Skip Navigation LinksHome-Achtergronden-Archief-Sporvereniging en Passie-Item

Een ‘mix’ voor bestuur en beleid 6 april 2010

door: Maikel Waardenburg

De discussies die binnen deze serie zijn gevoerd leveren in mijn optiek een drietal spanningsvelden op: autonomie versus sturing, vrijwilligheid versus professionaliteit en passie versus doelrationaliteit. Deze spanningsvelden werk ik in deze bijdrage verder uit.

Autonomie versus sturing
Laten we beginnen met het spanningsveld tussen autonomie en sturing. Dit spanningsveld gaat over de vraag wie nu eigenlijk bepaalt wat zich binnen een sportvereniging afspeelt. Zijn dit de leden van de vereniging? Is dat het bestuur van de vereniging? Of is dat meer en meer de overheid aan het worden? Officieel is de ALV het beslissend orgaan. Tijdens ALV’s wordt echter vaak op hoofdlijnen besloten. Dagelijkse beslissingen worden vooral door het bestuur van een sportvereniging genomen. Maar in hoeverre zijn sportbesturen vrij om hun eigen weg te bepalen? Overeenkomsten met gemeenten over vernieuwing van een sportpark, subsidietoekenning, gemeentelijke ondersteuning en meer van dit soort zaken monden nogal eens uit in een inmenging van lokale overheden in de ontwikkelingsrichting van een sportvereniging.

De aanleg van een nieuw kunstgrasveld door een gemeente gaat bijvoorbeeld gepaard met de eis dat een hockey- of voetbalvereniging naschoolse opvang aanbiedt. Waar het hier om gaat is dat het nemen van beslissingen niet (meer) vanuit interne discussie wordt gevoed, maar door externe eisen en ontwikkelingen. De vraag of een sportvereniging nog wel een autonoom handelende organisatie is, mag gesteld worden.

Vrijwilligheid versus professionaliteit
Het tweede spanningsveld komt in deze serie nadrukkelijk naar voren in de bijdrage van Jo Lucassen van 2 maart 2010. Hij benadrukt vooral terughoudend te zijn in het doorvoeren van professionalisering op grote schaal bij sportverenigingen. De uitdaging is volgens hem professionalisering in de juiste mate en de goede vorm te bevorderen, van onderop, met maatwerk.

En dat maatwerk laat nogal eens te wensen over. De gemeente Utrecht kent bijvoorbeeld niet per vereniging, maar per tak van sport subsidie toe voor het aanstellen van een verenigingsmanager. Hoe groter de sport, hoe meer verenigingsmanagers aangesteld kunnen worden voor die sport. Dit betekent concreet dat bijvoorbeeld twee verenigingen samen één verenigingsmanager aan dienen te stellen, willen zij van deze gesubsidieerde kans gebruik maken. Desbetreffende verenigingen kennen echter een totaal verschillende achtergrond, samenstelling van leden en takenpakket voor een eventuele verenigingsmanager. Daarnaast is het bij veel sportverenigingen niet duidelijk of zij wel structureel een verenigingsmanager nodig hebben. Waarom niet eerst projectmatig inzetten van en wennen aan een verenigingsmanager? Dit zou in Utrecht eenvoudig kunnen worden georganiseerd via instanties als VSU of Sportservice Midden Nederland.

Waar het naar mijn idee om gaat is dat professionalisering te vaak als een dogma wordt nagestreefd, zonder stil te staan bij de consequenties voor sportverenigingen. De intrede van betaalde medewerkers, zoals verenigingsmanagers en combinatiefunctionarissen, doet zich voor sportverenigingen zo plotseling voor, dan men nauwelijks de tijd heeft een dergelijke ingrijpende nieuwe functie op een adequate wijze te overdenken en vervolgens te implementeren. De randvoorwaarden voor toekenning van subsidie werken in die zin ook niet altijd in het voordeel van de sportvereniging.

Passie versus doelrationaliteit
Als laatste noem ik de spanning tussen passie en doelrationeel denken, waar deze serie haar oorsprong heeft. Ik wil hier de passie van de vrijwilliger centraal stellen. Vrijwilligers in de sport kenmerken zich door hun relatief hoge aantal uren tijdsbesteding aan vrijwillige taken en door hun gezamenlijke gerichtheid op ‘het sociale’, oftewel het met anderen en voor anderen in een ‘gezellige’ setting iets willen doen. Een van de belangrijkste centrale waarden van een vrijwillige organisatie is de intrinsieke motivatie die hoort bij de uitvoering van taken door vrijwilligers. Het gaat er dus vooral om wat de sportvereniging de vrijwilliger te bieden heeft, en niet om de wijze waarop leden of vrijwilligers kunnen bijdragen aan de doelstelling van de vereniging. Dat laatste lijkt echter steeds vaker het uitgangspunt te zijn. Sportverenigingen die nog geen beleidsplan hebben worden gewezen op de noodzaak ervan. Sportverenigingen die al wel werken met een beleidsplan wijzen hun commissies weer op de noodzaak van een eigen beleidsplan, waarin rationeel onder woorden moet worden gebracht wat de doelstelling van de activiteit is en welke waarde deze activiteit heeft voor de organisatie en haar leden.

Hetzelfde geldt wanneer een vrijwilliger mooie plannen heeft om een activiteit op te starten. In plaats van enthousiast aan de slag te gaan met het idee, dient dit eerst verder te worden uitgewerkt, beargumenteerd, voorzien van doelstellingen, een meerjarenactiviteitenplan en een gedetailleerde begroting. Pas daarna gaat de gemeente, bond, of zelfs het eigen bestuur van de vereniging over tot financiering en medewerking aan het plan. Zo sterven heel wat creatieve ideeën nog voordat ze in bloei schieten. De passie van vrijwilligers wordt op die wijze tekort gedaan. En dat terwijl Bertus gewoon graag twee keer per jaar een spellenmiddag organiseert voor de veteranen. Het getuigt ook van weinig vertrouwen in de zelfredzaamheid van vrijwilligers, terwijl deze toch al meer dan een eeuw de sportvereniging draaiende houden en de sport de maatschappelijke waarde hebben gegeven die het nu bezit.

Hoewel in een column als deze geen plek is voor een uitgebreide analyse, denk ik dat de hierboven omschreven spanningsvelden kunnen bijdragen aan het verhelderen van bestuurs- en beleidsvraagstukken in de sport. Het zijn drie spanningsvelden waarin vrijwilligers, sportbesturen, overheidsinstellingen, koepelorganisaties en andere betrokkenen gezamenlijk de ideale ‘mix’ moeten zien te creëren voor een optimale sportbeoefening en -beleving. Laten we beginnen met het accepteren dat spanningsvelden bestaan en van deze tijd zijn, dan kunnen we er met open vizier verder over discussiëren.

Maikel Waardenburg is werkzaam als docent/onderzoeker aan de Utrechtse School voor Bestuurs- en Organisatiewetenschap (USBO) van de Universiteit Utrecht.
« terug

Reacties: 0

Reactie toevoegen

Naam*
E-mailadres*
Reactie*
Stuur mij een e-mail als er een nieuwe reactie wordt geplaatst