<< terug
Reacties
Betaald voetbal organisaties zijn ondernemingen die actief zijn op de vrije markt. Dus gelden de regels van de vrije markt en die zijn o.m. dat staatssteun alleen onder strenge voorwaarden is toegestaan; steun om te redden wat er te redden valt. Steun / subsidie voor activiteiten zoals die worden beschreven in het voortreffelijke interview met Edu Jansing is uiteraard zeer gewenst.
Maar ook voor die activiteiten geldt dat aan de uitvoerders niet méér dan een marktprijs mag worden betaald. Resteert een conclusie: bvo's die - op welke verkapte wijze dan ook - staatssteun ontvangen zijn feitelijk failliet en dienen uit de competitie worden genomen.
Loek Jorritsma
NB. Joop Niezen was degene die het woord bobo's introduceerde. Ere wie ere toekomt.
Helemaal mee eens!! Als dat bij banken moet dan ook bij (voetbal)clubs. Hamvraag voor het ontvangen van een subsidie is: welk maatschappelijk probleem wordt opgelost. Overheidssubsidies voor betaalde voetbalclubs zijn daarmee sowieso al twijfelachtige "maatschappelijke doelen".
Jan Pool
Interessante stelling. Want hoe zit het ook weer met die overheidssubsidie? Anders dan in het verleden komt het formeel nog nauwelijks voor dat lokaal of regionaal overheidsgeld in de exploitatie van een van de Nederlandse BVO’s wordt gestoken.
Gezien de actuele economische ontwikkelingen, maar eigenlijk al eerder, kwamen steeds meer gemeenten er achter dat het positief effect op het sociaal klimaat van gesubsidieerd betaald voetbal ter plaatse niet meer opwoog tegen de financiële nadelen. Gemeenten hebben nu eenmaal te maken met een groot aantal probleemgebieden met als gemeenschappelijk kenmerk dat ze geld tekort komen. Op de lange duur was dan ook niet uit te leggen dat de betaalde sport via gemeenschapsgeld overeind zou worden gehouden.
Zodra de discussie dat punt naderde kregen gemeenten, als de plaatselijke club weer eens in zwaar weer terechtkwam, te maken met lokale emoties. In Emmen, Veendam, Apeldoorn, Zwolle, Sittard, Helmond en Deventer is de lokale kiezer nog uit te leggen dat dokken aan de plaatselijke 1ste divisieclub subsidie is aan elke week weer hetzelfde handjevol tribunebezoekers - cijfermatig decimalen van de plaatselijke bevolking.
Inmiddels is rechtstreekse overheidssubsidie aan de exploitatie van BVO’s nagenoeg getackeld. Ook de voetbalwereld beseft eindelijk dat zoiets in crisistijd niet meer te verkopen is. Wat wél gebeurt is dat lokale overheden investeren in de opstallen van de voetbalclubs. Zo heeft de gemeente Den Haag onlangs weer een deel van het ADO-stadion in bezit genomen. In Den Haag vindt men namelijk dat de hofstad volop aanwezig moet zijn in de top van ons betaalde voetbal, de eredivisie. Een ander facet is dat Den Haag de Academie voor Lichamelijke Opvoeding op de oude ADO-locatie in het Zuiderpark wil vestigen. Dure grond, kostelijk gesitueerd, waarvoor de club met recht van spreken flink wat geld terugverwacht.
Rechtvaardigt dit alles voetballerssalarissen die de Balkenendenorm (ca. € 190.000) overstijgen? Ook gezien de beperkte kwaliteit van ons voetbal is het antwoord voluit nee. Echter, ook in de professionele sport (of beter: juist in de professionele sport) is gekozen voor de markt. Wil je meedoen op niveau dan heeft dat zijn prijs.
Dankzij de strenge KNVB-normen, die de exploitatierekening van de clubs in balans trachten te houden, mogen clubs niet meer uitgeven dan er echt binnenkomt. Ook verkapte subsidiering, zoals bij ADO, rechtvaardigt dus een rem op de spelerssalarissen. Met als consequentie dat de betere talenten hun heil elders of liever nog over de grens zoeken. Nederland is daardoor een opleidingsland geworden à la Denemarken. We moeten genoegen nemen met een sterk Nederlands elftal dat potten kan breken op elke EK en WK. Dat moet genoeg zijn - de Balkenendenorm is binnen Nederland dan ook een uitstekend richtsnoer voor Nederlands voetbaltalent met potentie voor de Cameron-norm.
Joop Niezen
