Skip Navigation LinksHome-Nieuws-Open Podium-Item

Slimme sportkeuzes | Waarom kinderen starten en stoppen met sporten 20 november 2012

door: Marije Elferink-Gemser, Rianne Kannekens, Sebastiaan Platvoet, Esther Hartman, Tjeerd de Jong & Chris Visscher

Het is op 3 november jl. bij de viering van het 100-jarig bestaan van het NOC*NSF op Papendal wederom duidelijk gemaakt: sport is van enorm belang voor iedereen maar zeker ook voor kinderen. Waar het vroeger een voorrecht was om te sporten, zijn we ervan overtuigd dat het in de huidige samenleving een recht zou moeten zijn.

Dit was ook het thema van de dag: van voorrecht naar recht. Toch zijn nog lang niet alle kinderen lid van een sportvereniging. Vooral in de middelbare schoolleeftijd haken veel kinderen af. Redenen voor stoppen met sport zijn veelzijdig maar het verliezen van het plezier in de sport is een van de belangrijkste (Molinero e.a., 2006). Een belangrijke vraag is: waarom vinden kinderen hun sport niet meer leuk? Het zou heel goed kunnen dat dit samenhangt met de tak van sport die ze beoefenen. Niet alle sporten zijn gelijk en ook de sfeer van hoe mensen met elkaar omgaan kan per sport verschillend zijn.

Beoefenen kinderen wel die sport die het beste past bij hun kwaliteiten? Als deze vraag met ‘nee’ wordt beantwoord, is de kans groot dat ze minder doelgericht zijn, minder intrinsiek gemotiveerd zijn om te blijven sporten en zullen ze waarschijnlijk sneller afhaken. Dit zou niet het geval hoeven zijn als ze op een sport zitten die beter bij hen past, waar ze meer succeservaringen hebben en er meer plezier aan kunnen beleven. Zeker ook vanuit het oogpunt van talentontwikkeling is dit essentieel. Kinderen kunnen alleen hun potentie in een bepaalde sport waarmaken als ze ook daadwerkelijk in aanraking komen met die sport en er veel tijd en energie in kunnen steken. De verwachting is dan ook dat een slimme sportkeuze op termijn eveneens bijdraagt aan het verhogen van het niveau van de Nederlandse topsport.

Het kind centraal
Vanuit de Self-determination theory weten we dat intrinsieke motivatie voor sport gebaseerd is op een drietal pijlers: autonomie (‘autonomy’), verbondenheid (‘relatedness’) en competentie (‘competence’) (Ryan en Deci, 2000). Voor de intrinsieke motivatie is het cruciaal dat het kind het gevoel heeft dat het zelf invloed op de sport kan uitoefenen en zich thuis voelt in de sport. Daarnaast is competentie van groot belang. Als een kind succeservaringen heeft, vindt het de sport vaak leuker en is de kans groter dat het blijft sporten, ook tijdens de tienerjaren.

Sportprestaties komen tot stand door een combinatie van persoonsgebonden kwaliteiten, altijd in en met de omgeving waarin het kind zich bevindt (Elferink-Gemser en Visscher, 2011). Deze persoonsgebonden kwaliteiten zijn een combinatie van fysieke en cognitieve kwaliteiten. Een kind gaat door verschillende fasen van ontwikkeling; niet alleen in fysiek maar ook op cognitief gebied, welke onderling samenhangen (Vuijk e.a., 2011).

Bij iedere sport zullen deze kwaliteiten op een verschillende wijze bijdragen aan het prestatieniveau (Elferink-Gemser e.a., 2011). Met andere woorden: het relatieve belang van een prestatiebepalende kwaliteit ten opzichte van de andere kwaliteiten zal per sport verschillen. Bij ‘open’ sporten zoals voetbal en hockey hangt een prestatie sterk samen met het goed kunnen anticiperen en reageren op de voortdurend veranderende situatie (Kannekens e.a., 2010; Huijgen e.a., 2010), terwijl dat bij meer gesloten sporten als hardlopen en zwemmen een veel kleinere rol speelt.

Het meest ideale profiel per tak van sport is daarmee verschillend. Bovendien is ieder kind uniek en brengt een eigen profiel aan persoonsgebonden prestatiebepalende kwaliteiten mee. Het lijkt aannemelijk dat kinderen baat hebben bij een optimale match tussen de eigen kwaliteiten en de eisen van de sport. Wetenschappelijke bewijslast is hiervoor echter nog minimaal.

