Skip Navigation LinksHome-Nieuws-5 vragen aan...-Item

5 vragen aan Joop Alberda, ex-lid Club van 2028, o.m. voorzitter NLcoach 12 juni 2012

Joop Alberda stapte onlangs uit de Club van 2028, een adviesorgaan van het Olympisch Vuur. In een interview met Sport Knowhow XL gaat hij in op de achtergronden van dat besluit. Daarnaast spreekt hij over trends en ontwikkelingen in de sport. Alberda is op diverse terreinen actief in de sport, zo werkt hij aan het programma Coaches of Industry van Ernst & Young en is hij voorzitter van NLcoach. Als geen ander kan Alberda een vergelijking maken tussen Nederlands meest succesvolle Olympische Spelen ooit - van 2000, toen hij technisch directeur was van NOC*NSF - en de komende Spelen in Londen.

door: Leo Aquina | 12 juni 2012

1. U heeft medio mei met een brief aan voorzitter Ton Nelissen aangegeven uit de Club van 2028 te stappen. Waarom?
“Ik had niet het gevoel dat ik een goede bijdrage kon leveren aan de wijze waarop de Club van 2028 functioneerde. Het is een adviesorgaan en ik had het idee dat we daar met elkaar moesten aanhoren wat er toch al besloten was. Dan is er geen advies meer nodig. Laat ik voorop stellen dat ik de olympische kapstok voor Nederland een geweldig plan vind, maar ik mis de regie en ik mis daadkracht en professionaliteit. Ik heb een behoorlijk hoge standaard en op dat gebied beantwoordt het niet aan mijn eisen. Daarom heb ik besloten dat ik er verder geen deel van wilde uitmaken.”

“De club van 2028 komt maximaal twee per jaar bij elkaar en op die bijeenkomsten wordt gesproken over zaken waar Olympisch Vuur zich op zou richten. Dan gaat het om het verhogen van sportparticipatie - bijvoorbeeld door performance oriented beleid - of een wetenschappelijk instituut voor de sport. Dat zijn allemaal goede ideeën, daar ging het mij niet om. Wel kreeg ik het gevoel dat er weinig met het advies werd gedaan. Ik bracht er energie en ideeën naartoe en zag daar niets voor terug. Daar heb ik geen tijd voor en dan is het toch een simpele economische afweging.”

2. Hoe vindt u dat het verder moet met het Olympisch Plan 2028?
“Ik wil niet ingaan op concrete voorbeelden, dat heb ik intern met Ton Nelissen besproken en hij mag daarmee doen wat hij wil. Ik denk dat Olympisch Vuur in Nederland behoorlijk veel invloed heeft omdat heel veel beleidsplannen verwijzen naar het plan 2028. Het is een leidmotief en het legitimeert op lokaal niveau veel plannen. Dat is denk ik heel goed, maar er is ook sprake van verwarring. Je moet het Olympisch Plan 2028 en Olympisch Vuur niet door elkaar halen. Er is een Olympisch Plan dat er specifiek op is gericht de Olympische Spelen naar Nederland te halen en je hebt Olympisch Vuur dat is bedoeld om Nederland sportief, maar ook cultureel en op allerlei andere terreinen naar een hoger niveau te tillen. Die verwarring ligt voor de hand want het grote publiek koppelt het woord ‘olympisch’ automatisch aan NOC*NSF, terwijl Olympisch Vuur een veel bredere maatschappelijke insteek heeft. Misschien is die verwarring er ook wel de oorzaak van dat al die bewegingen steeds elkaars terrein bevechten. Maar dat is natuurlijk niet professioneel en het komt het Olympisch Plan uiteindelijk niet ten goede.”

“Volgens het oorspronkelijke plan zouden we eraan werken om Nederland op de eerder al genoemde gebieden naar olympisch niveau te tillen. In 2016 zouden we vervolgens besluiten of er een Nederlandse kandidatuur voor de Spelen kon komen die in 2019 zou moeten worden ingediend en de beslissing daarover bij het IOC valt pas in 2021. Door druk vanuit de steden en vanuit de media is de discussie verdraait. De vraag naar draagvlak over een mogelijke olympische kandidatuur op termijn is nog helemaal niet aan de orde. Eerst gaat het erom dat we via Olympisch Vuur werken aan de vitale samenleving. Vergelijk het met het Nederlandse volleybalteam in 1986. Die ploeg had de ambitie om Olympisch kampioen worden. Als Arie Selinger destijds eerst aan de samenleving had moeten vragen of er wel draagvlak was voor dat plan, hadden we in 1996 nooit goud gewonnen in Atlanta. De samenleving wil eerst resultaten zien en dan komt het draagvlak vanzelf.”
 
