Skip Navigation LinksHome-Achtergronden-Sporten en bewegen in 2032-Item

Sportethiek in 2032 11 januari 2022

door: Jan de Leeuw

De vraag naar de sportethiek in 2032, als feitelijk en gewenste sportmoraal, is op dit moment uiterst actueel. NOC*NSF werkt immers aan een ‘sportagenda’ voor 2032. Het gaat om een beleidsstuk waarin wordt verwoord welke ambitie de nationale sportkoepel heeft voor de sport in de komende tien jaar en wat de hoofddoelstellingen zijn van beleid. Een dergelijk stuk zal impact hebben op de waarden en normen van sportbeoefenaars (de sportmoraal) in de toekomst.

De misstanden die afgelopen jaren bekend werden in sporten als turnen, hockey en triatlon hebben het thema ‘sportethiek’ centraal geplaatst in de discussie over het toekomstig sportbeleid. Het roept ook de vraag op naar de relatie tussen het in het verleden gevoerde beleid (onder andere de top-10 ambitie) en bepaalde vormen van topsportcultuur die tot een onveilig sportklimaat leidden. Ook is de vraag of een sportwet andere accenten zou kunnen leggen in de sportcultuur in Nederland.

"Topsport werd door de overheid gezien als symbool voor ambitie en als bron van ontspanning"

De topsportambitie van NOC*NSF
In de periode tussen 2016 en 2021 hanteerde NOC*NSF twee hoofddoelstellingen in haar beleid. Wat betreft breedtesport was het oogmerk om meer mensen wekelijks gedurende een langere periode te laten sporten, georganiseerd of ongeorganiseerd. Dat was de breedtesportambitie. Een tweede hoofddoelstelling was om Nederland bij de top-10 van de mondiaal best presterende landen te laten horen. Dat was de topsportambitie.

De tweede ambitie van NOC*NSF vertaalde zich onder andere in een beleid van financiële ondersteuning door de sportkoepel van alléén díe sporten die kansrijk waren wat betreft medailles en dus bijdroegen aan deze topsportambitie. Dit was het ‘focusbeleid’.

JanDeLeeuw-1Steun Nederlandse overheid voor de top-10 ambitie
Sinds 2005 steunde de Nederlands overheid de top-10 ambitie van de sportkoepel. Topsport werd door de overheid gezien als symbool voor ambitie en als bron van ontspanning (Tijd voor sport, 2005). Topprestaties van Nederlandse sporters zouden bevorderlijk zijn voor de Nederlandse economie en het imago van ons land in het buitenland versterken. Bovendien was de veronderstelling dat topsporters burgers zouden inspireren om zélf aan sport te doen. De Nederlandse overheid investeerde afgelopen jaren in het stimuleren van een professioneel topsportklimaat, het positieve imago van de sport (zoals dopingbestrijding) en de organisatie van topsportevenementen in Nederland.

In feite werd sport, zeker topsport, een ‘verdienmodel voor de overheid’, aldus Joop Alberda (Van Schuchtelen 2021). De instrumentalisering van (top)sport door de Nederlandse overheid voor politieke doeleinden is formeel daarmee niet anders dan in landen die in het verleden, en ook nu nog, ondemocratisch geregeerd werden. Overigens: ook in democratische landen wordt topsport gebruikt voor politiek-strategische doeleinden. De sportwetenschap speelt hierbij ook een rol door vergelijkend internationaal onderzoek te doen naar de effectiviteit van overheidsinvesteringen in topsport voor topsportsucces (SPLISS-onderzoek). De resultaten van dat onderzoek kunnen door overheden worden meegenomen in toekomstig beleid.

TeamNL: ‘de commerciële ploeg van de Nederlandse overheid’
Het NOC*NSF speelde slim in op het beleid van de overheid door de Nederlandse afvaardiging van de atleten bij Olympische Spelen de merknaam ‘TeamNL’ te geven. De sportkoepel gaf hiermee direct iets terug aan de overheid: het ging immers om een ‘Nederlandse ploeg’. De atleten kwamen uit voor Nederland. 'TeamNL is in feite de commerciële ploeg van de Nederlandse overheid', aldus Alberda.

"De grote affaires rond grensoverschrijdend gedrag in de Nederlandse topsport hebben recent afgedaan aan het beeld van een succesvol topsportbeleid"

De merknaam TeamNL gaf de mogelijkheid van identificatie met het team vanuit nationalistische gevoelens onder burgers. Successen van Nederlandse sporters werden gezien als een collectieve prestatie, waar het Nederlandse topsportbeleid debet aan was, aldus Maarten van Bottenburg, hoogleraar sportontwikkeling (Scholten, 13 november 2021).

