Skip Navigation LinksHome-Nieuws-5 vragen aan...-Item

5 vragen aan Frank Backx, voorzitter VSG-werkgroep Kennisagenda Sportgeneeskunde 16 januari 2018

Frank Backx is hoogleraar klinische sportgeneeskunde aan het Universitair Medisch Centrum in Utrecht. Als sportarts van het eerste uur was hij een van de drijvende krachten achter de ontwikkeling van de sportgeneeskunde in Nederland sinds de jaren tachtig. Vanaf juli 2014 is sportgeneeskunde erkend als zelfstandig medisch specialisme. Dat brengt verplichtingen met zich mee, zoals het opstellen van een Kennisagenda Sportgeneeskunde voor het vakgebied. “Daar kun je niet omheen als je meespeelt op het grote schaakbord”, zegt hij.

door: Leo Aquina | 16 januari 2017

1. U bent een van de pioniers in de Nederlandse sportgeneeskunde. Hoe bent u in het vak terechtgekomen?
“Mijn ouders waren sportief, dus de affiniteit met sport zit bij mij in het bloed. In Breda, waar ik vandaan kom, heb ik van kinds af aan gesport en zelfs nog een blauwe maandag bij NAC gevoetbald. Later ben ik gaan korfballen en zaalvoetballen. Voor mij lag de combinatie sport en geneeskunde dus voor de hand. Tijdens mijn studie werd ik, zoals dat met veel studenten geneeskunde gebeurt, al vaak om advies gevraagd bij blessures. Je bent zo groen als gras, maar toch prikkelt dat om je in de materie te verdiepen.”

XL2-5vragenaanFrankBackx-1“Ik kon op mijn 24ste een huisartsenpraktijk in het noorden van het land overnemen, maar dat zag ik mezelf niet veertig jaar doen. Na twee jaar orthopedie in het Militair Hospitaal heb ik een jaar cardiologie gedaan. Die twee vakken vormen de basis van de sportgeneeskunde. Veel mensen raadden mij aan om cardioloog te worden of orthopeed, maar ik wilde verder met sportgeneeskunde. Dat vakgebied stond toen nog in de kinderschoenen en ik wilde erin verder. Wat er niet is, kun je maken en geleidelijk aan is het de afgelopen decennia uitgegroeid tot een apart medisch specialisme”

“Ik ben in 1991 bij professor Mosterd in Utrecht gepromoveerd op sportblessures bij de jeugd. Als sportarts deed ik destijds de begeleiding bij het Nederlands herenvolleybal en bij de voetbaldames. Nadien heb ik jarenlang het Nederlands korfbalteam begeleid. Ik heb gewerkt met gehandicapte sporters en ik heb een lange periode voor NOC*NSF gewerkt. Dat laatste werk was beleidsmatig met het accent op preventie van blessures en preventie van bewegingsarmoede. Ik heb mijn hele leven altijd verschillende werkzaamheden gecombineerd. Hier op de Universiteit Utrecht is dat nog steeds het geval. Basis is de zogenaamde trias academica: zorg, onderwijs en onderzoek. Als hoogleraar komen daar ook managementtaken bij en in de werkgroep voor de Kennisagenda houd ik me ook bezig met beleid op de langere termijn.”

2. Voordat we ingaan op die Kennisagenda: kunt u een korte schets geven van de ontwikkeling die het vak sportgeneeskunde de afgelopen decennia heeft doorgemaakt? 
“Er is in de loop der jaren enorm veel veranderd. Ik ben me in 1982 gaan specialiseren. Toen was net de eerste gespecialiseerde sportarts in Nederland klaar met zijn vierjarige opleiding: Gee van Enst. Het was allemaal minder georganiseerd. Sportgeneeskunde was iets voor huisartsen, orthopeden of cardiologen die het leuk vonden om het erbij te doen. Het waren allemaal solisten. Tegenwoordig heb ik hier op het UMC een afdeling waar zes sportartsen rondlopen en zo zijn er zestig sportmedische instellingen in Nederland, waarvan een groot deel binnen de ziekenhuizen.”

"Van de huidige 160 sportartsen zijn er 35 gepromoveerd. Dat is het hoogste percentage van alle medisch specialismen in Nederland"

“Ook de sportmedische begeleiding van clubs stond toen nog in de kinderschoenen. Er waren bij de KNVB twee sportartsen - Kessel en Inklaar - die de begeleiding van de hoogste nationale teams deden, maar daar hield het wel mee op. Wij doen vanuit het UMC tegenwoordig de sportmedische begeleiding van FC Utrecht op de club zelf. Zoiets was vroeger ondenkbaar.”

