Skip Navigation LinksHome-Achtergronden-De blik van buitenstaanders-Item

"Grosso modo houden de gemeenten de sport in Nederland in stand" 19 januari 2021


glassesVoormalige beleidsbepalers in de sportwereld kijken terug

Ooit werkten zij met volle passie in de sport. Als directeur van een sportbond, als voorzitter daarvan of werkend voor een andere sportorganisatie. Op een zeker moment verlieten zij die sportwereld en kozen ze voor een carrièreswitch naar een ander domein. Waarom maakten zij die stap? Hoe is het hen sindsdien vergaan? Hoe kijken zij terug? Wat kan de sportwereld leren van passanten die nu hun professionele sporen op een ander vlak verdienen?

Vandaag de blik van Jos Roeffen, o.m. voormalig beleidsadviseur, projectmanager en programmamanager bij het ministerie van WVC/VWS.

 

Curriculum vitae Jos Roeffen

werk in de sport

  • 1996-2003: voorzitter van Fit!Vak, brancheorganisatie van erkende fitnesscentra
  • 1990-2002: beleidsadviseur, projectmanager en programmamanager WVC/VWS (sport, jeugd en gezondheidszorg)
  • 1974-1979: leraar LO aan verschillende scholen in Den Haag
  • 1974-1979: turntrainer bij verenigingen van de kring Leidsenhage van het KNGV (nu KNGU), technisch bestuurslid en jurylid

werk buiten de sport

  • 2009-2020: zelfstandig adviseur (Jos Roeffen Advies)
  • 2013-2018: wethouder van Oegstgeest
  • 2003-2009: consultant bij Conclusion Advies en Management
  • 1994-1996: raadslid gemeente Oegstgeest
  • 1982-1990: beleidsadviseur VNG

opleiding

  • 1969-1973: HALO 
  • 1974-1978: kandidaats psychologie aan de Rijksuniversiteit Leiden
  • 1978-1979: studie sportsociologie aan de Vrije Universiteit
  • 1979-1981: doctoraal sociale en organisatiepsychologie aan de Rijksuniversiteit Leiden

1. Waarom besloot je na de middelbare school de HALO te gaan volgen? Wat 'had' je met sport?
"Op het gymnasium moest ik altijd hard studeren en mijn enige echte afleiding was sport: zwemmen, voetballen, fietsen, enzovoorts. Ik begeleidde ook pupillenteams en liet mij binnen de vereniging - Graaf Willem II VAC in Wassenaar - uit over wat er beter kon. Daarom wilde ik naar de HALO: de combinatie van sport beoefenen en theorie over sport en bewegen leek mij ideaal. En in mijn familie zijn meerdere leraren, zij het geen vakleerkrachten Lichamelijke Opvoeding."

"De combinatie was pittig maar ik vond eigenlijk alles leuk en uitdagend en daarom goed vol te houden"

2. Na de HALO werd je én leraar LO én turntrainer én je ging aan de universiteit psychologie studeren. Was dat allemaal goed te combineren?
"Ik was ter voorbereiding op de HALO op turnen gegaan omdat dat vak veel gewicht in de schaal legt vergeleken met andere vakken als veld- en zaalsporten, atletiek en zwemmen. Turnen bleek mij goed af te gaan en vond ik echt leuk. Daarom ben ik actief geworden als trainer van jongens, meisjes, dames en heren, zowel recreatie- als wedstrijdsport. Twee meisjes en een jongen zijn nog opgenomen geweest in de centrale trainingen op Papendal en ik was assistent bij de kringtrainingen van de talentvolsten van de verschillende verenigingen van Leidsenhage." 

BlikBuitenstaandersJR-1"In Den Haag werkte ik twee dagen per week op verschillende scholen als leraar LO en in Leiden studeerde ik uit interesse twee tot drie dagen psychologie. Drie avonden en in het weekend was ik bij de vereniging , de Kring of in het land aan het trainen of organiseren van of jureren bij wedstrijden. De combinatie was pittig maar ik vond eigenlijk alles leuk en uitdagend en daarom goed vol te houden."

3. Nadat je later afstudeerde als sociaal- en organisatiepsycholoog ging je als beleidsadviseur werken bij de VNG. Was daarmee de link met sport tijdelijk verbroken? Zo ja, waarom koos je daarvoor, gezien je voortraject?
"Mijn afstudeerproject was de evaluatie van het Nationaal Sport Overleg, een indrukwekkend overlegorgaan onder onafhankelijk voorzitterschap van Gerrit Den Boef van aan de ene kant de vertegenwoordigers van de sport (koepels en bonden) en aan de andere kant vertegenwoordigers van de overheden (rijksoverheid, provincies en gemeenten). Ik had daarom veel contacten bij de NSF, directie Sport van WVC, Interprovinciaal Overleg (IPO) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). In die tijd kon ik kiezen waar ik wilde werken en ik heb gekozen voor de VNG." 