Succesvol topsportbeleid NOC*NSF en rijksoverheid?
Het lijkt erop dat het topsportbeleid van NOC*NSF en de Nederlandse overheid succesvol was. Nederland beleefde immers sportief gezien een topdecennium. Ons land was zeer succesvol op de Olympische winterspelen van 2014 (Sotsji) en 2018 (Pyeongchang), met respectievelijk 24 en 20 medailles. De Zomerspelen 2020 in Tokio 2021 waren de succesvolste ooit. Nederland kon 273 atleten afvaardigen en behaalde 36 medailles, het hoogste aantal ooit. In het landenmedailleklassement eindigde ons land op de zevende plaats. Ook dat was nog nooit vertoond.

JanDeLeeuw-2De grote affaires rond grensoverschrijdend gedrag in de Nederlandse topsport hebben recent afgedaan aan het beeld van een succesvol topsportbeleid. Afgelopen jaar leidde dat tot een publiek debat over de topsportambitie van NOC*NSF, vooral in dagbladen als Trouw en de Volkskant.

Relatie tussen top-10 ambitie en onveilige sportcultuur?
In Trouw verdedigde Maurits Hendriks, chef de mission Olympische Zomerspelen 2012 en 2016, het topsportbeleid van NOC*NSF (Scholten, 6 november 2021). Volgens hem staat de sportkoepel voor een verantwoorde prestatiecultuur: het hoogste bereiken maar niet ten koste van alles. Topsport is bovendien altijd een keuze van het individu. Dat kinderen in een hal trainen met een bord Medal factory moet kunnen, vindt Hendriks: 'Het is prachtig te kunnen trainen waar dat het doel is' (Scholten, 6 november 2021).

Hendriks en Alberda ontkennen het verband tussen de topsportambitie van NOC*NSF en de misstanden in de topsport. Ze wijzen erop dat de ambitie om voor het hoogste te gaan ‘in mensen zit’: in hunzelf en hun omgeving (ouders, familie, trainers, clubs, etc.). Mensen, teams, clubs, organisaties en landen willen nu eenmaal presteren, grenzen verleggen, kampioen worden, de beste zijn.

'Het focusbeleid weefde ‘perverse prikkels’ in ons topsportsysteem'

JanDeLeeuw-3Alberda geeft ook aan dat sporters functioneren in een bubbel, een soort ‘zuil’. In elke zuil gebeuren dingen die niet door de beugel kunnen. Hendriks verklaart de zaken die niet goed zijn gegaan in de topsport door te wijzen op te weinig pedagogisch gekwalificeerde trainer-coaches en een negatieve rol van de omgeving van de sport, bijvoorbeeld ouders. Ook zijn meldingen van slachtoffers te lang blijven liggen.

Sandra Meeuwsen (foto links) en Maarten van Bottenburg veronderstellen wél een verband tussen de top-10 ambitie van NOC*NSF en onveilige sportculturen in de Nederlandse topsport, hoewel een causale relatie niet is aangetoond, zeker niet wetenschappelijk (Scholten, 13 en 27 november 2021). Feit is dat een bepaald beleid invloed heeft op de topsportpraktijk, de feitelijke topsportcultuur, aldus de gepromoveerde sportfilosofe Meeuwsen. Het focusbeleid van NOC*NSF (alleen geld voor kansrijke sporten) gaf een signaal af: tot het uiterste gaan om de sportieve doelen te realiseren. Het focusbeleid weefde ‘perverse prikkels’ in ons topsportsysteem, aldus hoogleraar Van Bottenburg. Meeuwsen voegt daaraan toe dat topsport fungeert als ‘een exponent van het verlangen van ons allemaal naar de glans van goud’. Een soort sublimering, die ook laat zien dat de verantwoordelijkheid niet alleen bij de sportkoepel ligt, maar breder.

Een bepaald mensbeeld als norm voor topsportbeleid?
Volgens Alberda kun je de top-10 ambitie wel ter discussie stellen, maar de vraag is of iemand zich daar iets van aantrekt. Samen met Hendriks heeft hij het idee dat de ambitie om de beste te willen zijn, om te zegevieren, zo ongeveer in de genen van de mens zit. Dat weerspiegelt een bepaald mensbeeld, een essentialistisch mensbeeld. Het is een mensbeeld waarin vastligt wat het ‘wezen’ is van de mens. In dit geval dat de mens van nature geneigd is tot competitie, tot winnen. Of dat een juist mensbeeld is, valt te bezien. Daar komt bij dat een dergelijk mensbeeld ook normatief werkt: mensen worden geacht zich naar dat mensbeeld te gedragen. Mensen die dat niet doen, worden buiten de (natuurlijke) orde geplaatst.

