Skip Navigation LinksHome-Achtergronden-Werkende wetenschap-Item

Boze ouders langs de lijn 24 januari 2012

door: Vana Hutter

Veel coaches, sportbestuurders en scheidsrechters hebben een moeizame relatie met de ouders van hun pupillen. Wie kent niet het stereotype van de tierende vader of moeder, die vindt dat de coach en scheids geen goed kunnen doen en over wie wordt gefluisterd dat hij of zij frustraties over een eigen mislukte sportcarrière botviert op de kinderen? In Nederland is recentelijk de Sire campagne ‘Geef kinderen hun spel terug’ gestart. Deze campagne is er op gericht om te fanatiek gedrag van ouders bespreekbaar te maken. Eén van de oorzaken voor ongepast gedrag van ouders op het sportveld is volgens de campagne en bijbehorend onderzoek opgekropte doordeweekse stress.

Wie je er ook naar vraag, iedereen heeft een mening over het gedrag van ouders langs de lijn. Boeiender is de vraag wat de sportende kinderen er eigenlijk van vinden. Ook is tot op heden vooral onderzocht hoe ouders zich gedragen en nog maar nauwelijks waarom ze zich zo gedragen. Een recent verschenen onderzoek van Omli en LaVoi (2012) behandelt de vraag wat de kinderen zelf vinden en de vraag waarom ouders zich zo ‘misdragen’.

Een te grote betrokkenheid van ouders in de sport is volgens deze auteurs geen nieuw probleem en er is in de praktijk al flink geëxperimenteerd met verschillende aanpakken. Voorbeelden zijn ‘silent sunday’ waarbij ouders geen geluid mogen maken, strafmaatregelen (ouders kunnen een boete krijgen), gedragscodes die met ouders afgesloten worden of een educatieve insteek. De effectiviteit van deze verschillende soorten interventies blijkt helaas nauwelijks aangetoond of onderzocht.

Wat vinden de sportende kinderen zelf?
De onderzoekers hebben kinderen gevraagd welk gedrag van ouders zij zien (en onthouden) in de sportpraktijk. De kinderen noemden zaken als juichen, schreeuwen tegen de scheidsrechter, instructies roepen, et cetera. Alle gedragingen die de kinderen waarnemen, zijn door de onderzoekers geclassificeerd in drie verschillende rollen die ouders kunnen vervullen:
• de rol van de ouder als supporter (NOOT 1) waarbij gedrag past als stil doch aandachtig kijken, aanmoedigen en juichen, en het prijzen van de sporters op gepaste momenten;
• de rol van de ouder als veeleisende coach, waarbij gedragingen horen als het schreeuwen van instructies en advies en het uiten van kritische aanmoedigingen;
• de rol van de ouder als losgeslagen fan, leidend tot ruziënd, verwijtend, afbrandend gedrag en zeer fanatieke aanmoedigingen.

Het zal niemand verbazen dat uit het onderzoek blijkt dat de kinderen het liefst hebben dat ouders zich als supporter gedragen, en niet als veeleisende coach of losgeslagen fan. Ze hebben dus het liefst dat hun ouders met aandacht, maar niet te veel geluid hun prestaties gadeslaan, en zo af en toe een verdiende aanmoediging of compliment uitdelen.

In eerder onderzoek zijn kinderen gevraagd welke regel ze zouden stellen voor het gedrag van ouders als ze maar één regel zouden mogen geven. De regel die meer dan de helft van de kinderen zou willen stellen? Dat de ouders zich positief, bemoedigend en niet-kritisch moeten gedragen. Ook wil een groot deel van de kinderen als regel dat de ouders niet schreeuwen tegen de scheidsrechter. Kortom, de tierende ouder is niet alleen een doorn in het oog van de coach, scheidsrechter of andere ouders, maar ook van de sportende kinderen zelf.

Waarom ‘misdragen’ de ouders zich?
Het is duidelijk (en logisch) wat de kinderen vinden van het gedrag van hun ouders en welk gedrag de kinderen van hun ouders willen zien. Waarom gaat het dan toch mis? Volgens Omli en LaVoi weten we eigenlijk nog maar bar weinig over de redenen en mechanismes achter wangedrag van ‘sportouders’. Vaak wordt gedacht dat de sportdeelname van het kind een soort ‘plaatsvervangende’ ervaring is voor de ouders. Het wetenschappelijk bewijs dat deze ‘plaatsvervangende betrokkenheid’ een oorzaak is voor wangedrag ontbreekt echter. Wel duidelijk is dat het kijken naar sportprestaties van kinderen voor ouders een emotionele aangelegenheid is. Het hanteren van de emoties die het kijken en supporten met zich mee brengt, gaat niet elke ouder even gemakkelijk af, en de ervaren emoties leiden bij sommige ouders tot ongewenst gedrag.

