Skip Navigation LinksHome-Achtergronden-Archief-Sporvereniging en Passie-Item

Verenigingscultuur in sport meer waard dan stapel gouden medailles 2 maart 2010

door: Jo Lucassen

De laatste weken wordt op dit forum een verhit debat gevoerd over de wenselijkheid van professionalisering in de verenigingssport. Een discussie waarin uitgesproken aanhangers van innovatie en marketing lijnrecht lijken te staan tegenover de conserveerders van het verenigingserfgoed.

Wat mij daarbij opvalt, is dat met groot gemak allerlei stellingen worden betrokken zonder dat helder is waar het nu precies over gaat. Geen gebrek aan grote woorden en aan generalisaties. Maar waar hebben we het eigenlijk over? Om te beginnen wordt van professionalisering in ‘de sport’ gesproken zonder dat altijd duidelijk is wat daarmee wordt bedoeld. Het huis van de sport kent vele kamers. Betaald voetbal, commerciële sportcentra, fitness, parksport, verenigingssport, het kan allemaal tot de familie worden gerekend. Voor de vraag of professionalisering wenselijk is maakt het echter nogal wat uit welk segment je voor ogen hebt. Ik zal mij in deze bijdrage vooral beperken tot de verenigingssport.

Ook de term professionalisering wordt veel zonder nadere toelichting gebruikt. Aan dit verschijnsel worden echter over het algemeen nogal verschillende dimensies onderkend. Eén cruciaal element is dat het werk steeds meer specialistische kennis en bekwaamheden vereist, waardoor het ‘vak’ zonder een grondige scholing nauwelijks goed kan worden uitgeoefend. Voor zo’n vak wordt dan een opleiding ingericht, waarbij het tegenwoordig gebruikelijk is de (professionele) eisen vast te leggen in een ‘beroeps competentie profiel’. Een ander element van professionaliteit is dat bepaalde taken meer en meer beroepshalve worden gedaan. Met de uitvoerenden wordt een contract gesloten en ze ontvangen een salaris. Beide kenmerken gaan vaak samen, maar niet per definitie. Dit geldt zeker voor de verenigingssport, waar veel vrijwilligerswerk voorkomt, waarbij mensen zich met al hun bekwaamheden kosteloos inzetten. Het maakt voor de discussie nogal wat uit welke element van professionalisering vooral nodig wordt gevonden: meer expertise of meer betaling (vanwege capaciteit of werkgelegenheid).

Een derde punt waarover helderheid wenselijk is, is de vraag of professionalisering bij sportverenigingen zich op alles zou moeten richten of juist op bepaalde functie(s): bestuur en management, training en instructie, medische verzorging, beheer en onderhoud? Ook bij deze kwestie speelt het karakter van sportverenigingen als vrijwilligersorganisaties een grote rol: belemmert professionalisering die vrijwillige inzet en hoeveel waarde hechten we aan het behoud daarvan? Wie in dit debat stelling neemt zal niet kunnen volstaan met een idee over professionalisering, maar uiteindelijk ook met de billen bloot moeten met een visie over de toekomst van de verenigingscultuur en het vrijwilligerswerk. Voordat ik mij daaraan waag lijkt het me goed nog eens enkele feiten op een rijtje te zetten over de staat van professionaliteit bij sportverenigingen. Niets nieuws, maar wel handig voor het totaalplaatje.

De feitelijke stand van zaken
Het vrijwilligerswerk speelt nog steeds een centrale rol in het functioneren van sportverenigingen in Nederland. Ruim de helft van de 30.000 sportclubs (55%) werkt uitsluitend met vrijwilligers zonder enige vorm van vergoeding. De omvang van deze vrijwillige inzet is groot en komt zeker niet alleen van tante Sjaans en ome Keessies. In een gemiddelde najaarsweek zijn bij de sportclubs ruim een half miljoen vrijwilligers actief, die gezamenlijk 2,1 miljoen uren werk verzetten, goed voor 52.000 fte (2006). Waarmee gelijk duidelijk wordt dat een volledige professionalisering – zo al wenselijk - financieel onuitvoerbaar is. De gestrande pogingen om via arbeidsplaatsenbeleid in de afgelopen decennia de professionalisering bij sportclubs op grotere schaal door te voeren, zoals het STK-beleid en PRinS-project, onderstrepen hoe moeilijk het is hiervoor een solide financiële basis te realiseren.

Een grote meerderheid van de sportclubs heeft geen betaalde mensen in dienst (85%, 2006). Bij ongeveer één op de zes clubs lopen dus wel professionals rond. Dit betreft voornamelijk trainers/begeleiders en enigermate beheerders. Bestuur en management zijn nog heel sterk een zaak van vrijwilligers. Om de verhouding nog iets te verhelderen in totaal hebben de sportclubs zo’n 13.000 personen in dienst die gezamenlijk voor 3.700 fte zijn aangesteld. De functieomvang per professional is dus gemiddeld 0,3 fte of twaalf uur per week. Zoals te verwachten zijn er grote verschillen tussen takken van sport. Driekwart van de voetbalclubs heeft betaalde krachten in dienst, in doorsnee twee betaalde trainers (0,6 fte) en zeventig vrijwilligers. Bij verenigingen voor teamzaalsporten loopt maar bij 5% betaald kader rond en zijn gemiddeld vijftien vrijwilligers actief.

