Skip Navigation LinksHome-Achtergronden-Boeken met Broeke-Item

Op zoek naar... een nieuwe filosofische kijk op de hedendaagse lichaamspraktijk 17 december 2019

door: Adri Broeke

Plato en Aristoteles waren er gedurende de Griekse oudheid meester in: bijgeloof bestrijden. Door kritisch bevragen en rationeel argumenteren ontmaskerden deze eerste filosofen veel toen heersende onwaarheden. Uit ‘liefde voor wijsheid’ zochten ze systematisch naar ‘ware’ kennis. Al doende bewerkstelligden ze een fundamentele verandering van het toentertijd dominante ‘denkraam’: van 'mythos' naar 'logos'.

Nadien bleven wijsgeren speuren naar de grondslagen van ons bestaan. Sommigen richtten zich daarbij specifiek op onze lichaamspraktijken. Op zoek naar antwoorden op tijdloze vragen als: 'hebben we ons lichaam of zijn we het?', 'stuurt het menselijk brein al onze bewegingen aan?', 'moet je sport eigenlijk zien als een vorm van spel?'.

"Gloort een geheel nieuwe kijk op sport en bewegen aan de wijsgerige horizon?"

Dit soort principiële vragen staan sinds enige tijd ook in ons land weer volop in de belangstelling. Mede dankzij de opkomst van een nieuwe generatie sportfilosofen worden oude en nieuwe waarheden over de sportende mens opnieuw kritisch ‘im Frage’ gesteld. Gloort een geheel nieuwe kijk op sport en bewegen aan de wijsgerige horizon?

XL43BoekenBroekeFilosofie-1Lichaamsfilosofieën van toen
Terugblikkend zijn er al heel wat - vaak moeilijk te lezen - wijsgerige beschouwingen gewijd aan het lichamelijk bestaan. Variërend van het verheerlijken tot het verguizen van het menselijk lichaam. Al weer een tijdje terug heeft Jaap Kugel in ‘Filosofie van het lichaam’ vroegere denkbeelden op dit gebied in een notendop op papier gezet. Veel van dit denken van toen ligt (impliciet) aan de opvattingen van hedendaagse filosofen ten grondslag. Voor een goed begrip van het nieuwe denken daarom eerst twee ‘oude’ denkbeelden uit de klassieke Aula pocket van Kugel. Eén uit de tijd van de onovertrefbare oude Grieken en één uit de voor het westerse denken cruciale periode van de Verlichting.

In het oorspronkelijke (metafysische) Griekse denken maakten alle levende wezens deel uit van de kosmische natuur. Net als planten en dieren beschikten mensen volgens Aristoteles (384-322) over een ‘ingebouwd’ levensplan. Volgens deze teleologische mensopvatting had ieder mens zijn of haar eigen bestemming in dit ondermaanse bestaan. Lichaam (materie) en ziel (vorm) vormden een onlosmakelijke eenheid. De ziel fungeerde daarbij als vormgevend beginsel. Het samenspel van lichaam en ziel (=bezielde lichaam) kreeg gedurende de persoonlijke levensloop op unieke wijze gestalte in de omringende wereld. 

"Nog altijd spreekt de winnaarsmentaliteit van bezielde sporters en de door hen met passie geleverde strijdlust wereldwijd veel mensen aan"

De menselijke ziel bestond in deze oud-Griekse filosofie uit drie dimensies. Van een lagere orde waren het vegetatieve deel (stofwisseling, voortplanting ) en het animale deel (waarneming, beweging). Het hogere denkende deel (= de logos) zorgde voor een verstandige afstemming van de onderste dimensies. Toegeven aan de lagere behoeftes diende zoveel mogelijk overstegen te worden naar hogere verlangens. Als voorbeeldige streving stond de thymos in hoog aanzien bij mensen als Plato (427-347 v. Chr.). Daarvan was sprake als je om de eer of uit trots bereid was om gemakzucht op te offeren voor een hoger doel. Bijvoorbeeld door te vechten voor je vaderland of door keihard te trainen voor het leveren van (excellente) sportprestaties. Nog altijd spreekt de winnaarsmentaliteit van bezielde sporters en de door hen met passie geleverde strijdlust wereldwijd veel mensen aan. 

