik kan het sporters niet kwalijk nemen dat ze voor een van die vier centra kiezen. Want anders moeten ze het zelf betalen, of op hun verzekering verhalen. Voor mij voelt het wel als oneerlijke concurrentie. Aan de andere kant trek ik mij er ook niet zoveel van aan, want ik heb geloof in mijn eigen bedrijf. Als ik het goed doe, komen de mensen vanzelf en dat blijkt ook wel.”

4. Je heb als sportarts gewerkt in het tophockey en het topzwemmen. Hoe zit het met de sport waarin je zelf bent opgegroeid, het judo?
“Ik zie als sportarts veel judoka’s en ik word vanuit mijn judonetwerk ook veel benaderd door judoka’s en judotrainers. En ik start op 1 december - in samenwerking met de judobond - met sportpsycholoog Karin de Bruin een onderzoek. We hebben een subsidieaanvraag bij ZonMW gehonoreerd gekregen onder de titel ‘Gewicht maken in wedstrijdjudo – Een onderzoek naar de prevalentie, omvang, methoden, motieven en effecten van gewicht maken op de gezondheid en prestaties van wedstrijdjudoka’s.’ We gaan kijken wat er in de literatuur bekend is over ‘gewicht maken’. Hoe gebeurt het en wat zijn de effecten? Bijvoorbeeld op de fysieke en mentale gezondheid, de belastbaarheid, en op fysiologische parameters. Kan iemand minder hard rennen als hij net vijf kilo is afgevallen, dat soort vragen. Daarnaast gaan we onder Nederlandse judoka’s een inventarisatie maken. We stellen vragen als: ‘Moet je wel eens afvallen? Hoe vaak? Hoe veel? Hoe doe je dat?’ We maken ook onderscheid in verschillende leeftijdscategorieën. Op welke leeftijd begint het? Levert dat een probleem op omdat mensen daardoor bijvoorbeeld enorm met hun gewicht gaan schommelen?”

“Het onderzoek zal anderhalf jaar in beslag nemen. Ik verwacht dat er ook in Nederland al op jonge leeftijd begonnen wordt met gewicht maken, vaak op slechte manieren. Dat wordt vaak overgedragen van generatie op generatie. Ik kan mezelf bijvoorbeeld herinneren hoe we het stoer vonden om in regenpak te judoën. Daarmee geef je het op jonge leeftijd een bepaalde lading mee, terwijl kinderen daar eigenlijk helemaal niet mee bezig moeten zijn. Het onderzoek is erg geënt op de praktijk. De bevindingen moeten uiteindelijk worden meegenomen in de trainersopleidingen van de judobond en in de opleidingen van sportartsen, sportdiëtisten, en sportpsychologen.”

“Naast dat onderzoek kijken we als sportmedisch adviescentrum naar een aantal verschillende doelgroepen en één daarvan is ‘talenten’. Het medische traject rond talenten is nu vaak erg ad hoc. Er wordt gehandeld bij blessures, maar er wordt niet op naar de lange termijn gekeken. We willen een traject ontwikkelen om talenten duurzaam aan de top te brengen. We kijken bijvoorbeeld naar spierlengtes, disbalans in de kracht, rompstabiliteit. Hoe zit een talent in de groeicurve in relatie tot gewicht, waar zitten zwakke plekken. Daar wordt in de trainingspraktijk vaak weinig aandacht aan besteed. Dat is meestal judoën om het judoën. Talenten hebben meestal niet genoeg mensen om zich heen met al die kennis, dus vaak is het door schade en schande wijs worden. Wij willen een traject opzetten waarbij we talenten al vanaf jonge leeftijd kunnen begeleiden. Daar moet je ook de ouders en de coaces bij betrekken.”

5. Naast je dagelijkse praktijk ben je betrokken bij de Stichting tegenkracht en je maakt ook deel uit van de Sportraad Amsterdam? Kun je vertellen wat je rol bij die organisaties behelst?
“Bij de Stichting Tegenkracht ben ik vanaf de oprichting betrokken geweest. De oprichter - Jelle Wolthuizen - wilde een stichting oprichten waarbij mensen met kanker de mogelijkheid kregen om onder professionele begeleiding in hun eigen omgeving te kunnen sporten. Hij kwam terecht bij het Sport Medisch Centrum Amsterdam op het Olympiaplein in Amsterdam, waar ik destijds werkte. De mensen die zich aanmelden - kankerpatiënten - krijgen een intake door een sportarts. We kijken hoe de belastbaarheid van iemand is en welke sportieve doelen we kunnen stellen. Nu - in mijn eigen praktijk - werk ik nog steeds voor Tegenkracht. Het is een bijzondere groep patiënten. Kanker is iets dat de meeste mensen overkomt en het is mooi om te zien wat sport voor hen kan betekenen. De mensen die via Tegenkracht komen, melden zichzelf aan. Het gaat niet via een verwijzing van een specialist of iets dergelijks, dat betekent dat je altijd te maken hebt met heel gemotiveerde mensen.”

“De sportraad is iets heel anders en dat staat ook los van mijn prakrijk als sportarts. Voorzitter Robert Geerlings heeft me daar twee jaar geleden voor gevraagd. De sportraad bestaat al heel lang, maar ze wilden het orgaan nieuw leven inblazen door er een aantal mensen uit de sport bij te betrekken om zo veel mogelijk knowhow in huis te halen. Als sportraad komen we een aantal keer per jaar bijeen en geven we de gemeente zowel gevraagd als ongevraagd advies op sportgebied. We zijn opgesplitst in verschillende werkgroepen en ik zit in de werkgroep 2028 die de gemeente adviseert op het gebied van de olympische plannen.”

“Hoe Amsterdam er op dat gebied voor staat? Ik denk dat het heel belangrijk is dat de beslissing over de naamdragende stad eerder dit jaar definitief is gemaakt. Maar ik denk ook dat we op dit moment niet in een erg goede tijd zitten om deze plannen over het voetlicht te brengen. Met de crisis is er veel onzekerheid bij mensen en dat is niet het moment waarop je veel draagvlak krijgt. Ik denk dat we moeten wachten tot de maatschappelijke rust weerkeert, bijvoorbeeld als er een nieuw kabinet is zodat er ook op dat gebied wat meer stabiliteit is. Als sportraad is het vooral onze taak om duidelijk te maken waarom het een goed idee is die Olympische Spelen hierheen te halen, om het bedrijfsleven ervoor te interesseren en om de legacy zo duidelijk mogelijk in beeld te brengen.”

« terug

Reacties: 0

Reactie toevoegen

Naam*
E-mailadres*
Reactie*
Stuur mij een e-mail als er een nieuwe reactie wordt geplaatst