Skip Navigation LinksHome-Achtergronden-Werkende wetenschap-Item

De meerwaarde van georganiseerd sporten(?) 5 maart 2013

door: Rob Pijpers

De IJslandse onderzoekers Thórdis Lilja Gísladóttir, Ásrún Matthíasdóttir en Hafrún Kristjánsdóttir (hoe zouden hun handtekeningen eruit zien?) snijden in hun nog niet gepubliceerde artikel een actueel en belangrijk thema aan in deze tijd van bezuinigingen: wat schiet ‘de maatschappij’ er mee op als er wordt geïnvesteerd in georganiseerde sport?

In de eerste zin van hun abstract zetten de onderzoekers meteen de toon: 'Sports clubs create conditions for people of all ages to pursue a healthy lifestyle through exercise in sports and attend to constructive pedagogical work which creates much value for society.' Vrij vertaald, je zou als maatschappij wel oliedom zijn om niet in georganiseerde sport te investeren, want de investering betaalt zich dubbel en dwars terug.

De voordelen van regelmatig bewegen zijn overbekend en worden gestaafd door een bulk aan onderzoek. Het helpt om ziektes te voorkomen en je voelt je fitter en sterker. Regelmatig bewegen geeft de ontwikkeling van overgewicht minder kans, verkleint de kans op de ontwikkeling van cardiovasculaire ziektes en geeft een positiever zelfbeeld. Samengevat, bewegen heeft een positieve invloed op de algemene gezondheid en het verhoogt de kwaliteit van je leven.

Gezien de positieve aspecten van bewegen is het des te merkwaardiger dat er vrijwel geen onderzoek is gedaan naar de effecten van het sporten in georganiseerd verband. Heeft zo’n georganiseerde leeromgeving – toch het doel van sportclubs – een meerwaarde ten opzichte van ‘alleen maar’ het verrichten van fysieke activiteit? Is het zo dat wanneer de sportsetting het vormen van sociale relaties probeert te stimuleren en waar plaats is om te leren dealen met winnen en verliezen, extra positieve effecten worden bewerkstelligd?

Het zijn interessante vragen die de onderzoekers van de Universiteit van Reykjavik opwerpen en verwachtingsvol las ik verder…

De onderzoekers ondervroegen 10.987 IJslandse scholieren in de leeftijd van 14 tot 16 jaar oud en probeerden van hen een beeld te vormen van hoe zij aankeken tegen hun lichaamsbeeld, tegen hun mentale en fysieke conditie, en wat hun verwachtingen waren van hun (toekomstige) opleiding, werk en levensgeluk. De onderzoekers deelden de scholieren in in een groep scholieren die vaak in georganiseerd verband sport, een groep scholieren die dat af en toe doet, en een groep scholieren die dat nooit doet.

De resultaten lieten zien dat de scholieren die vaak in georganiseerd verband sporten, zich fysiek en mentaal beter voelden dan de scholieren die dat minder vaak of helemaal niet doen. Ook bleek dat scholieren die vaak in clubverband sporten de toekomst met meer vertrouwen tegemoet zien dan de scholieren uit de twee andere groepen. Zonder meer interessante resultaten, maar de nieuwswaarde ervan is betrekkelijk gering. De prangende vraag of de gunstige effecten zijn toe te schrijven aan juist het georganiseerd sporten, blijft onbeantwoord: de onderzoekers concluderen dat het onhelder is of de effecten te maken met '… the physical activity itself' of met '… the culture of the sports clubs, for example, the social and learning environment'. Toch een beetje blij gemaakt met een dode mus…?

Waarom aandacht besteden aan een onderzoek waar eigenlijk niet zo veel spectaculairs uitkomt, zult u zich misschien afvragen. Het heeft, denk ik, te maken met passie voor bewegen. Of beter gezegd, met passie voor sporten omdat sporten zoveel meer is dan bewegen (rennen om het rennen, vind ik niets, dat verandert op het moment dat er een bal in het spel is.) Artikelen die in het vooruitzicht stellen dat in georganiseerd verband sporten een surplus value heeft ten opzichte van bewegen om het bewegen, kunnen daarom op mijn onverdeelde aandacht rekenen (een bias ik geef het toe, en - ook toegegeven - die namen van die IJslanders trokken ook mijn aandacht).

De basis voor mijn fascinatie voor sport (en bewegen) is gelegd tijdens mijn basisschoolperiode, door ‘meester D’. Omdat sporten zoveel meer is dan bewegen (denk ik) en omdat Gísladóttir, Matthíasdóttir en Kristjánsdóttir er niet in slaagden ‘hard’ bewijs te leveren voor die stelling, beschrijf ik hieronder anecdotal evidence waarom ik die mening ben toegedaan. Het is tevens een klein eerbetoon aan meester D.