“We waren in 2014 het eerste vakgebied na 35 stille jaren dat een nieuwe erkenning kreeg als medisch specialisme. Van de huidige 160 sportartsen zijn er 35 gepromoveerd. Dat is het hoogste percentage van alle medisch specialismen in Nederland en daar zijn we best trots op. Het vakgebied heeft echt een solide wetenschappelijke basis. Daarmee hebben we onze eigen identiteit zichtbaar kunnen maken ten opzichte van onze founding fathers de orthopedie en de cardiologie.”

XL2-5vragenaanFrankBackx-2

"Onze Kennisagenda is nodig om het onderzoek richting te geven en om er voor te zorgen dat de meest relevante en urgente onderwerpen aan bod komen"

3. Waarom heeft de Vereniging voor Sportgeneeskunde (VSG) het initiatief genomen voor een Kennisagenda?
“We proberen in de geneeskunde zoveel mogelijk evidence based te werken, maar op veel gebieden is er geen keiharde evidence. We baseren het handelen wel op onderbouwde theorieën en ervaring, maar in tachtig procent van de gevallen is er geen keihard wetenschappelijk bewijs. Dat komt vaak omdat het methodologisch moeilijk is om dat harde bewijs boven tafel te krijgen en vaak is er ook te weinig geld om grootschalige studies op te zetten. Onze Kennisagenda is nodig om het sportgeneeskundig onderzoek richting te geven en om er voor te zorgen dat de meest relevante en urgente onderwerpen aan bod komen, waarbij je inspeelt op vraagstukken uit de dagelijkse sportmedische praktijk.”

“We willen de wetenschappelijke basis van het klinisch handelen in de sportgeneeskunde verbreden. Als beroepsvereniging heb je op dat gebied een toenemende verantwoordelijkheid. We hadden binnen de VSG al een 'commissie wetenschap' die is overgegaan in een wetenschappelijke adviesraad, maar met deze werkgroep, die onder de adviesraad valt, hebben we een compleet nieuwe weg ingeslagen. Als zelfstandig medisch specialisme hebben we ons licht opgestoken bij andere beroepsorganisaties, zoals cardiologie en orthopedie. We hebben alle stakeholders bij de inventarisatie betrokken en bottom-up in drie fasen naar een top-tien toegewerkt. Om het proces goed te bewaken hebben we er een externe organisatie bij betrokken. Het departement Bestuurs- en Organisatiewetenschap - kortweg USBO - van de universiteit Utrecht heeft ons procesmatig geholpen. Dat proces heeft alles bij elkaar anderhalf jaar geduurd.”

"De aandoening die we als sportartsen het vaakst zien zijn spier- en peesklachten. Dan is het logisch om eerst naar de hiaten in de kennis daarover te kijken"

4. Jullie hebben tien onderwerpen op de Kennisagenda Sportgeneeskunde gezet. Hoe zijn jullie tot deze tien onderwerpen gekomen?
“De belangrijkste criteria waren prevalentie en urgentie. Hoe vaak komt iets voor en wat is de impact hiervan. De aandoeningen die we als sportartsen het vaakst zien zijn spier- en peesklachten. Dan is het logisch om eerst naar de hiaten in de kennis daarover te kijken, in plaats van naar een exotisch syndroom dat maar eens in de tien jaar voorkomt. We hebben uit onze eigen jaarverslagen en uit internationale wetenschappelijke publicaties een goed beeld van de prevalentie van verschillende klachten.”

“De urgentie is lastiger te meten. Welke criteria moet je hierbij hanteren? Is het invaliderend, career ending? Of is het iets waarmee je nog prima tachtig jaar kunt sporten? Dat zijn ook zaken die mee hebben gewogen bij het bepalen van de onderwerpen op de Kennisagenda.”

“Als sportgeneeskunde hebben we traditioneel veel aandacht voor preventie. Daar zijn we ooit begonnen. Al tijdens de Olympische Spelen van 1928 in Amsterdam werden de eerste stappen op het gebied van preventie gezet. Preventie heeft twee belangrijke aandachtspunten. Hoe voorkom je blessures, en hoe voorkom je plotselinge hartdood. Er waren tot voor kort drie colleges in de geneeskunde: voor de huisartsen, de medisch specialisten en de sociale geneeskunde. Vóór 2014 was sportgeneeskunde onderdeel van de sociale geneeskunde. Daar staat preventie centraal. Naarmate we meer in het ziekenhuis gingen werken, is er ook meer aandacht gekomen voor de diagnostiek en behandeling van sportgerelateerde klachten. Dat zie je terug in de Kennisagenda, maar er blijft ook nog altijd aandacht voor preventie.” 