3. Hoe kun je in het algemeen grote projecten in de sport het beste managen?
“Projecten met de omvang van de Olympische Spelen hebben zo’n grote impact op de infrastructuur, daarbij moet je grote bedrijven betrekken die daar evaring mee hebben. Een bedrijf als Shell heeft ook projecten die meerdere decennia lopen, die expertise moet je erbij halen. Je moet mensen opleiden en zorgen dat je mensen hebt in het internationale bestuursnetwerk. Natuurlijk moet je ook sportmensen zelf erbij hebben, maar je moet er ook rekening mee houden dat iemand die toevallig een paar voetbalschoenen aan heeft gehad of goed een bal over het net kon slaan niet per definitie geschikt is voor dat werk. Ik maak wel eens een vergelijking: in de sport gaat het erom dat je een titel achter je naam krijgt, in de rest van de maatschappij gaat het erom dat je een titel voor je naam krijgt, drs. of dr. of ir. Als iemand succes heeft op een van beide gebieden wordt dat door de omgeving en door de media vaak boven het speelveld uitgetild. Je ziet dan vaak dat iemand die op een van die twee vlakken succes heeft, ook meteen verstand denkt te hebben van de andere kant. Dan krijg je een manager die denkt dat hij wel begrijpt wat een sporter moet doen en een sporter die denkt dat hij wel even een groot bedrijf kan runnen. Dat is niet a priori waar. Sport kan als rolmodel en als metafoor een inspiratiebron zijn voor managers en het bedrijfsleven kan de sport veiligheid en zekerheid bieden. Sporters zijn vaak opportunistisch en het bedrijfsleven stelt hogere prioriteit aan continuïteit. Beide zijn belangrijk bij de organisatie van grote sportprojecten.”

“Wat je vooral niet moet doen is alleen varen op mensen van mijn generatie. De oude managementstructuren van beheers & control zijn niet toereikend voor een project dat pas over zestien jaar gaat plaatsvinden. De mensen uit de protestgeneratie hebben het poldermodel uitgevonden om uit de spiraal van protest en continue strijd te komen. Vervolgens zijn ze dat poldermodel als zaligmakend gaan beschouwen en is overal consensus voor nodig. Dat levert de samenleving als geheel veel op, maar voor afzonderlijke projecten kan het rampzalig zijn. Als iedereen het er altijd mee eens moet zijn, komt er een grauwe sluier over de excellente performance van een land te liggen. Er is moed voor nodig om niet-begane paden te verkennen, daar hoeft niet altijd honderd procent consensus over te zijn. We moeten niet bang zijn jeugdige mensen erbij te betrekken. Zij weten misschien beter hoe de wereld er over zestien jaar uit gaat zien.”

4. Iets anders: de Olympische Spelen van Londen staan voor de deur. Twaalf jaar geleden was uzelf als technisch directeur nauw betrokken bij de Nederlandse olympische afvaardiging in Sydney. Wat zijn de grootste verschillen tussen Sydney toen en Londen nu?
“Sociale media, dat is het allergrootste verschil. Dat is echt nieuw en het brengt de sporter en de fan dichter bij elkaar. Vroeger gingen we ervan uit dat afleiding de prestatie negatief beïnvloedde. Dan gingen sporters naar Papendal in een kale kamer zonder krant of televisie en dat vonden we de optimale omgeving voor concentratie. Inmiddels is gebleken dat mensen zich ook prima op andere manieren kunnen concentreren. Atleten hebben een mobiele telefoon, een laptop en een tablet openstaan voor de wedstrijd, ze klappen de schermen dicht, lopen hun race en bij terugkomst gaan alle schermen weer aan. Dat hoeft de prestatie niet negatief te beïnvloeden. Sociale media brengen de sporter en de fan dichter bij elkaar. Daar heeft de fan behoefte aan en voor sponsors biedt het ook nieuwe mogelijkheden. De atleet moet zich natuurlijk wel realiseren dat die continue communicatie met de fans ook gevaren met zich meebrengt. Verkeerde uitingen kunnen als een boemerang terugkomen. Maar ook: nieuws is maar een paar uur houdbaar… Coaches en atleten moeten zich dus goed voorbereiden.”