Klein eerbetoon aan meester D.
Meester D. was leraar lichamelijke oefening en gaf les in klas 5 en 6 van de lagere school waar ik destijds op zat. Meester D. was streng, heel streng. Wanneer hij de deur van de gymzaal dicht had getrokken, kwam je er niet meer in. Was je te laat dan diende je als straf voor het te laat komen een opstel te schrijven over het nut van lichamelijke oefening. Dat besprak hij vervolgens met de telaatkomer. Wanneer het opstel hem niet beviel (en dat was vaak zo), diende je opnieuw een opstel te schrijven over (a) waarom je eigenlijk te laat kwam en (b) waarom je zo’n slecht opstel had geschreven. Zo kon dat enkele rondes doorgaan.

In de les leek meester D. alles te zien. Met gestrekte benen met je vingers de grond aanraken, was ook met gestrekte benen met je vingers de grond aanraken, een beetje smokkelen werd onmiddellijk afgestraft. Aan onsportiviteit had hij een enorme hekel en hij kon ten overstaan van de hele klas uitvaren tegen degenen die zich daaraan bezondigden.

Pedagogisch verantwoord? Beroemd en voor sommigen berucht waren de momenten waarop hij onze prestaties ging beoordelen. Daar zaten we dan, een stel jongens in ondergoed op een rijtje op de bank en starend naar onze zweetvoeten. Een voor een werden we naar voren geroepen en dienden we bijvoorbeeld te demonstreren hoe goed we ballen konden vangen. Meester D. lette niet alleen op de technische uitvoering, maar beoordeelde ook je inzet en de wijze waarop je je presenteerde. Zo kon het gebeuren dat ook al ving je geen bal, je toch met een voldoende naar huis ging… als je maar inzet toonde. Geweldig kwaad kon hij worden wanneer het zitten op de Zweedse bank ons wat te lang ging duren en we begonnen te donderjagen: je diende aandacht te hebben voor de prestaties van de ander!

Maar toch, we droegen meester D. op handen. Er werd veel gelachen en we leerden veel van hem; niet alleen de spreidsprong over de kast, vogelnestjes, vouwhang, enzovoorts, maar ook hoe je door goed samen te werken bijvoorbeeld een menselijke toren kunt bouwen of hoe je een zaal ‘binnentrad’. Respect hebben voor elkaar was een terugkerend thema in zijn lessen, dus ook respect hebben voor degenen die wat minder talent hebben voor bewegen.

Hij hielp ons bij de keuze voor een bepaalde sport door in zijn lessen vrijwel alle takken van sport aan bod te laten komen en gevraagd, maar vooral ook ongevraagd, advies te geven. Meester D. beperkte zijn adviezen niet tot louter het gebied van het bewegingsonderwijs, maar trok het breder, bijvoorbeeld over abstracte begrippen als verantwoordelijkheid. Degenen die wat meer konden, kregen ook meer taken en meer verantwoordelijkheden. Bij iedereen vond hij sterke punten waar hij handig gebruik van maakte. Zo bleek Jan Dikzak (er zaten vijf Jannen in onze klas die we onderscheidden op basis van fysieke kenmerken) de beste scheidsrechter van de klas te zijn, want ook dat moesten we leren van meester D: wedstrijdjes leiden, je gezag laten gelden en het gezag van je klasgenoot erkennen; de scheids heeft altijd gelijk.

Ik ben nooit te laat gekomen bij de lessen van meester D. – voor die lessen was ik altijd te vroeg. Ik heb dus ook nooit een opstel over het nut van lichamelijke opvoeding hoeven te schrijven. Nu, tientallen jaren later en in een heel andere setting, heb ik dat alsnog gedaan en hopelijk laat dat zien hoeveel facetten georganiseerd sporten kent (ik schaar gymlessen gemakshalve ook onder georganiseerd sporten). Nu maar hopen dat het bovenstaande meester D.’s goedkeuring kan wegdragen… Ik zou het hem graag willen vragen.

Literatuur
Gísladóttir, T.J., Matthíasdóttir, A., & Kristjánsdóttir, H. (In druk). The effect of adolescents’ sports clubs participation on self-reported mental and physical conditions and future expectations. Journal of Sports Sciences.

Rob Pijpers is als docent werkzaam bij de Faculteit der Bewegingswetenschappen (FBW), Vrije Universiteit te Amsterdam en als docent/onderzoeker werkzaam bij EXPOSZ, een van de expertisecentra van de FBW. Zijn onderzoek richt zich op de effecten van nervositeit op het perceptueel-motorisch handelen. Hij is één van de oprichters, en de huidige opleidingscoördinator, van de Postacademische Opleiding tot Praktijksportpsycholoog. Pijpers maakt deel uit van de redactie van het tijdschrift Sportpsychologie Bulletin.
« terug

Reacties: 0

Reactie toevoegen

Naam*
E-mailadres*
Reactie*
Stuur mij een e-mail als er een nieuwe reactie wordt geplaatst