Skip Navigation LinksHome-Nieuws-Vraag & Antwoord-Item

De vraag van Annelies Knoppers aan Nicolette van Veldhoven 6 november 2012

De vraag van… Annelies Knoppers, hoogleraar in de pedagogiek en diversiteit in sport en lichamelijke opvoeding
Aan… Nicolette van Veldhoven, programmamanager onderzoek bij NOC*NSF

De vraag
Het Onderzoeksprogramma Sport heeft als doel om het wetenschappelijk onderzoek op het terrein van (top)sport en bewegen te versterken ‘en zo kwalitatief hoogwaardige en duurzame kennis op te bouwen en die kennis in te zetten voor de praktijk’. En verder: ‘Belangrijk speerpunt binnen het programma is het inzetten van de ontwikkelde kennis voor beleid en praktijk. Dit betekent: landelijk en lokaal beleid, de praktijk van de sportsector, het onderwijs, etc.’

De onderliggende aanname van zo’n kennisagenda lijkt te zijn dat sport voornamelijk een positief fenomeen is in de samenleving. Ook lijkt het alsof alleen wetenschappelijk sportonderzoek nodig is dat meteen toepasselijk is in de praktijk (participatie op micro- en meso- niveau) en dan het liefst morgen zodat meer mensen sporten of dat kunnen doen onder betere voorwaarden. Maar kritisch wetenschappelijk onderzoek dat kijkt naar sport als een maatschappelijk fenomeen kan misschien ook een meerwaarde hebben voor de kennisagenda in sport.

Mijn vraag is: wat is de meerwaarde van fundamenteel kritisch sociaal wetenschappelijk onderzoek in en naar sport voor de kennisagenda? Hoe zou onderzoek op macroniveau kunnen bijdragen aan een verandering van het sport en/of maatschappelijk klimaat? In hoeverre is het noodzakelijk dat wetenschappers kritisch onderzoek doen naar sport als een maatschappelijk fenomeen?

Samenvattend: wat is de meerwaarde van (fundamenteel) kritisch sociaal wetenschappelijk sport onderzoek op macroniveau voor de kennisagenda in sport in Nederland?

Het antwoord
Beste Annelies,

Dank voor een interessante en complexe vraag.

Onderzoek en het doen van onderzoek is onderdeel van de kennisketen, waarin voor de sportpraktijk het natuurlijk uiterst relevant is dat de opgedane kennis uit onderzoek ook toegepast kan worden in de sportpraktijk. Het gezamenlijk opgesteld Sectorplan Sportonderzoek en -onderwijs 2011-2016 heeft meerdere doelstellingen om de kennisketen in zijn geheel te beïnvloeden. Deze doelen zijn:
- de vraagarticulatie versterken;
- de onderzoeksomvang vergroten;
- clusteren en coördineren van activiteiten in de kennisketen;
- toepassen en gebruik van kennis versterken.
 
Het door jou aangehaalde Onderzoeksprogramma Sport - dat in juli jl. van start is gegaan - is een NWO-programma. En één van de mogelijkheden om de onderzoeksomvang voor de sport te vergroten. Dus ook niet de enige mogelijkheid. Met het NWO-programma hebben we zogezegd de tweede geldstroom voor sportonderzoek ‘aangeboord’ en hier het belang van de sport (toegepaste wetenschap) centraal gesteld. Ingezet ook om de in het sectorplan genoemde kloof tussen sport en wetenschap te verkleinen. Je kunt dit zien als een eerste versterkende stap voor onderzoek op het terrein van sport.

Ik zie dus ook zeker nut en noodzaak voor fundamenteel wetenschappelijk onderzoek, wat natuurlijk binnen de universiteiten (via de eerste geldstromen) ook al plaatsvindt. Ik verwacht overigens van onderzoekers dat zij altijd kritisch te werk gaan. Of sport dus positief dan wel negatief bijdraagt (aan de samenleving) is dus onderwerp van al het onderzoek binnen de sport. Juist via goed wetenschappelijk onderzoek willen wij de waarden van sport voor de samenleving of het individu onderbouwen of bezien onder welke omstandigheden de positieve waarden van sport behaald kunnen worden. Zo kennen we uit onderzoek binnen de pedagogische vraagstukken over sport, dat sport kan bijdragen aan allerlei positieve waarden als zelfvertrouwen, omgaan met anderen en vasthoudendheid.