"Belangrijkste aandachtspunt in mijn functie was de gemeenten vertegenwoordigen in de werkgroepen van het NSO en het voorbereiden van standpunten voor de gemeentelijke delegatie in het NSO, twee keer per jaar. Verder was ik lid van de commissie van de Sporttotalisator (Lotto/Toto) waar de inkomsten voor de sport jaarlijks werden verdeeld. Daar vond ook afstemming plaats met de subsidies van de rijksoverheid voor de landelijke sportorganisaties, inclusief de koepels NSF, de levensbeschouwelijke koepels en NOC (toen nog los van de NSF). Aldus was er een geleidelijke overgang van studie naar werk: ik leerde hoe beleid ontwikkeld werd en vorm kreeg op de verschillende niveaus van de overheid en van de sport. En ik leerde hoe beïnvloeding van beleid plaatsvond."

"Sportverenigingen worden uitgedaagd in het kader van het sociale beleid te fungeren als een soort tweede thuis"

4. Hoe zag in die periode (1982-1990) het gemeentelijk sportbeleid eruit? Wezenlijk anders dan nu bijvoorbeeld?
"Het sportbeleid in gemeenten is eigenlijk altijd vooral voorwaardenscheppend: zorgen voor accommodaties, velden, zwembaden en die onderhouden. Daar zat jaarlijks ongeveer 1,2 miljard gulden in aan gemeentelijke middelen in (onderzoek van het NSO), afgerond vandaag is dat ruim 500 miljoen euro per jaar. De precieze middelen anno 2020 zijn mij niet bekend, maar grosso modo houden de gemeenten de sport in Nederland in stand."

BlikBuitenstaandersJR-2"Vanaf de jaren zestig werd sport steeds meer betrokken bij het welzijns- en gezondheidsbeleid. Vanaf de jaren tachtig zijn daarom steeds vaker de subsidies voor sport gemotiveerd vanuit dat bredere kader en met name de grotere gemeenten pakten zelf recreatieve sportbeoefening en bewegingsstimulering op, door naast het via subsidies stimuleren van sportverenigingen ook niet-competitiegebonden sport aan te bieden. Dat beleid is in de volgende veertig jaar doorgetrokken en nu worden sportverenigingen uitgedaagd in het kader van het sociale beleid te fungeren als een soort 'tweede thuis' met bewegingsstimulering in buitenschoolse opvang, kinderopvangmogelijkheden en ondersteuning van jongeren met huiswerkbegeleiding en dergelijke om uitval uit school en werk te voorkomen. Voor mij is het grote verschil van nu met de jaren zeventig à tachtig dat verenigingsbestuurders vandaag benadrukken hoe waardevol sportbeoefening is voor het sociale beleid van gemeenten, terwijl hun voorgangers juist tamboereerden op het eigen karakter van de sport en - soms grote - moeite hadden met die bredere inbedding van de sport."

5. Van 1990 tot 2002 werkte je als beleidsadviseur, projectmanager en programmamanager bij het ministerie van WVC/VWS op de terreinen sport, jeugd en gezondheidszorg. Hoe belangrijk was op het departement sport destijds vergeleken met nu?
"Ik ben eind 1989 overgestapt naar de directie Sport als beleidsadviseur Topsportbeleid, een nieuwe afdeling binnen de directie en een direct gevolg van de Olympische Spelen van Seoul in 1988. De NSF vroeg meer en gerichte aandacht voor het topsportbeleid in verband met de slechte resultaten van Nederland in Zuid-Korea. In een relatief korte tijd is een aantal initiatieven opgezet om topsport beter te positioneren. Zoals het fonds voor de topsporter, de regionalisering van de maatschappelijke begeleiding, de scholen voor voortgezet onderwijs waar extra ruimte voor sporttalenten geboden werd, de universiteiten en hogescholen waar topsporters individuele trajecten konden volgen om in hun seizoen zich volledig op hun sport te kunnen richten."