Lectoraat Sporttalent HAN
Om kinderen de kans te geven hun potentie waar te maken en te behouden voor de sport lijkt het derhalve belangrijk dat ze terecht komen in een sport die goed past bij hun kwaliteiten en waarin ze zich thuis voelen. Binnen het lectoraat Sporttalent van HAN Sport en Bewegen wordt hier expliciet aandacht aan besteed (Elferink-Gemser e.a., 2012). Eén van de hoofdthema’s binnen het lectoraat is ‘Slimme sportkeuze’.

De eerste stap daarin is het maken van een profiel met belangrijke kenmerken per tak van sport. Hiervoor zijn en worden ervaren trainers en coaches in een scala aan sporten geïnterviewd. Bovendien wordt aangesloten bij wat er inmiddels vanuit de literatuur bekend is (Fransen e.a., 2012; Vandorpe e.a., 2012).

De tweede stap is het ontwikkelen van een testbatterij waarmee de fysieke (o.a. grove motoriek, oog-handcoördinatie, antropometrie) en cognitieve (o.a. creativiteit, probleemoplossend vermogen, omgaan met informatie) kwaliteiten van kinderen die van belang zijn voor verschillende takken van sport in kaart kunnen worden gebracht.

De fysieke kwaliteiten kunnen redelijk eenvoudig in kaart gebracht worden. Echter weten we ook dat op jonge leeftijd een advies geven dat alleen is gebaseerd op fysieke en antropometrische kwaliteiten geen recht doet aan de mogelijkheden van een kind aangezien die kwaliteiten nog heel instabiel zijn op jonge leeftijd (Bloomfield e.a., 1985; Regnier & Salmela, 1987). Vooral het meten van de cognitieve kwaliteiten gekoppeld aan verschillende takken van sport vergt nog het nodige onderzoek. We stellen daarbij het kind centraal: wat vindt het kind leuk om te doen en waar beleeft het de meeste plezier aan?

Onderzoek naar Sportadvies
Op basis van de vergelijking tussen de kenmerken van de sport en van het kind wordt een sportadvies samengesteld. Dit gaat veel verder dan het maken van een fysiek profiel waarbij bijvoorbeeld een lang iemand wordt geadviseerd om te gaan basketballen en een kleiner iemand richting turnen wordt doorverwezen. Het gaat erom een goed beeld te krijgen van de voorkeur van het kind gekoppeld aan zijn of haar fysieke en cognitieve mogelijkheden.

Vindt het kind het leuk om vooral zelf tot een sportprestatie te komen (individuele sport) of is het meer een teamspeler die het leuk vindt om met een team zo goed mogelijk te presteren (teamsport)? Wil het graag precies de uitvoering van te voren kunnen plannen en oefenen (gesloten sport) of komt het beter tot z’n recht als het moet anticiperen en reageren op voortdurend wisselende situaties (open sport)?

Momenteel werken sportonderzoekers en tientallen studenten van zowel HAN Sport en Bewegen als Bewegingswetenschappen van het UMCG/ Rijksuniversiteit Groningen aan het onderzoek waarin ruim honderd trainers/coaches, leerkrachten bewegen en sport, combinatiefunctionarissen sport en honderden kinderen participeren. We verwachten bij aanvang van het schooljaar in 2014 de eerste kinderen en hun ouders op basis van de ontwikkelde testbatterij een genuanceerd sportadvies te kunnen geven. Hierbij is het primaire doel ‘een blijvende actieve sportdeelname voor ieder individu’ en een achterliggende gedachte dat een passend sportadvies ook leidt tot een verbetering van de processen van het herkennen en ontwikkelen van talent. 

Alle onderzoeksresultaten zijn via het expertisecentrum HAN SENECA beschikbaar voor bedrijven en organisaties. Kijk voor meer informatie op www.HAN.nl/seb of www.HAN.nl/seneca.

Marije Elferink-Gemser is lector Sporttalent aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen. Tevens is zij als universitair docent verbonden aan het Centrum voor Bewegingswetenschappen van het Universitair Medisch Centrum Groningen, Rijksuniversiteit Groningen.