De mate van professionalisering in de verenigingssport is relatief gering als we die vergelijken met andere segmenten van de sport: commerciële aanbieders, exploitanten van accommodaties en fitnesscentra hebben meer dan 20.000 fte in dienst. In deze aanpalende segmenten wordt in de komende jaren ook drie maal zoveel groei verwacht dan bij de sportverenigingen. Dit betekent overigens ook dat die andere segmenten een aantrekkelijk werkterrein vormen voor de mensen die nu in opleiding zijn. Ook de 1.250 fte combinatiefunctionarissen die nu gaandeweg bij verenigingen worden aangesteld zullen in deze situatie geen wezenlijke verandering brengen.

De professionalisering bij sportclubs is dus tot nu toe beperkt en concentreert zich vooral rond het trainersvak en het gros van de verenigingen wordt nog steeds overeind gehouden door de inzet van vrijwilligers. Ondanks alle dynamiek van de laatste decennia kunnen we stellen dat de verenigingscultuur en het vrijwilligerswerk in de sport nog steeds floreren. Degenen die die verenigingscultuur afdoen als achterhaald en ‘niet van deze tijd’ lijken niet te willen zien hoe zeer dit een ‘blessing in disguise’ is voor de Nederlandse samenleving. De sportverenigingen vormen een rijk geschakeerd palet aan ‘werkplaatsen’ niet alleen voor fysieke activiteit, sociaal contact en ontspanning, maar ook van zelforganisatie en maatschappelijke betrokkenheid.

Professionalisering bij sportclubs verdient serieuzer aanpak
Er is dus alle reden om het beleid - ook het professionaliseringsbeleid in de sport - te richten op het behoud van deze verenigingscultuur. Niet om die te conserveren, maar juist om die te versterken en te ontwikkelen. Vergroting van de professionaliteit bij sportverenigingen is om meerdere redenen wenselijk: omdat leden meer kwaliteit en flexibiliteit vragen en vanwege de toenemende eisen en verwachtingen van de overheden en andere belanghebbenden.

De kwestie is meer waar en hoe die bereikt zou moeten worden. Bij grote verenigingen, met meer dan vijfhonderd leden lijkt hiervoor het grootste draagvlak te bestaan, maar dit betreft maar tien procent van alle sportclubs in ons land. Het idee dat we alle ‘krachtige’ verenigingen daarbij tot ondernemingen zouden moeten ombouwen is minstens één brug te ver. Er zijn nauwelijks clubs die zich in dit ideaal herkennen. Bovendien weet een groot aantal verenigingen zich ook zonder bedrijfsmatige aanpak en zonder inzet van professionals te vernieuwen met veel oog voor de veranderende behoeften van leden en van de gemeenschap.

Vergroting van professionaliteit is ook op andere manieren te bereiken. Door te blijven investeren in de opleiding van begeleidend kader bijvoorbeeld. Jaarlijks slagen er weliswaar zo’n 80.000 mensen voor een bondsopleiding , maar het verloop onder de 600.000 werkzame begeleiders is ook jaarlijks zo’n tien procent. Per saldo hebben alle inspanningen in de afgelopen jaren nog niet ertoe geleid dat alle verenigingsleden worden begeleid door geschoolde trainers. Minstens de helft van de actieve trainers heeft geen passende opleiding afgerond.

Ook het tijdelijk inzetten van professionele support in de vorm van verenigingsadviseurs of –ondersteuners blijft een belangrijke manier om de professionaliteit van clubs te vergroten. Terwijl maar vijf procent van de sportverenigingen in de toekomst denkt meer betaalde krachten aan te stellen, hebben twee van de drie clubs behoefte aan professionele ondersteuning. Hoewel het aantal verenigingsadviseurs in de afgelopen jaren fors is gegroeid onder meer door de inzet van gemeenten, is er opvallend genoeg nauwelijks enige coördinatie op dit terrein. Het lijkt erop dat NOC*NSF - dat een grote rol heeft gespeeld in de ontwikkeling van deze clubondersteuning - dit nu overlaat aan het vrije spel der maatschappelijke krachten. Op de website van de koepel veel over olympisch vuur en proeftuinen, maar naar een trefwoord als verenigingsadvies of vrijwilligers zoekt men tevergeefs. In mijn ogen tekenend voor het actuele gebrek aan aandacht voor een essentieel element in de verenigingscultuur.