"Nog altijd spreekt de Tweede Kamer vrijwel nooit over sportbeleid buiten de begrotingsbehandeling van VWS"

"In die tijd zijn ook andere zaken verder gebracht. Zoals het ontwikkelen van een werkgevers- en werknemersoverleg voor de sport, oprichten van het NeCeDo om doping beter te kunnen monitoren, evenementenbeleid, Budget Bewakings Instituut voor het betaald voetbal etc. De sport was in die tijd misschien qua budget - 45 miljoen gulden - niet echt belangrijk op het departement, maar de onderwerpen haalden toch met regelmaat de publiciteit. Enkele voorbeelden: prins Willem-Alexander lid van het IOC, de ondersteuning van het Betaald Voetbal door de overheid, de voorbereiding van de deelnemers aan de Olympische Spelen, de aanwezigheid van een grote delegatie van politici bij de Olympische Spelen in 1992 in Barcelona." 

"Hoe belangrijk sport nu op het departement is kan ik niet goed beoordelen. Het budget is in de loop van de tijd verhoogd, maar nog altijd spreekt de Tweede Kamer vrijwel nooit over sportbeleid buiten de begrotingsbehandeling van VWS. Sport is en blijft onderdeel van het rijksbeleid en is verankerd in de naam van het ministerie. Uit het feit dat ik mij nauwelijks debatten over sport kan herinneren de laatste jaren, kan ook worden afgeleid dat er geen noemenswaardige problemen spelen."

BlikBuitenstaandersJR-36. In de periode dat je bij het ministerie werkte, werd je in 1996 (tot 2003) ook voorzitter van Fit!Vak, als brancheorganisatie van erkende fitnesscentra feitelijk de voorloper van NL Actief. Volgens onderzoek door het Mulier Instituut is het aantal wekelijkse fitnessbeoefenaars sinds 2001 tot nu ongeveer verdubbeld terwijl de totale wekelijkse sportdeelname ongeveer gelijk bleef in die periode. Waar wijt je die ontwikkelingen aan, waardoor is fitness zo populair geworden?
"Na het ambtelijk afronden van het Fonds voor de Topsporter in 1995 - waaruit nu de stipendia aan topsporters worden betaald - ben ik naar de directie Jeugdbeleid gegaan om me daar bezig te houden met de ontwikkeling van Bureau Jeugdzorg. Vanuit mijn contacten bij de NSF kwam de vraag of ik geïnteresseerd was in het voorzitterschap van Fit!Vak, nu ik niet meer bij de directie Sport werkte. Het bestuur bestond uit ondernemers in de fitnessbranche en alleen de voorzitter was onafhankelijk. Dat sprak mij erg aan alsook dat het om een jonge bedrijfstak ging, waar organisatorisch nog stappen te zetten waren. De bestuursleden zagen mij graag komen en Erica Terpstra, toenmalig staatssecretaris verantwoordelijk voor sport en voor jeugd, heeft mij toestemming gegeven."

"Fitness heeft een snelle ontwikkeling doorgemaakt sindsdien en heeft nu de meeste sportbeoefenaren. Toch is de totale wekelijkse sportdeelname gelijk gebleven. Het fitnesscentrum biedt eigenlijk op ieder moment van de dag mogelijkheden voor sportbeoefening, dus ook voor het werk, tussen de middag, na het werk, ’s avonds en in het weekend. Voor veel mensen in de hectiek van het leven met werk, kinderen, sociale contacten in familie en daarbuiten biedt het fitnesscentrum de mogelijkheid om even aan jezelf te werken en er weer volledig te kunnen zijn. Verder is fitheid in brede zin onderdeel van de lifestyle van succesvolle BN-ers en absorbeert de branche heel snel nieuwe rages. Veruit de meeste verenigingssporters zijn ook lid van het fitnesscentrum en als de totale sportbeoefening gelijk is gebleven en de fitnessbranche is verdubbeld, zullen trainingen bij de vereniging overgeslagen worden of verplaatst zijn naar het fitnesscentrum. Overigens sluit ik niet uit dat ook veel lidmaatschappen van het fitnesscentrum feitelijk niet worden ingevuld."