Echter, deze positieve waarden zijn er niet zomaar. Onderzoekers hebben ook aangetoond dat sport ook kan leiden tot het tegenovergestelde: pesten, intimidatie en blessures. Het werkelijke effect van sportdeelname op de prestatie en de ontwikkeling van jongeren, hangt af van de manier waarop zij sport krijgen aangeboden. Door juist deze contextafhankelijke variabelen te onderzoeken, te leren van wanneer wat werkt, kunnen wij de sportpraktijk van goede adviezen voorzien. Dus ik ben het met je eens dat sport niet voornamelijk een positief fenomeen hoeft te zijn.

Vanuit de wetenschappelijke stroming 'kritisch onderzoek', wil men niet alleen kritisch naar de maatschappij kijken, maar ook naar de eigen onderzoeksresultaten. Met deze resultaten willen onderzoekers in deze stroming bijdragen aan processen in de samenleving die de emancipatie van groepen (gelijke rechten voor bijvoorbeeld mannen en vrouwen) bevorderen. De sport zou zeker gebaat zijn bij kritische stimulansen, bij aanzetten tot discussie, bij aandacht voor specifieke groepen.

Sport is sinds enkele decennia opgerukt van de marge naar het centrum van de samenleving. De media besteden meer dan ooit aandacht aan sport. Gevolg is dat sport onder een vergrootglas ligt en daarmee ook in het midden van het maatschappelijke debat. Ook sport heeft te maken met waarden en normen, met ethische vraagstukken, nadenken over moraal, omgang met homoseksuelen en gender issues, (seksuele) intimidatie en geweld rondom de velden. Fundamenteel kritisch sociaalwetenschappelijk onderzoek kan belangrijke fenomenen binnen de samenleving duiden en deze plaatsen in een sportcontext. Daarmee kunnen zij mede richting geven aan de kennisagenda in de sport.

Echter als dergelijk onderzoek te abstract blijft, te ver van de alledaagse praktijk dan schrikt het mensen af. Dus ook hier zou ik willen pleiten voor het vertalen van onderzoeksgegevens naar de praktijk en het geven van handvatten voor praktisch handelen.

Volgende keer de vraag van Nicolette van Veldhoven aan Cees Oudshoorn, directeur beleid bij VNO NCW:
Beste Cees,
De sportonderzoekssector is sterk in ontwikkeling en heeft gezamenlijk het sectorplan Sportonderzoek en –onderwijs 2011-2016 opgezet. Een strategisch plan om het sportonderzoek en –onderwijs de komende jaren te versterken. Een belangrijke tak die wij nog graag op het sectorplan willen betrekken is het bedrijfsleven, om te komen tot een gezamenlijke kennisagenda voor de sport. En daarom in de komende jaren samen te werken en gezamenlijk te investeren in onderzoek, onderwijs en innovatie.

Mijn vraag is: hoe kunnen we het bedrijfsleven daadwerkelijk betrekken, uitdagen om samen met de sport te investeren in onderzoek, onderwijs en innovatie op het brede gebied van de sport?

« terug

Reacties: 1

-
06-11-2012
In een krimpsituatie (eerste en tweede geldstroom WO) en een groeidomein als sport - zowel qua betekenis als qua onderzoeksbehoefte - zou een actief stimulerende rol van de landelijke belanghebbende partijen op het vlak van fundamenteel wetenschappelijk onderzoek meer dan welkom zijn. Nu is sprake van een financieringscircus waar de gebruikswaarde van wetenschappelijk onderzoek domineert. Kritisch vermogen ontwikkelen vraagt echt meer zorg. Sandra Meeuwsen

Reactie toevoegen

Naam*
E-mailadres*
Reactie*
Stuur mij een e-mail als er een nieuwe reactie wordt geplaatst