XL2-5vragenaanFrankBackx-3“We maken onderscheid tussen primaire en secondaire preventie. In het eerste geval gaat het om het voorkomen van aandoeningen en in het tweede geval om het voorkomen van recidive. Gebleken is dat tussen de twintig en dertig procent van de sportblessures binnen drie tot vier jaar terugkomt. Het loont dus zeer de moeite om als sportarts tips te geven hoe een herhaling te voorkomen is. Preventie komt bijvoorbeeld nadrukkelijk aan de orde in punt 7 van de Kennisagenda: ‘Op welke manier kan een beweeginterventie als additionele therapie dienen bij een (chronische) aandoening en wat is de effectiviteit van deze beweeginterventie?’ 

Daar is nadrukkelijk aandacht voor beweeginterventie als onderdeel van therapie of in het kader van primaire of secundaire preventie.’ Punt 10 draait zelfs volledig om preventie: ‘Welke onderdelen van het preventief sportmedisch onderzoek (PSMO) hebben een voorspellende waarde op het ontstaan van klachten bij sport en bewegen?’ We zoeken echt naar goede wetenschappelijke onderbouwing van preventief sportmedisch onderzoek.” 

“Ook bij punt 5, ‘Welke parameters hebben een voorspellende waarde bij het ontstaan en herstel van overbelasting bij (top)sporters?’, is preventie een groot onderdeel. Sportartsen hebben vaak te maken met inspanningsgerelateerde klachten. Hoe onderzoek je dat? Een dokter is opgeleid om een patiënt te onderzoeken die stil op een bank ligt, maar dat is dus in rust. Als jij bij mij komt met klachten die zich voordoen na twaalf kilometer hardlopen, heb ik liever dat je vooraf die provocatie opwekt en we met dynamische testen de klacht kunnen opwekken om tot een juiste diagnose te komen." 

"De kernactiviteiten van de geneeskunde zijn diagnostiek, preventie, behandeling en revalidatie"

"Het is niet alleen voor topsporters interessant om te onderzoeken welke parameters over het algemeen vaak leiden tot klachten. Ook bij recreanten kom je dezelfde overbelastingsklachten tegen. Die kunnen veroorzaakt worden door sport, maar het kan ook te maken hebben met inspanningen die mensen in hun dagelijks werk verrichten. De oorzaak van knieklachten bij een crècheleidster die in de avonduren volleybalt, liggen misschien eerder in het feit dat zij dagelijks tientallen keren kleine kinderen optilt, dan in die volleybaltraining twee keer in de week. Maar zij voelt het pas op het volleybalveld. Dat zijn zaken waar wij ons als sportarts bewust van zijn.”

“De kernactiviteiten van de geneeskunde zijn diagnostiek, preventie, behandeling en revalidatie. We hebben binnen de top-10 op de Kennisagenda gekeken of er minstens één van die kerntaken aan bod kwam. Alle tien genoemde onderwerpen wegen even zwaar. Het is zeker niet zo dat punt 1 belangrijker is dan punt 10.” 

“Er is binnen de top-tien veel aandacht voor spieren en pezen. Wij noemen onszelf ook wel eens de weke-delen-specialisten. Andere specialismen hebben ook aangegeven dat daar een groot deel van onze kracht en expertise ligt. De samenwerking met fysiotherapeuten is daarbij eveneens heel belangrijk. De eerste vier punten op de Kennisagenda gaan daar allemaal in meer of mindere mate over. Deze onderwerpen zitten allemaal meer aan de orthopedische kant van de sportgeneeskunde." 

“Nouri? Je zou wensen dat je alles van tevoren zou kunnen bekijken en uitsluiten"

"Natuurlijk is er in de Kennisagenda ook aandacht voor die andere founding father, de cardiologie. We werken veel met de zogenaamde CPET (Cardio Pulmonary Exercise Testing), waarbij sporters een maximale inspanningstest ondergaan met een neuskapje voor de ademgasanalyse. We krijgen wel eens het verwijt dat we iemand bij een Groot Sportmedisch Onderzoek - GSO - helemaal door de molen halen, dat we uitgebreid testen en uiteindelijk niets geks tegenkomen. Die goedkeuring is nog altijd geen garantie op gezondheid. Iemand kan twee minuten later dood neervallen. Hoe betrouwbaar en hoe valide en voorspelbaar zijn onze metingen dan? Welke waarden hebben welke betekenis? We zijn ervan overtuigd dat we daar nog veel meer uit kunnen halen.” 