“Naast sociale media is er sowieso meer media-aandacht. Alles is groter, maar de processen zijn vergelijkbaar. Wel worden de processen op een hoger niveau uitgevoerd. We hebben een veel professioneler apparaat dat de voorbereiding op de Olympische Spelen verzorgt en de programma’s uitvoert. Er is geen animositeit meer tussen de bonden. Internationale kennis van de sport ligt nu allemaal bij NOC*NSF en dat is duidelijk. Er is een aantal medaillefabrieken, bij zwemmen, judo, hockey, paardensport, zeilen en roeien. In Sydney lieten die sporten hun potentie zien, maar de medaillefabrieken die eruit voortgekomen zijn, waren er nog niet. Wat we als Nederland zijn kwijtgeraakt is de kwaliteit in onze teamsporten. Dat heeft te maken met ontwikkelingen in de samenleving. Met name jongens willen zich meer individueel profileren en ze willen de dingen doen op het moment dat het henzelf uitkomt. Dat is moeilijk te verenigen met teamsport. In de huidige tijd zijn er weinig teamsporten naast voetbal en hockey met een uitstraling van cool en fun. Daarnaast heb je te maken met het wegvallen van structureel gymnastiekonderwijs. Vroeger was er een standaardprogramma: tot de herfstvakantie basketbal, tot de kerst volleybal, tot de paasvakantie handbal en tot slot honkbal en softbal. Dat programma was overal hetzelfde en er waren schooltoernooien die daarop aansloten. Dat paste toen in de samenleving, maar tegenwoordig wordt het allemaal steeds individueler. Dat gaat misschien ten koste van de teamsporten.”

“Toch denk ik dat we best hoge verwachtingen mogen hebben voor Londen. Het is natuurlijk de vraag of je die kunt realiseren want de internationale concurrentie is net als wij twaalf jaar verder. Internationaal richt men zich bovendien op een aantal sleutelprocessen waar wij als Nederland in de jaren 1992-2004 koploper in waren. Het bij elkaar brengen van coaches uit verschillende disciplines, kennisdelen op allerlei vlakken. We hadden destijds een voorsprong als het ging om vrouwenteamsporten. In Londen hebben we de verplichting om in de individuele sporten een medailleoogst te genereren. Maar het blijft belangrijk om in teamsporten uit te blinken. Teamsporten schrijven het verhaal van de spelen. Een team heeft verschillende persoonlijkheden, de waterdrager, de ster, de klaploper. Daarin kunnen mensen zichzelf herkennen. In individuele helden herkennen mensen vooral wat ze zelf niet zijn.”

5. Waarmee houdt u zich momenteel bezig. In een reactie op uw vertrek bij de Club van 2028 in De Telegraaf zei u dat uw DNA toch meer in de kleedkamer ligt. Zien we u ooit nog terug als coach?
“Op dit moment houd ik me bezig met een groot aantal verschillende projecten. Ik werk aan het programma Coaches of Industry van Ernst & Young. Daar slaan we een brug tussen het bedrijfsleven en de sport. Wat kunnen die twee van elkaar leren? Daarnaast geef ik tien keer per jaar presentaties voor het bedrijfsleven; ik zit in de Stichting Meer dan Voetbal, ik ben commissaris bij AZ; ik ben voorzitter van NLcoach en samen met Poul Annema ben ik hoofdredacteur van het blad NLCoach; bij de Infostrada Sports Group werk ik als adviseur met een aantal mensen samen die proberen nieuwe vormen van sportstatistiek te presenteren door middel van second screen- en third screen-oplossingen om op die manier sportstatistieken op een betere manier te presenteren voor media en publiek. Tot slot ben ik ook nog betrokken bij de activiteiten rond het honderdjarig bestaan van het NOC. Ik heb dus genoeg te doen."

"Mijn DNA ligt inderdaad in de kleedkamer, maar een terugkeer als coach, dat moet ik in alle eerlijkheid uitsluiten. Zeg nooit ‘nooit’ in de sport, maar zoals ik er nu tegenaan kijk heb ik dat terrein genoegzaam verkend. Ik heb het met alle plezier gedaan, met succes en minder succes en ik vind het hartstikke mooi om te kijken hoe jonge mensen dat nu doen. Coaches moeten de taal van de sporter spreken en jonge mensen zullen beter aansluiten bij de taal van een nieuwe generatie. Ik ben een coach uit een vorige periode. Als ik nu rondkijk ben ik wel eens jaloers op het niveau van de huidige coaches, maar ik heb ook mijn zorgen. Ik mis de gildemeesters een beetje, types als Louis van Gaal en Henk Gemser. Een goede coach beschikt over drie basisingrediënten: de gildemeester, de wetenschapper en de visionair. De gildemeester brengt de fijne kneepjes van het vak over op anderen, de wetenschapper is op de hoogte van trends en analyses en de visionair weet exact wat hij wil bereiken en wat daar voor nodig is.”

« terug

Reacties: 0

Reactie toevoegen

Naam*
E-mailadres*
Reactie*
Stuur mij een e-mail als er een nieuwe reactie wordt geplaatst