"Edith Schippers verdient lof voor haar initiatief in 2015 om op 'een andere manier' naar sport te willen kijken"

7. Onlangs heeft de Nederlandse Sportraad een nieuw advies uitgebracht over een toekomstbestendige organisatie en financiering van de sport. De eerste zaak die eruit springt is het advies om van sport een publieke voorziening te maken. De raad adviseert de verantwoordelijkheden en taken van overheden en van de sportbranche vast te leggen in een stelsel met een wettelijke basis. Wat vind je daarvan? En is het realistisch cq. haalbaar?
"Edith Schippers verdient lof voor haar initiatief in 2015 om op 'een andere manier' naar sport te willen kijken, omdat zij vond dat de adviesrol en de belangenbehartigersrol van NOC*NSF te veel door elkaar heen liepen. Die situatie is niet van de ene op de andere dag ontstaan, maar het resultaat van een jaren lopende ontwikkeling. Vond in de jaren tachtig de afstemming van de sportmiddelen op landelijk niveau plaats in de werkcommissie van de Toto/Lotto en in bestuurlijk overleg van de verantwoordelijke minister of staatssecretaris met het bestuur van NOC*NSF, ergens na 2000 maakt VWS de subsidies voor de landelijke sportorganisaties over naar NOC*NSF om die tezamen met de Lottomiddelen te verdelen naar de sportorganisaties. Bestuurlijk vind ik dat curieus omdat de Tweede Kamer via de begroting middelen ter beschikking voor de sport stelt met het oog op te bereiken doelen, maar de verdeling overlaat aan een koepel die een ledenorganisatie van sportorganisaties is. Daarmee heeft NOC*NSF een dwingender relatie naar de aangesloten leden gekregen om naast de prioriteiten van de overheid eigen prioriteiten te benadrukken." 

BlikBuitenstaandersJR-4"Het advies om van de sport een publieke voorziening te maken en een Sportwet te ontwerpen waarin verantwoordelijkheden en taken van overheden en sportbranche vastliggen en van budgetten worden voorzien is niet nieuw. Al sinds de jaren zeventig popt die discussie met enige regelmaat op om steeds in discussies over nut en noodzaak ervan te verzanden. Levert een Sportwet op wat initiatiefnemers als Jaap de Groot (voormalig chef-sport van De Telegraaf) ermee beoogden? Het oogmerk was, zo begrijp ik uit de media, om topsport en topsportevenementen structureel van financiering te voorzien. Een loffelijk streven dat al jaren via projectsubsidies door VWS wordt gestimuleerd, maar volstrekt onvoldoende basis om een Sportwet te willen. De taken en verantwoordelijkheden van gemeenten en rijksoverheid zijn uitgekristalliseerd en de financiering ervan is zelden een moeilijk politiek punt: sport en bewegen hebben buitengewoon veel steun onder lokale en landelijke politici. Waar discussie over gevoerd wordt zijn de grenzen van het domein als 'Waarom en vooral tot hoever moet de overheid topsport financieren waar commerciële belangen dominant zijn?' en 'Welke taken kunnen sportverenigingen krijgen in het sociale domein als onder meer kinder- en buitenschoolse opvang, begeleiding en opvang van gedepriveerde jeugd, kwaliteitsbewaking van trainers en begeleiding in de vereniging'. Mijn advies kortom is geen tijd te verspillen aan de discussie over een Sportwet."

8. De Nederlandse Sportraad vindt ook dat de rol van de overheid groter moet worden. De bewindspersoon die verantwoordelijk is voor sport moet ruimte krijgen om interdepartementaal coördinerend op te treden en verkokering tegen te gaan. Wat vindt jij daarvan?
"Coördinatie van landelijk sportbeleid door betere afstemming tussen beleidsinitiatieven van andere departementen is nuttig en nodig om de beeldvorming over het belang van sport en bewegen op rijksniveau te verbeteren. Het begint wellicht saai te worden maar in de jaren tachtig bestond het Periodiek Rijks Overheids Overleg Sport (PROOS) dat met het opheffen van het Nationaal Sport Overleg - op aandringen van de NSF - ter ziele is gegaan. Het overleg was het initiatief van de directie Sport en ingesteld om 'met één mond te spreken' tijdens de vergaderingen van het NSO. Na een enthousiaste start is in de loop van de tijd het overleg gemarginaliseerd omdat er te weinig nieuwe onderwerpen waren en de andere departementen het overleg niet belangrijk genoeg vonden en geleidelijk afhaakten. Natuurlijk vindt sindsdien bilateraal overleg op ambtelijk en ook op bewindsliedenniveau plaats over (voorgenomen) maatregelen op andere departementen die de sport raken."

