Skip Navigation LinksHome-Achtergronden-Archief-Case Closed!-Item

Aanhouden en (zelf) vervolgen 19 mei 2009

door: Marc Delissen

Iedereen heeft recht op een eerlijk proces. Is er ook sprake van een eerlijk proces indien de ten laste leggende instantie ook de (ver)oordelende instantie is? De voorzieningenrechter in de rechtbank Utrecht en het Gerechtshof Amsterdam hebben zich over deze vraag uitgelaten. Als je gaat sporten moet je oppassen.
 
A. is voetbalspeler bij de voetbalclub B. en speelt in de zondaghoofdklasse. A. is bij uitspraak van de Tuchtcommissie van de KNVB van 15 augustus 2007 schuldig bevonden aan overtreding van artikel 2.1 van het Dopingreglement KNVB (hierna: ‘het Dopingreglement’) en op grond van die uitspraak uitgesloten van deelname aan alle bindende competitie- en bekerwedstrijden van 15 april 2007 tot 15 april 2009. Er was amfetamine in zijn urine aangetroffen. A. heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld, waarna de commissie van beroep van de KNVB de voormelde uitspraak op 14 november 2007 heeft bevestigd.  

A. is van oordeel dat er geen sprake is geweest van een eerlijk en zorgvuldig tuchtrechtelijk proces en vordert in kort geding dat de KNVB wordt veroordeeld om de schorsing niet langer ten uitvoer te leggen c.q. op te schorten. De voorzieningenrechter heeft deze vordering afgewezen. A. legt vervolgens het geschil in volle omvang voor aan het Hof Amsterdam.

A. doet allereerst een beroep op artikel 6 EVRM (recht op een eerlijk proces) daarbij stellende dat het feit dat de tuchtcommissie het hem verweten dopinggebruik ten laste heeft gelegd en diezelfde tuchtcommissie daarover een oordeel heeft gegeven, strijdig is met zijn recht op behandeling van zijn zaak door een onafhankelijke en onpartijdige tuchtrechtsprekende macht. In grief 1 en de toelichting daarop betoogt A. dat de voorzieningenrechter ten onrechte dit beroep heeft verworpen, omdat hij door zijn lidmaatschap gebonden is aan de tuchtrechtelijk procedure, zoals neergelegd in het Reglement Tuchtrechtspraak Amateurvoetbal – hierna: RTA.

Het hof is het daar niet mee eens. Artikel 6 EVRM geeft de burger waarborgen in verband met het vaststellen van burgerlijke rechten en verplichtingen dan wel het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vordering. Uitsluiting van deelname aan (niet-professionele) voetbalwedstrijden valt daar naar het oordeel van het hof niet onder. Dit brengt mee – aldus het hof – dat ook de subsidiaire stelling van A. in dit kader dat aan de hand van concrete feiten en omstandigheden getoetst moet worden of sprake is van een onafhankelijke tuchtrechtsprekende macht en equality of arms, geen bespreking behoeft.  

Dan de zaak zelf
Vervolgens richt A. zich tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de tuchtcommissie en de commissie van beroep in redelijkheid niet tot de bewezenverklaring van het aan A. ten laste gelegde hebben kunnen komen en de overwegingen die aan dat oordeel ten grondslag liggen. A. wilde – kort gezegd – tegenbewijs leveren (door middel van een haartest) tegen de uitslag van het urineonderzoek. De grieven richten zich op de vraag of op grond van de toepasselijke regelingen tegenbewijs tegen de uitslag van het urineonderzoek open staat en of de door A. geïnitieerde haartest als zodanig bewijs kan dienen. A. stelt dat het ten onrechte uitsluiten van tegenbewijs (in de vorm van haarbewijs) impliceert dat de tuchtrechtelijke instanties niet in redelijkheid tot de bewezenverklaring van het hem ten laste gelegde hebben kunnen komen.

Vaststaat dat zowel in het A-monster als in het B-monster amfetamine is aangetroffen. Op een (vermoeden van) overtreding van het dopingverbod zijn de regels van het Dopingreglement als zijnde een bijzondere regeling van toepassing. Daarin wordt bepaald dat de uitslag van het onderzoek van het A-monster als bindend wordt aangemerkt, indien, zoals in casu het geval, deze uitslag wordt bevestigd door de uitslag van het B-monster. Tegenbewijs door een haartest kan – op grond van de ten tijde van de controle geldende regelgeving (WADA code) – niet geleverd worden.

A. voert dan nog enkele bezwaren aan tegen de gevolgde procedure. Zo stelt A. dat de tuchtcommissie hem had gemeld (na de mondelinge behandeling) dat er nog nader onderzoek (naar de haartest) zou worden verricht en dat hij niet op de hoogte is gebracht van dit onderzoek. De tuchtcommissie had echter op de hoogte moeten zijn van de ontoelaatbaarheid van de haartest en heeft in die zin A. valse hoop gegeven door nader onderzoek te gelasten. A. is daarmee evenwel niet in zijn verdediging geschaad.

Onze voetballer had zich de moeite (en de kosten) van de haartest kunnen besparen, nu dit (maar daarvan was de tuchtcommissie ook niet op de hoogte) überhaupt niet zou worden toegelaten.

De straf
In grief 12 tot slot, stelt A. de straftoemeting aan de orde. Hij voert aan dat de tuchtcommissie ten onrechte niet is ingegaan op de verwijtbaarheid ten aanzien van de aanwezigheid van amfetamine in het urinemonster. Ook hiermee maakt het hof korte metten. A. heeft geen verklaring gegeven voor de amfetamine in zijn urine die invloed zou kunnen hebben op de verwijtbaarheid.

Het hof acht het onvoldoende aannemelijk dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat gebondenheid aan de uitspraken van de tuchtcommissie en commissie van beroep naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid daarvan onaanvaardbaar zou zijn.    

Tot slot
Doping is dus niet alleen voorbehouden aan het hoogste niveau. Op amateurniveau zijn de belangen blijkbaar al dusdanig dat ook daar gesnoept wordt uit de verkeerde pot. Inhoudelijk had de voetballer in kwestie geen verweer. A- en B-monster waren onverbiddelijk. Dat hij dan pogingen doet procedureel de wedstrijd nog te winnen, is begrijpelijk maar een achterhoede gevecht. De voetbalschoenen kunnen twee jaar (een lange straf!) in het vet. 

Marc Delissen werkt als advocaat bij ‘Delissen Martens advocaten en belastingadviseurs’ te Den Haag. Eerder was Delissen hockey-international; hij speelde 261 interlands waarin hij 98 doelpunten maakte. Met het Nederlands elftal werd hij Europees kampioen in 1987, wereldkampioen in 1990 en Olympisch kampioen in 1996 (als speler) en 2000 (als assistent-bondscoach).

« terug

Reacties: 0

Reactie toevoegen

Naam*
E-mailadres*
Reactie*
Stuur mij een e-mail als er een nieuwe reactie wordt geplaatst