Rianne Kannekens is lid van het expertiseteam Talent Identification & Talent Development bij HAN Sport en Bewegen van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen. Ze doet onderzoek naar een Slimme Sportkeuze en is tevens docent aan de HAN.

Sebastiaan Platvoet is teamleider van het expertiseteam Talent Identification & Talent Development HAN Sport en Bewegen. Hij doet promotieonderzoek naar talentherkenning in het sport- en bewegingsonderwijs.

Esther Hartman is universitair docent bij het Centrum voor Bewegingswetenschappen van het Universitair Medisch Centrum Groningen, Rijksuniversiteit Groningen. Ze doet onderzoek naar de relatie tussen motoriek en cognitie bij kinderen.

Tjeerd de Jong is directeur van HAN Sport en Bewegen van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen.

Chris Visscher is hoogleraar Jeugdsport en hoofd van de afdeling Bewegingswetenschappen van het Universitair Medisch Centrum Groningen, Rijksuniversiteit Groningen.

Literatuurlijst
Bloomfield, J., Blansky, B.A., Auckland, T.R., & Elliott, B.C. (1985). The anatomical and physiological characteristics of pre-adolescent swimmers, tennis players and non-competitors. Australian Journal of Science and Medicine in Sport, 17, 3, 19-23

Elferink-Gemser M.T., Visscher, C. (2011). Who are the superstars of tomorrow? Talent
development in Dutch Soccer. In: Baker J, Schorer J, Cobley S, eds. Talent identification and development in sport. International perspectives. London: Routledge, 95-105

Elferink-Gemser, M.T., Platvoet, S., Idema, W., Visscher, C. (2012). Sporttalent
herkennen en begeleiden. Het lectoraat Sporttalent aan de HAN. Lichamelijke Opvoeding, 6, 6-8.

Elferink-Gemser, M.T., Jordet, G., Coelho-E-Silva, M.J., Visscher, C. (2011). The
marvels of elite sports: how to get there? British Journal of Sports Medicine, 45(9), 683-684.

Fransen, J., Pion, J., Vandendriessche, J., Vandorpe, B., Vaeyens, R., Lenoir, M., Philippaerts,
R.M. (2012). Differences in physical fitness and gross motor coordination in boys aged 6-12 years specializing in one versus sampling more than one sport. Journal of Sports Sciences, 30, 379-386.

Huijgen, B.C.H., Elferink-Gemser, M.T., Post, W.J., Visscher, C. (2009). Soccer
skill development in professionals. International Journal of Sports Medicine, 30, 585-591.

Kannekens, R., Elferink-Gemser, M.T., Visscher, C. (2011). Positioning and deciding:
key factors for talent development in soccer. Scandinavian Journal of Medicine and Science in Sports, 21, 846-852.

Molinero, O., A. Salguero, C. Tuero, E. Alvarez, and S. Márquez. 2006. Dropout reasons in young spanish athletes: Relationship to gender, type of sport and level of competition. Journal of Sport Behavior 29, (3) (09): 255-69.

Regnier, G., & Salmela, J. (1987). Predictors of success in Canadian male gymnasts. In B. Petiot, J.H. Salmela & T.B. Hoshizaki (Eds.), World identification systems for gymnastic talent (pp. 143-150). Montreal: Sport Psyche Editions.

Ryan, R.M. & Deci, E.L. (2000). Self-determination theory and the facilitation of intrinsic motivation, social development, and well-being. American Psychologist, 55, 68-78.

Vandorpe, B., Vandendriessche, J., Vaeyens, R., Pion, J., Matthys, S., Lefevre, J., Lenoir, M., Philippaerts, R. (2012). Relationship between sport participation and the level of motor coordination in childhood: A longitudinal approach. Journal of Science and Medicine in Sport, 15, 220-225.

Vuijk, P.J., Hartman, E., Mombarg, R., Scherder, E.J.A, & Visscher, C. (2011). Associations between the Academic and Motor Performance in a heterogeneous sample of Children with Learning Disabilities. Journal of Learning Disabilities, 44 (3), 276-282.

Voor een reactie op dit artikel door Jan Janssens klik hier

« terug

Reacties: 0

Reactie toevoegen

Naam*
E-mailadres*
Reactie*
Stuur mij een e-mail als er een nieuwe reactie wordt geplaatst