"In een vanouds competitieve sportwereld is het denk ik niet mogelijk om een koepelorganisatie op te richten die met één stem spreekt"

"Betere coördinatie van rijksoverheidsbeleid valt of staat met het politiek gewicht van het beleidsterrein en daarmee van de verantwoordelijke bewindspersoon. Sport wordt beschouwd als een terrein dat vooral succesvol door particulier initiatief gerund wordt en waar met name de gemeenten in voorwaardenscheppende zin aan zet zijn. De verantwoordelijkheid van de rijksoverheid is daarmee beperkt - tot uitdrukking komend in het voor de sport beschikbare budget - maar komt in beeld bij beleid van OCW (gym op school), van SZW (arbeidsactivering), van EZ (evenementen), van BZ (sportstimulering buiten de grenzen) en I&M (landelijke accommodaties)." 

9. Als derde punt dat we eruit lichten: NLsportraad adviseert de sportbranche een gezamenlijke branchevisie op te stellen en om een koepelorganisatie op te richten zodat de branche met één stem spreekt. Ben je het daarmee eens?
"In een vanouds competitieve sportwereld is het denk ik niet mogelijk om een koepelorganisatie op te richten die met één stem spreekt. Voor mij is overigens de vraag wat de meerwaarde is: sport en bewegen zijn onlosmakelijk met een anno 2020 goed leven - tenminste acceptabel leven - verbonden en krijgen vanuit allerlei hoeken en adviesorganen als SCP de plaats die de sport verdient. Recent bijvoorbeeld is in de COVID-19 pandemie vanuit de specialisten van de Intensive Care gewezen op het belang van een gezond gewicht door voldoende beweging toen bleek dat de meeste opnames op de IC (oudere) mensen met obesitas betroffen."

Schermafbeelding 2019-01-28 om 13.21.31

10. Zijn er onderwerpen in het rapport van de Nederlandse Sportraad die je node mist? Welk advies of adviezen had je er graag bij zien staan?
"Ik heb het rapport niet gelezen, maar alleen de artikelen erover in de media. Het belangrijkste vind ik de constatering dat NOC*NSF een dubbele pet op heeft en zich moet beperken tot de rol van belangenbehartiger van de sport. De advisering van de politiek is idealiter een zaak van het ambtelijk apparaat. De ambtenaren moeten in staat zijn de brede maatschappelijke ontwikkelingen te monitoren en daarover te adviseren. Het initiatief van Edith Schippers laat in mijn ogen zien dat zij daarover in die tijd niet geheel tevreden was of dat zij het politiek opportuun vond een externe club daarover te vragen te adviseren. Zoals op eerdere vragen geantwoord heeft dit rapport verder geen nieuwe zaken op tafel gebracht. Ik verwacht dat er na enkele discussierondes niet veel mee gedaan zal worden en dat is in mijn ogen ook niet erg: het zal het belang van sport en bewegen opnieuw bevestigen en het draagvlak politiek in stand laten.

11. Aan wie met wie je gewerkt hebt in de sportwereld denk je met veel genoegen terug en waarom?
"Ik denk nog altijd heel positief terug aan mijn werk in de sport. Niet alleen heb ik daar veel geleerd en leuke resultaten bereikt, maar de mensen die in de sport beleidsmatig en bestuurlijk actief zijn, zijn eigenlijk zonder uitzondering enthousiast, gedreven en resultaatgericht. Zaken die ik in andere dossiers wel eens node mis en heb gemist. Iemand die ik zeer bewonderde in die tijd was Wouter Huibregtsen, voorzitter van de NSF en een uitstekend bestuurder die helder en zakelijk het belang van de sport kon verwoorden en zijn eigen achterban verenigen (althans naar mijn waarneming)."

12. Denk je ooit nog eens terug te keren in de sportwereld, bijvoorbeeld in een bestuursfunctie? 
"Ik denk niet dat ik nog in een bestuursfunctie in de sport zal terugkeren. Dat heeft vooral met het feit te maken dat ik er al te lang uit ben en in Oegstgeest als pensionado nog wat vrijwilligerswerk doe. Maar soms word ik nog wel benaderd om een adviesje te geven en dat doe ik dan graag."

« terug

Reacties: 1

Loek Jorritsma
19-01-2021

Je ziet wel vaker dat mensen die al lang uit de sport zijn een ander beeld hebben van de huidige stand van zaken van het sportbeleid. Zoals de constatering dat de discussie over een sportwet afkomstig zou zijn van Jaap de Groot en topsport en bedoeld om topsportevenementen structureel van financiering te voorzien. Ik geef het advies om het dossier over de sportwet eens te lezen. Onwetendheid heeft zo zijn nadelen als het gaat om waardevol advies

Reactie toevoegen

Naam*
E-mailadres*
Reactie*
Stuur mij een e-mail als er een nieuwe reactie wordt geplaatst