Emoties en gedrag zijn dus zeer sterk aan elkaar gerelateerd. Het is goed om te kijken welke emotie hoort bij het ongewenste gedrag van de ouders. Omli en LaVoi richten zich specifiek op boosheid of gevoelens van woede. Vanuit boosheid kunnen ouders gaan schreeuwen en zich overmatig met de sport bemoeien. Juist uitingen van boosheid blijken bovendien het schadelijkst te zijn voor het welzijn van kinderen in de sport. De onderzoekers vroegen 773 ouders van sportende kinderen naar wat hen boos maakt tijdens de sportbeoefening van hun kind. Uit een analyse van alle antwoorden bleek dat de boosheid van de ouders gewekt wordt door vier groepen betrokkenen in de sport: coaches, scheidsrechters, de sporters en andere ouders.

De zaken die ouders boos maken zijn door de auteurs gelabeld als drie hoofdcategorieën: ‘onrechtvaardigheid’, ‘onzorgvuldigheid’ en ‘onbekwaamheid’. Ouders worden boos op coaches en scheidsrechters die niet eerlijk, niet neutraal of niet oprecht zijn. Denk daarbij aan onterechte of partijdige beslissingen van scheidsrechters of het niet eerlijk verdelen van speeltijd door coaches. Ook waren de ouders in het onderzoek boos om een coach die zijn/haar eigen kind of diens vrienden voortrekt. Dit valt onder het label ‘onrechtvaardigheid’.

Met onzorgvuldig gedrag wordt gedrag bedoeld dat niet empatisch of zorgzaam is, en waarin geen oog is voor ieders belang. Een voorbeeld hiervan is overmatig schreeuwen tegen de sporters door coaches of andere ouders. Ook onsportief gedrag of een gebrek aan inzet van de sporters valt onder ‘onzorgvuldigheid’. Onbekwaamheid hangt vaak samen met een, in de ogen van de ouders, gebrek aan ervaring, kennis van de regels of inzicht in het spel aan de kant van coaches en scheidsrechters.

Interessant is dat niet elke betrokken partij hetzelfde verweten wordt. Bijvoorbeeld, sporters mogen van de ouder best onbekwaam zijn, als ze maar wel zorgvuldig zijn. In Tabel 1 is samengevat waar ouders in de sport boos van worden (de rode vakjes). Ouders ervaren boosheid als zij vinden dat de scheidsrechter of coach onrechtvaardig handelt. De sporters zelf of andere ouders verwijten ze geen onrechtvaardigheid, of ze worden daar niet boos om. Hetzelfde geldt voor onbekwaamheid. Onbekwame coaches en scheidsrechters maken ouders pissig, maar onbekwame sporters (of andere ouders) hebben dit effect op ouders niet. Sterker nog, niet één van de 773 ouders zei boos te worden van onbekwame sporters. Gelukkig mogen kinderen dus nog gewoon fouten maken of niet zo goed zijn, zonder de toorn van de ouders te wekken. Tot slot blijkt uit het onderzoek dat onzorgvuldige scheidsrechters geen reden zijn voor boosheid, onzorgvuldig gedrag van coaches, sporters of andere ouders wel.

Tabel 1 | Wie doet wat waar ouders boos van worden?

  onrechtvaardigheid onzorgvuldigheid onbekwaamheid
coach      
scheidsrechter      
sporter      
andere ouders      


Wat betekent dit voor de praktijk?
Umli en LaVoi concluderen dat de boosheid van ouders wordt getriggerd door een relatief klein, en voorspelbaar scala aan gebeurtenissen. Een belangrijke conclusie is dat ouders normaal gesproken boos worden omdat zij vinden dat de scheidsrechter, de coach, de sporter of andere ouders zich onrechtvaardig, onzorgvuldig of onbekwaam gedragen.

De sport is een sociaal systeem met velen betrokkenen, zoals coaches, sporters, ouders, scheidsrechters. Om het gedrag van één schakel in het systeem (bijvoorbeeld de ouders) te beïnvloeden, moeten we het gehele systeem betrekken. Het is te makkelijk om te zeggen dat alleen ‘de ander’ - in dit geval de ouders - hun gedrag moeten veranderen. De sportbeleving van de kinderen is een gedeelde verantwoordelijkheid waarin ieder zijn rol moet vervullen. Zo blijkt uit dit onderzoek onder andere dat het voor het gedrag van de ouders langs de lijn van belang is dat coaches rechtvaardig handelen. Hun verantwoordelijkheid is het om zich optimaal te ontwikkelen als scheidsrechter en coach en zo veel mogelijk ervaring op te doen. De coach vervult dus een belangrijke voorbeeldfunctie voor de ouders! De voetbalcoach uit de reclame van Pieter van den Hoogenband is een hartverwarmend voorbeeld hiervan.