Het opzetten van een gemeenschappelijke serviceorganisatie door sportverenigingen gezamenlijk is een andere mogelijkheid gebleken om de professionaliteit bij de betrokken clubs te vergroten. Er is een groeiend aantal succesvolle voorbeelden, zoals de basketbalbolwerken, Stichting Turnstad Amsterdam, Samenwerkingsverband Eindhovense Gymnastiek Verenigingen, Stichting Wijksport Wijk bij Duurstede en Stichting de Noordpunt Utrecht. Een aanpak die past bij het ‘samen ergens voor gaan’ karakter van sportclubs.

Meer professionaliteit met behoud van vrijwillige inzet en passie
Ook wanneer wel wordt overgegaan tot het aantrekken van betaalde mensen zou dit moeten gebeuren met het oog op het ondersteunen en versterken van de vrijwillige inzet en clubcultuur. Uiteraard ga ik ervan uit dat dan wordt gekozen voor gepassioneerde sportprofessionals. Als dát de aanpak is, is vrees voor een verdringing van vrijwilligers onnodig, zo hebben de experimenten met STKers en Verenigingsmanagers duidelijk gemaakt. Daar kwamen er door een ondersteunende rol van de professionals juist meer vrijwilligers bij. Daarnaast is bij deze experimenten gebleken dat de clubs een duidelijke visie moeten hebben op wat met de inzet van professionals moet worden bereikt. De verenigingscultuur is erbij gebaat als die betaalde inzet ondersteunend is of tenminste aanvullend voor taken die echt niet goed zijn te realiseren door vrijwillige inzet. Dat kan zijn omdat het een specifieke deskundigheid vergt, die je van vrijwilligers niet mag verwachten of omdat de activiteiten op een tijd moeten plaatsvinden waar anders niemand voor beschikbaar is.

Een belangrijk argument waarmee de laatste tijd op professionalisering bij sportverenigingen wordt aangedrongen is, dat zij dan beter in staat zijn een maatschappelijke rol te vervullen in opvang, onderwijs en wijk. Overheden lijken het steeds meer vanzelfsprekend te vinden dat sportclubs die bredere maatschappelijke taakstelling op zich nemen. Een meerderheid van de clubs vindt echter dat ze op dit moment al maatschappelijk betrokken is. Ze zetten zich niet alleen in om sport lokaal mogelijk te maken, maar in veel gevallen ondernemen ze ook incidenteel of structureel activiteiten ten behoeve van de gemeenschap of buurt, van specifieke achterstandsgroepen of in het kader van sportstimulering.

Professionele support kan daarbij steunen, maar aanwezigheid van professionals is geen voorwaarde om die inzet te plegen. Deze maatschappelijke inzet sluit goed aan bij het solidaire karakter van de verenigingscultuur. En daar is absoluut niets mis mee. Minder geslaagd wordt het wanneer deze maatschappelijke inzet geen zaak is van vrije keuze van clubs, maar min of meer wordt afgedwongen dat verenigingen zich reorganiseren en professionaliseren omdat ze anders niet maatschappelijk betrokken kunnen zijn. Dit raakt aan de principiële kwestie van wie de verenigingen eigenlijk zijn. Er is bij sportclubs weinig steun te verwachten voor het idee dat zij onderdeel zijn van het gemeentelijk apparaat of dat zij filialen zijn van de landelijke bond. Inspelen op en versterken van het zelforganiserend vermogen en de al aanwezige bereidheid tot vrijwillige betrokkenheid lijkt me hier een passender benadering. Kortom een beleid voeren dat de diversiteit van sportverenigingen als uitgangspunt neemt en koerst op maatwerk.

Vergroten van de professionaliteit bij sportverenigingen: de uitdaging is dit in de goede mate en goede vorm te bevorderen, van onderop, met maatwerk. Met als uitgangspunt de verenigingscultuur en de vrijwillige inzet die daaraan eigen is. Dat vergt eerder terughoudendheid dan een rigoureus doorvoeren van professionalisering op grote schaal, die overigens ook financieel onhaalbaar blijkt. Ook bij andere professionele ondersteuningsvormen valt nog veel te winnen. Waarom blijft een goed gecoördineerde ontwikkeling van de verenigingsondersteuning en van vrijwilligersbeleid achterwege? En wat wordt er gedaan om voor de professionals die wel bij sportclubs aan de slag zijn goede arbeidsvoorwaarden en een carrièreperspectief te bieden? Worden de voorzieningen voor arbeidsaangelegenheden van de provinciale sportservices voldoende door de clubs benut? Waarom wordt er zo weinig ingezet op de bundeling van de verschillende sportprofessionals, bijvoorbeeld van de combinatiefunctionarissen? Kortom er is nog meer dan genoeg werk aan de winkel om een professionalisering op maat binnen sportverenigingen te doen slagen.

Jo Lucassen is werkzaam als senior onderzoeker bij het Mulier Instituut in ’s Hertogenbosch. Voor reacties: j.m.h.lucassen@mulierinstituut.nl

« terug

Reacties: 0

Reactie toevoegen

Naam*
E-mailadres*
Reactie*
Stuur mij een e-mail als er een nieuwe reactie wordt geplaatst