Een mechanistische kijk op het menselijk lichaam
XL43BoekenBroekeFilosofie-2Als een van de eersten stond Descartes (1596-1650) aan de wieg van de Verlichting en aan wat later bekend zou worden als de moderne filosofie. Niet de bovennatuurlijke Griekse (meta)fysica, maar het zelfstandig denken van de mens vormde de bron tot ‘ware’ en zekere kennis. Sedertdien staat de cartesiaanse oneliner ‘cogito, ergo sum’ exemplarisch voor een geheel nieuwe kijk op de wereld en op het menselijk lichaam als studieobject. 

De filosofie van Descartes vormde in de 17e eeuw het denkraam voor de opkomende natuurkundige onderzoeksmethode. Vanuit een sterk mechanische invalshoek werden planten, dieren, mensen en hemellichamen bestudeerd op mathematische voorspelbaarheid. Op het gebied van fysiologie, scheikunde en geneeskunde werd de machine metafoor leidend. Dankzij onder meer de hoogwaardige kwaliteit van de in ons land gemaakte lenzen (telescopen, microscopen, e.d.) kon men baanbrekende empirisch wetenschappelijke experimenten uitvoeren. De mechanisering van het wereldbeeld werd daarmee ingeluid. Evenals de verdinglijking van de mens. 

Descartes ‘ontzielde’ het lichaam in filosofisch opzicht. Hij reduceerde het tot een stoffelijke substantie (res extensa). Daar voltrokken zich de lagere functies van de aristotelische ziel automatisch. Als een machine. Het hogere denkende deel bestond daarentegen uit een onstoffelijke substantie (res cogitans). Ergens in de hersenen zetelde het zelfbewustzijn van de mens. Dit kennende bewustzijn was van een geheel andere substantie dan het handelend lichaam. Dit voor Descartes c.s principiële onderscheid in twee substanties (dualisme) bleek voor het natuurkundig onderzoek een uiterst vruchtbaar filosofisch concept. Het menselijk lichaam werd daarmee een slim ‘ontzield’ - daardoor voor de kerkelijke leer geaccepteerd - onderzoeksobject. Dit Verlichtingsdenken ontketende een ware wetenschappelijke revolutie.

"In de afgelopen decennia is het denken over het menselijk lichaam onder invloed van de informatietechnologie en de thermodynamica volgens Serres ingrijpend veranderd"

Tegelijkertijd bevorderde het dualistische mensbeeld een desastreuze onderwaardering van gangbare lichamelijke praktijken zoals lichamelijke opvoeding, sport en dans. Volgens Kugel raakte daardoor ‘de eenheid in verscheidenheid’ van de totale mens steeds meer buiten beeld. In het tweede deel van zijn boek schetst hij met het oog hierop - geïnspireerd door de wijsbegeerte der wetsidee visie van zijn Groningse leermeester G. Groenman - de contouren van zijn eigen holistische lichaamsbeeld. Dat had hij achteraf bezien beter aan een geschoold filosoof kunnen overlaten...

coverlichaam

Het lichaam als complex zintuiglijk netwerk 
In het stijlvol geschreven en geïllustreerde boek ‘Wij zijn ons lichaam’ ontvouwt de jonge filosoof Aldo Houterman op essayistische wijze een nieuwe kijk op ons lichamelijke bestaan. Overduidelijk geïnspireerd op het - bij mij tot voor kort onbekende - veelzijdige oeuvre van Michel Serres (1930-2019), aan wie hij dan ook met recht deze publicatie opdraagt.