"Een sportorganisatie zou er ook voor kunnen kiezen om het bevorderen van verantwoorde sportbeoefening tot het ultieme doel te maken van de eigen organisatie"

Door dit mensbeeld de basis te laten zijn van het topsportbeleid, met het streven naar zoveel mogelijk medailles als operationeel kernstuk van beleid, brengt NOC*NSF dit ook als normativiteit in de wereld van de topsport en beïnvloedt zij de topsportcultuur en de ethiek die daar aanwezig is. Daarmee maakt de sportkoepel een duidelijke keuze. Een keuze die kan leiden tot een sportklimaat waarin men ‘tot het gaatje gaat’ en soms ook over de rand. Of zoals Sandra Meeuwsen het verwoordt: 'Die passie kan escaleren als er geen corrigerende krachten van buiten zijn. Als we in een bubbel zitten en van een medaillefabriek spreken, heiligt al snel het doel de middelen. Dat is een voedingsbodem voor excessen' (Scholten, 27 november 2021). De sportorganisatie, in dit geval de nationale sportkoepel, is geen corrigerende kracht, maar opent het bal en zet juist alle sluizen open.

Een sportorganisatie zou er ook voor kunnen kiezen om het bevorderen van verantwoorde sportbeoefening (breedte- en topsport) tot het ultieme doel te maken van de eigen organisatie.

Op naar een Sportagenda 2032
JanDeLeeuw-4NOC*NSF werkt aan een sportagenda voor 2032 als opvolging van de sportagenda 2017+. Als basis daarvoor werd in 2021 een ‘Denkkader Sportagenda 2032’ ontwikkeld als agendastuk voor de Algemene Leden Vergadering van de sportkoepel (NOC*NSF 2021). In dit denkkader wordt als centrale ambitie geformuleerd: ’Nederland, het sportiefste land ter wereld’. Het is een ambitie die stimuleert het ‘beste uit onszelf te halen’, als individu en als land. De strijd met jezelf, de competitie met anderen (andere sporters, andere clubs, andere landen) kan inspirerend en motiverend werken. Het kan fungeren als prikkel om ‘alles uit de kast te halen’ in sportief opzicht. De vervulling van deze ambitie, het sportiefste land ter wereld, wordt zichtbaar in een hoge sportdeelname, in waardevolle sportprestaties en in een positieve maatschappelijke impact van sport.

Opvallend is dat in dit ‘denkkader’ de eerdere topsportambitie, behoren bij de top-10 van de mondiaal best presterende landen op het gebied van sport, is losgelaten. Wel wordt gesproken over ‘waardevolle sportprestaties’. Topsportprestaties kunnen van grote betekenis zijn voor de sporters en voor de sportomgeving, maar ze zijn dat minder als ze ten koste gaan van andere fundamentele waarden, zoals ‘de menselijk maat’ en een veilig (top)sportklimaat. Wellicht heeft de discussie over een mogelijke relatie tussen top-10 ambitie en grensoverschrijdend gedrag in de Nederlandse topsport impact gehad op de tekst van dit document.

"Dat alles moet wel geschieden in een veilige en duurzame sportomgeving, waarbij meer mensen sporten en bewegen dan nu, er een grotere diversiteit aan sporters is en een beter (top-)sportklimaat is"

Streven naar optimale sportomstandigheden
De ambitie van NOC*NSF om van Nederland het sportiefste land ter wereld te maken, is gebaseerd op de overtuiging van de enorme kracht van sport. Sporten draagt bij aan een gelukkig, gezond en duurzaam Nederland, aldus de sportkoepel. Om dat te bereiken moeten we streven naar optimale sportomstandigheden voor alle Nederlanders. Daarbij gaat het om een duurzame fysieke sportomgeving, een rijk soortaanbod, deskundige begeleiding van sporters en een veilige, inclusieve en integere sportcultuur. Dat laatste is een cultuur die ervoor zorgt dat de betrokkenen bij sport en sportorganisaties (team, club, bond) zich op hun gemak voelen en hun mentale en fysieke gezondheid niet in het gedrang komt (Schipper-van Veldhoven 2016).