Natuurlijk dienen ook de ouders te leren accepteren dat coaches en scheidsrechters fouten kunnen maken. Dat zou een hoop boosheid, en daarmee wangedrag, schelen. Bovendien zijn ook ouders zelf een belangrijk rolmodel voor hun ‘collega-ouders’. Door je te gedragen zoals je wilt dat andere ouders zich gedragen, beïnvloed je de cultuur langs de lijn.

Als we allemaal sportiviteit promoten, sporters simpelweg hun best doen, de coach en de scheidsrechters hun taak zo goed mogelijk uitvoeren en ouders zich meer bewust worden van hun functie als rolmodel, krijgen we de sportouders die kinderen willen: een zorgzame supporter in plaats van boze ouder.

Leestip
Omli, J. & LaVoi, N.M. (2012). Emotional experiences of youth sport parents I: Anger. Journal of applied sport psychology, 24, 10-25.

NOOT 1
In het Engelstalige artikel wordt de term ‘supportive parent’ gebruikt. De term ‘supportive’ laat zich in deze context lastig in het Nederlands vertalen, gekozen is voor de term ‘supporter’.

Vana Hutter werkt als docent/adviseur/onderzoeker bij EXPOSZ, faculteit der Bewegingswetenschappen, Vrije Universiteit Amsterdam. Zij is sportpsycholoog VSPN® en inspanningsfysioloog en kent de sportpraktijk van binnen uit, door haar werk in de top- en breedtesport. Zij is één van de oprichters van de post-academische opleiding tot praktijksportpsycholoog en bestuurslid van de Europese federatie voor sportpsychologie (FEPSAC).

« terug

Reacties: 2

-
24-01-2012
Interessante en concreet uitgewerkte analyse vanuit het perspectief van de ouders. Logische vervolgstap lijkt me is te analyseren waarom en op welke momenten coaches en scheidsrechters zogezegd onzorgvuldig, onrechtvaardig en onbekwaam handelen. Zit er een intentie achter of niet? Fluit een scheidsrechter daadwerkelijk partijdig? Vanwege ieders betrokkenheid is objectiviteit vermoedelijk ver te zoeken. Wat kan hieraan worden gedaan? Hoe worden persoonlijke belangen, gedeelde belangen (voor zover dat überhaupt mogelijk is in wedstrijdverband)? Aan onzorgvuldigheid en onbekwaamheid kan gewerkt worden, maar de uitdaging zit in het rechtvaardig handelen. Astrid Cevaal, Mulier Instituut
-
26-01-2012
In aanvulling op reactie van Astrid Cevaal: helemaal mee eens Astrid! Verder: Uit het onderzoek blijkt weer overduidelijk hoe kinderen graag zien dat ouders hun rol en verantwoordelijkheid nemen langs de lijn. Ouders (en ook coaches) dragen bij in het plezier van kinderen in sport. Plezier zorgt er vervolgens weer voor dat je vaker sport en beweegt en dat je zo ook meer leert! Ouders (maar ook trainer-coaches) hebben een taak om kinderen uit te dagen initiatief te nemen en fouten te mogen maken en dat alles zonder er tijdens en na de wedstrijd op afgerekend te worden door je vader, moeder of je coach. De coach kan 'onbekwaam' handelen' zoveel mogelijk voorkomen door zich te bekwamen en een technische opleiding bij haar of zijn sportbond te volgen. Ouders kunnen niet echt op "cursus" maar kunnen wel door de vereniging beter geïnformeerd, betrokken en ingezet (als vrijwilliger) worden. Uit onderzoek (Ouders Graag Gezien) blijkt dat een vereniging die aandacht en tijd investeert in ouderbetrokkenheid een betere relatie opbouwt en meer vrijwilligers uit ouders krijgt. Ook het aanspreken van ouders (wat lastig is komt uit het onderzoek van Sire) wordt dan makkelijker omdat je elkaar kent en weet wat er van elkaar verwacht wordt. Dus geen cursus maar wel investeren in die relatie met ouders zou ik zeggen!!

Reactie toevoegen

Naam*
E-mailadres*
Reactie*
Stuur mij een e-mail als er een nieuwe reactie wordt geplaatst