In de afgelopen decennia is het denken over het menselijk lichaam onder invloed van de informatietechnologie en de thermodynamica volgens Serres ingrijpend veranderd. Het oude mechanische lineaire 'oorzaak-gevolgdenken' is niet langer toereikend. Niet alleen het brein, het hele lichaam fungeert volgens hem als een réseau: een netwerk van met elkaar communicerende cellen. Processen in huid, zenuwen, spieren en botten vormen een vlechtwerk van kruisverbanden en knooppunten. Houterman spreekt van een bewegend netwerk. Het lichaam is naar zijn opvatting een decentraal aangestuurd complex. De ‘ziel’ bevindt zich niet op een vaststaande plaats in het hoofd; maar op de veranderende plekken waarop onze lichaamsbewegingen gericht zijn. De mens is ‘Homo Viator’. Altijd onderweg. Het lichaam ziet, voelt en luistert. Ons lichaam is een en al zintuiglijkheid

Met een muziekmetafoor wordt inzichtelijk gemaakt dat in het (organische) leven net als in een symfonieorkest zich vele processen gelijktijdig en parallel afspelen. Onze genetische code fungeert als een partituur. Tijdens de uitvoering van het muziekstuk worden de geluiden van de verschillende muzikanten in ritme, toonhoogte e.d. op elkaar afgestemd. Dankzij ons lichamelijke luistervermogen verandert een kakafonie van geluiden in een symfonie van welluidende klanken. Sporten intensiveert de muziek van het leven en maakt de componist in ons wakker. ‘Al hardlopend stijgen er ritmische trillingen in ons op die het lopen begeleiden en het schelpenpad, de takken en de modder deelgenoot maken van de muziek’, aldus de poëet die in Houterman schuil gaat.

"Evolutionair gezien gaat het vermogen tot (zelf)beweging bij levende wezens vooraf aan de vorming en het bezit van centrale hersenstructuren en zenuwstelsels"

Sport als venster op het lichaam
Aangevuld met inzichten en reflecties uit andere domeinen (kunst, literatuur, wetenschap) hanteert de sportfilosoof vanzelf de ervaring en beleving van sport doelbewust als analyse-venster. Van daaruit onderzoekt hij de vier in zijn ogen onherleidbare dimensies van onze lichamelijkheid. In de overeenkomstige vier delen van zijn boek behandelt hij - naast de zojuist genoemde zintuiglijkheid - de aspecten beweging, mede-lichamelijkheid en (vloeibare) omgeving als de basisdimensies van al onze lichaamspraktijken. Evolutionair gezien gaat het vermogen tot (zelf)beweging bij levende wezens vooraf aan de vorming en het bezit van centrale hersenstructuren en zenuwstelsels. Beweging wordt niet door fysieke impulsen of door het hoofd gestuurd, maar door de betekenisvolle ‘affordances’ van de omgeving. Met de actiemogelijkheden van ons lichaam gaan we daarmee concrete om-te-relaties aan. Het ik denk gaat over in het ik kan. De toen negentienjarige voetballer Arjen Robben wist dat in 2003 treffend te verwoorden: 'Alles op intuïtie. Ik zie de ruimte en ik duik erin. Zonder dat ik precies weet waar het gaat eindigen. Die vrijheid heb ik, dat is mijn kracht'.

XL43BoekenBroekeFilosofie-3Volgens de ecologische psycholoog Gibson (1904-1979) is er geen onderscheid tussen de fysieke wereld en door ons waargenomen omgeving. Er speelt zich daarbij geen intern stimulus-respons proces af met het brein als centraal commandocentrum. Het waarnemen van handelingsmogelijkheden en het uitvoeren van acties organiseert het lichaam zelf merendeels buiten het brein om. Net zomin als er een eerste veroorzaker nodig is voor het golvend stromen van water, is er een bewust brein nodig voor het menselijk lichaam om te bewegen. Al bewegend in-de-wereld van mogelijkheden en tussen andere lichamen in denkt de sporter na. Hij laat zijn bewegingen leiden door de spelers en hun positie in het veld of de bal in plaats van door (bewuste) gedachten. Het gedrag van de individuele renners in het wielerpeloton kan dan ook pas begrepen worden in wat de andere renners doen.