Hoe zit het dan met het streven naar een top-10 plaats in de mondiale vergelijkingsstatistieken? Die ambitie komt niet voor in het ‘denkkader’. Wel wordt als uitkomst van beleid gesproken over ‘meer medailles winnen in meer sporten’. Maar dat alles moet wel geschieden in een veilige en duurzame sportomgeving, waarbij meer mensen sporten en bewegen dan nu, er een grotere diversiteit aan sporters is en een beter (top-)sportklimaat is. Volgens NOC*NSF levert dat als geheel een grotere maatschappelijke impact op van sport.

JanDeLeeuw-5Tot slot: en wat doet een sportwet?
Naar alle waarschijnlijk zal in dit jaar (2022) door NOC*NSF de Sportagenda 2032 verder worden vastgesteld. Dan zal ook meer duidelijk worden wat de hoofddoelstellingen van de nationale sportkoepel worden voor haar beleid voor de komende tien jaar. Die zullen onvermijdelijk ook invloed hebben op de feitelijke (top)sportethiek in 2032.

Tegelijkertijd zal komende jaren duidelijk worden of Nederland een sportwet krijgt. Een dergelijke wet creëert een zorgplicht voor de overheid om topsport en breedtesport (mede) mogelijk te maken voor de bevolking (Nederlandse Sportraad 2020). Sport wordt daarmee een publieke voorziening, zoals onderwijs en zorg, zonder dat de overheid daadwerkelijk als ‘sportaanbieder’ optreedt. Het sportaanbod wordt met een dergelijke wet niet overgenomen door de overheid.

Er zal sprake zijn van financiering van sport, in de plaats subsidiering, aldus Loek Jorritsma (Scholten, 13 november 2021). Bovendien zullen investeringen van de overheid vooral naar sportieve activiteiten gaan die leiden tot meer bewegen en gezondheid van de sporters, in de plaats van naar meer medailles. Ook zal er een sterkere bemoeienis zijn van de overheid met de kwaliteit van de sportaanbieders. Onveiligheid en misbruik in een sport die gefinancierd wordt met gemeenschapsgeld? Dat kan de overheid niet voor haar rekening nemen.

"Een sportwet zal een ingrijpende wijziging betekenen voor het ‘speelveld’ van de sport in Nederland en impact hebben op de feitelijke sportethiek in de komende decennia"

Een sportwet zal andere accenten benadrukken in de sportcultuur, zoals participatie. Ze zou ervoor kunnen zorgen dat de sport- en beweegparticipatie flink omhoog gaat. En dat is nodig als we beseffen dat in 2020 slechts 50 procent van de Nederlanders voldeed aan de beweegnormen en dat honderdduizenden kinderen vanwege gebrekkige financiële middelen thuis niet op de sportclub kunnen. Een sportwet zal een institutionele structuur creëren die meer dan nu verantwoorde sportbeoefening stimuleert en soms ook letterlijk afdwingt. Financiering van de sport zal worden gekoppeld aan (de voorwaarde van) een veilige sportcultuur waarin waarden als veiligheid, gezondheid, respect, vrijheid, privacy, integriteit, welzijn en identiteit van belang zijn.

Een sportwet zal een ingrijpende wijziging betekenen voor het ‘speelveld’ van de sport in Nederland (voor sportaanbieders en andere actoren in de sportwereld, zoals NOC*NSF) en impact hebben op de feitelijke sportethiek in de komende decennia.

Jan de Leeuw is opleider, auteur en adviseur. Hij is auteur van De Sportwereld voor het hbo, Het sportbeleid voor het hbo (beiden Arko Sports Media) en Sportbusiness en ethiek (Damon).

Verder lezen:

« terug

Reacties: 1

loek Jorritsma
11-01-2022

Het artikel van Jan, waarbij hij eindigt met de verwijzing naar een mogelijke sportwet, geeft me de gelegenheid om - vanuit mijn perspectief - enkele observaties te delen en toe te lichten waarom ik me terugtrek uit deze discussie. Een korte historische schets: 1996 de kabinetsnota 'Wat sport beweegt' gevolgd door deelnota's topsport, breedtesport, en sport en gezondheid. Ambitieus. Voor de interdepartementale afstemming werd het Breed Interdepartementaal Sportberaad (BIS) in het leven geroepen. In 2000 kreeg ik 1) de opdracht om voor de BIS een overzicht te maken van de betrokkenheid van alle departementen bij sport. Concept gereed in 2003 en bedoeld om met Heiko van Staveren ook alle relevante wet- en regelgeving in kaart te brengen. 2) Ook het topsportevenementen- en -accommodatiebeleid werd, via de Consultatiegroep Kombrink, van een nieuwe jas voorzien. In 2002 werd het nieuwe beleid in de Staatscourant gepubliceerd. Ook werd voorzien in een adviesgroep (Pasport) - vergelijk met NLSportraad nu - en 3) met Heiko van Staveren, Maarten van Bottenburg, Rob Siekmann, Ruud Koning en Pieter Verhoogt werd multidisciplinair onderzoek gedaan naar de realisering van een sportwet. Ik wist me verantwoordelijk voor alle drie majeure operaties.

Wat gebeurde er? De BIS belandde met rapport en al in een la, het topsportevenementen- en -accommodatiebeleid stierf, samen met Pasport, een snelle dood en het onderzoek naar een sportwet werd met een pennenstreek naar de prullenbak verwezen. Voortreffelijke kamerleden als Gerdi Verbeet, Jan Rijpstra en Joop Atsma waren machteloos. In 2005 verzocht ik daarom mijn superieuren met vervroegd de dienst te verlaten en schreef 'Sport een publieke zaak' als liber amicus tot besluit.

Waarom dit overzicht? Welnu, deze drie majeure oparaties kwamen recent weer terug. Zo wees Michael van Praag trots op zijn tocht langs alle departementen waar hij merkte dat die allemaal wel ergens een link hadden met de sport. De NLSportraad was in het leven geroepen en ging - prima gedaan - aan de slag en ontwikkelde nieuw beleid. Een sportwet zou het gehele sportlandschap, de sportbranche, als structureel overheidsbeleid gaan definiëren. Sport een publieke zaak, waar had ik dat eerder gehoord? Voortreffelijke woordvoerders sport zoals Rudmer Heerema, Lisa Westerveld en Jeanet van der Laan steunden deze visie volop.

Maar wat is nu de stand van zaken? Zie ook mijn eerdere bijdrage hier van december vorig jaar. NOC*NSF stelt zich wederom zeer terughoudend op, waarschuwt dat een sportwet geen doel op zich mag zijn en vindt dat een sportwet eigenlijk niet nodig is. Ik was in december al bang dat de koepel zich 'militant' zou opstellen. De besturen van de bonden (voorzitters en directeuren) zwijgen, terwijl het hun beleid zou moeten zijn. De gemeenten houden de boot af en willen structureel geld zien om hun verantwoordelijkheid te kunnen nemen. Een luizige 25 mio trekt niemand over de streep. En de visie van de minister? Die wordt ambtelijk geadviseerd. Hij verwees in het recente wetgevingsoverleg met de Kamer niet naar een sportwet, maar naar een mogelijke onderbrenging van het beleid in de Wet Publieke Gezondheid. Een visie die naadloos aansluit bij de nieuwe portefeuille van Langdurige Zorg en Sport in het nieuwe kabinet.

In december wees ik ook al op die nooduitgang. De advisering inzake topsportevenementen is weg bij NLSportraad, het opstellen van een lijst van evenementen wordt weer en steeds als nieuw gepresenteerd. En kan de toets van staatssteun nauwelijks doorstaan. De topsportaccommodaties staan op zichzelf en zijn ontdaan van hun positie in het beleid zoals in de Staatscourant van 2002 geformuleerd. Het is daarom dat de overheid zich in bochten moet wringen om Thialf uit de brand te helpenen de staatssteuntoets te kunnen ontwijken. En de nieuwe minister? Ging bij haar presentatie volledig voorbij aan haar sportportefeuille. Zelfs niet als onderdeel van preventie bij langdurige zorg. De overheidsbemoeienis met sport blijft ongemakkelijk. Komt ook omdat het begrip sport niet is gedefinieerd waardoor 'zwemles' (i.v.m. tonen QR-code) door een rechter niet als sport maar als onderwijs werd gezien en een sportschoolhouder zijn zaak openhield door te stellen dat het zou gaan om fysiotherapie.

Ik heb de afgelopen jaren geprobeerd om met mijn bijdragen enige lijn aan te brengen en de SPORT de maatschappelijke posititie en erkenning te geven die het verdient. 

Reactie toevoegen

Naam*
E-mailadres*
Reactie*
Stuur mij een e-mail als er een nieuwe reactie wordt geplaatst