“Nouri? Je zou wensen dat je alles van tevoren zou kunnen bekijken en uitsluiten. Wellicht dat we met het verbreden van onze kennis op dit gebied dergelijke drama’s in de toekomst toch kunnen beperken. Maar dat levert direct weer een ander probleem op. Wat doe je met die extra kennis? Stel dat je binnen een familie weet dat een talentvolle sporter een genetische aandoening aan de hartspier heeft? Wat moet je die mensen adviseren? Moeten ze helemaal stil gaan zitten of moet je ze voor sport afkeuren en daarmee (top)sport ontzeggen? Ook om beter met dat soort zaken om te kunnen gaan is meer research nodig.”

5. Het is natuurlijk mooi om zo’n Kennisagenda Sportgeneeskunde op te stellen, maar hoe gaan jullie er nu voor zorgen dat daar ook daadwerkelijk invulling aan wordt gegeven? En hoeveel geld hebben jullie daarvoor nodig?
XL2-5vragenaanFrankBackx-4“Idealiter heb je voor een goede studie gemiddeld vier tot vijf ton nodig. Als je op alle tien de punten de komende vijf tot tien jaar een goed onderzoek wil neerzetten, kost dat dus ongeveer vijf miljoen euro, maar dat geld is er simpelweg niet. Sportgeneeskunde heeft altijd veel steun gehad vanuit het ministerie van VWS. Tot een paar jaar geleden vielen we onder de 'S' van VWS, tegenwoordig zitten we ook voor een groot deel bij de 'V' van volksgezondheid. Het geld dat vanuit VWS beschikbaar is voor sport en gezondheid wordt verdeeld door ZonMw en NWO. Voor onze Kennisagenda Sportgeneeskunde moeten we het daarvan hebben." 

"Ook aan de Kennisagenda Sport uit april 2017, die ik ook mee heb helpen schrijven, zijn subsidiemogelijkheden gekoppeld. Daarin staat sport voorop en is gezondheid secundair. En dan is er ook nog een ZonMw-programma voor de preventie van sportblessures met een beperkte hoeveelheid geld. Daar zetten we als VSG natuurlijk op in. En natuurlijk verwachten we dat zorgverzekeraars ook het nut van onze interventies inzien om daarin te investeren.” 

"Het vormen van consortia is de sleutel om te komen tot sterke bundeling van expertise. Dat is ook een vorm van teamsport en daar zijn we in Nederland best goed in”

“Het is in ieder geval belangrijk dat de Kennisagenda Sportgeneeskunde niet als een droog stuk onderin de la verdwijnt. We hebben de wetenschappelijke adviesraad om er daadwerkelijk invulling aan te geven. Nederland is een vrij overzichtelijk land. We weten waar de kwaliteiten en de onderzoeksexpertise voorhanden is. Vijf universiteiten - in Groningen, Maastricht, Utrecht, Rotterdam en in Amsterdam de VU  - zijn al langer gebundeld in het LOSO, het Landelijk Overleg Sportgezondheids Onderzoek." 

"Daarin hebben we al vijftien jaar afspraken over speerpunten van onderzoek in de sportgezondheidszorg. Dat werd in het verleden sterk gestuurd door de geldstroom vanuit ZonMw en dat willen we nu omdraaien. Als beroepsgroep hebben we eerst gekeken waar behoefte aan is, in de hoop daar vervolgens geld voor vrij te kunnen maken. Naast de universiteiten zoeken we ook nadrukkelijk samenwerking met de hogescholen en met het bedrijfsleven. Het vormen van consortia is de sleutel om te komen tot sterke bundeling van expertise. Dat is ook een vorm van teamsport en daar zijn we in Nederland best goed in.”

Voor meer informatie: top-tien onderzoeksvragen Kennisagenda Sportgeneeskunde

UU Portret Hoogleraar Frank Backx, Focusgebied Sport & Society from Ruud Bisseling on Vimeo.

« terug

Reacties: 0

Reactie toevoegen

Naam*
E-mailadres*
Reactie*
Stuur mij een e-mail als er een nieuwe reactie wordt geplaatst