Bij de onderbouwing en verdere uitwerking van de vier basisdimensies van lichamelijkheid gaat Houterman nogal kort door de bocht te werk. In plaats van voor- en tegen argumenten expliciet te benoemen en scherp te analyseren, verwijst hij ter bewijs en bevestiging van zijn eigen standpunten (te) vaak selectief naar uitspraken van medestanders en opvattingen van zijn filosofische helden. Van een geschoold filosoof als hij mag je meer diepgaande argumentatie en steekhoudende adstructie verwachten. Inzake de negatieve kanten van de moderne sport had de jonge sportfilosoof zich ook wel wat kritische mogen uitspreken. Pas aan het eind van zijn – overigens veelzijdige - reflecties op het menselijk lichaam dringt voorzichtig een wat meer maatschappelijk geëngageerde kijk op de huidige tijdgeest door.

"Overheden geven veel geld uit aan allerlei vormen van sportstimulering. Daartegenover zien we dat we gemiddeld steeds ongezonder leven en ons lichaam min of meer verwaarlozen"

Sport als hedendaagse lichaamspraktijk 
Ten aanzien van het menselijk lichaam bestaat ook in onze tijd nogal wat tegenstrijdigheid. Aan de ene kant wordt lichaamsbeweging door veel mensen aangemoedigd en krijgt het lichaam onder meer in de omvangrijke sportmedia uitgebreid aandacht. De openbare ruimte wordt in veel steden bovendien steeds ‘beweegvriendelijker’ ingericht. Overheden geven veel geld uit aan allerlei vormen van sportstimulering. Sport houdt ons gezond, zegt men. Daartegenover zien we dat we gemiddeld steeds ongezonder leven en ons lichaam min of meer verwaarlozen. De groeiende populariteit van de hersenwetenschap degradeert het lichaam daarenboven tot een ondergeschikt instrument. Een zielloos voertuig van het menselijk brein dat slechts als middel dient om onze zelfzuchtige genen naar een volgende generatie te transporteren. Tegen dat soort eenzijdig neurocentrisme zet Houterman zich - getuige de titel van zijn boek - strijdlustig en met verve af. In plaats van het objectief meetbare controleerbare ‘Körper’ staat in zijn (fenomenologische) benadering de subjectieve beleving van het kwetsbare eigen ‘Leib’ centraal.

Als venster op het menselijk lichaam vervult sport in zijn beschouwing een hoofdrol. Pas aan het eind van het boek echter wordt tussen de regels door aangestipt dat sport ons bij uitstek ‘iets’ fundamenteels duidelijk kan maken. Namelijk dat ons lichamelijk bestaan werkelijk afhankelijk is van de (geologische) omstandigheden die het tijdperk van het huidige antropoceen kenmerken. Een tijdperk waarin de mens zelf - zeker sinds de industrialisatie - een de leefbaarheid van onze planeet bedreigende kracht is geworden. Helaas blijft het vooralsnog daarbij. Niets verder over de positieve of negatieve bijdrage/impact die de sport in dit tijdvak al heeft of zou kunnen hebben. Het is te hopen dat de nieuwe generatie sportfilosofen in hun komende bijdragen ‘de sportwereld zelf’ uitgebreider en meer diepgravend onder de loep neemt. Daar worden niet alleen hun vakgenoten wijzer van. 

Leestips:

  • Kugel, J. (1982). Filosofie van het lichaam. Utrecht/Antwerpen: Het Spectrum
  • Houterman, A. (2019). Wij zijn ons lichaam. Amsterdam: Ambo/Athos

Adri Broeke (1946) verdiende de kost als bollenpeller, bakkersknecht, gymleraar, beroepsopleider, consultant, lector en als onderzoeker. Op 25 maart 2010 is hij gepromoveerd. De titel van zijn proefschrift: Professioneel Sportmanagement Vernieuwen. Zijn favoriete boek is: De A.F.C.’ers van J.B. Schuil.

« terug

Reacties: 0

Reactie toevoegen

Naam*
E-mailadres*
Reactie*
Stuur mij een e-mail als er een nieuwe reactie wordt geplaatst