Skip Navigation LinksHome-Nieuws-Open Podium-Item

Kleur bekennen 4 december 2017

door: Peter van Tarel

In mijn woonplaats is onlangs een nieuwe sporthal opgeleverd. Een fantastische hal die alleen al door zijn kleurstelling afwijkt van de gemiddelde sporthal. Er is gekozen voor groen als basiskleur met paarse accenten en zelfs een paarse sportvloer. Prachtig om te zien hoe de ene kleur de andere door kleine accenten juist enorm kan versterken. De sportvereniging en onderwijsinstelling zijn terecht trots op hun nieuwe onderkomen.

De discussie over de kwantiteit van het bewegingsonderwijs is weer losgebarsten. Ondanks een investering van acht miljoen blijkt dat er niet méér gymlessen worden gegeven in het basisonderwijs. Natuurlijk kun je je afvragen wat je met een schamele acht miljoen echt kunt veranderen, maar de verwachtingen lagen in ieder geval een stuk hoger dan de realisatie.

"Bewegingsonderwijs wordt nog steeds gezien als 'gymles' in plaats van een serieus vak dat op gelijke voet staat met de cognitieve vakken als rekenen, lezen en schrijven"

De discussie over de kwaliteit van het bewegingsonderwijs (lees: wel of geen vakleerkrachten) laait daarmee ook weer op. Het goede nieuws is dat in de drie grote steden meer lessen gegeven worden door vakleerkrachten. Het slechte nieuws is dat in de rest van het land de LO-lessen slechts in 27% worden verzorgd door een vakleerkracht. Bewegingsonderwijs wordt nog steeds gezien als 'gymles' in plaats van een serieus vak dat op gelijke voet staat met de cognitieve vakken als rekenen, lezen en schrijven. Want in hoeverre wordt er daadwerkelijk bewegingsscholing gedoceerd? 

Zonder basisvaardigheden geen keuzemogelijkheid
Van differentiatie in niveau van het aanbod, afgestemd op de mogelijkheden van de leerling zoals bij andere vakken gebruikelijk is (levelwerk), is absoluut geen sprake. En dat terwijl bewegingsonderwijs een enorme bijdrage levert aan een open toekomst voor kinderen. Door ze zowel motorische vaardigheden als andere positieve effecten van fysieke activiteit, sport en spel mee te geven, wordt kinderen immers de mogelijkheid geboden om te kiezen voor een leven met of zonder sport en bewegen. Een keuze die vrijwel onmogelijk is als de basisvaardigheden niet zijn aangeleerd.

Rudmer Heerema (VVD) merkte onlangs op dat de benodigde extra financiële middelen voor verbetering van het bewegingsonderwijs niet uit de begroting van Volksgezondheid moeten komen, maar vanuit Onderwijs: 'Bij economieles wijzen we ook niet naar het ministerie van Financiën.' Daarmee raakt hij de kern van een belangrijke ontwikkeling die de laatste jaren is ingezet: sport en bewegen (inclusief bewegingsonderwijs) wordt gezien als onderdeel van welzijn. Bewegingsonderwijs is daarmee dus geen vak, maar een welzijnsinterventie. En daarmee verdwijnt de erkenning en kracht van sport en bewegen.

"Sport en bewegen worden steeds meer onzichtbaar en verdwijnen in sommige gevallen zelfs als entiteit"

Stel: ik heb twee potten met verf. Een grote pot blauwe verf staat voor het containerbegrip 'welzijn', een klein potje gele verf staat voor 'sport en bewegen'. Bij het inkleuren van het sociale landschap zie ik steeds meer gebeuren dat beide kleuren gemengd worden tot één kleur die nog het meest lijkt op een soort blauw/groen. Van de oorspronkelijke gele kleur is niets meer waar te nemen, waardoor sport en bewegen steeds meer onzichtbaar worden en in sommige gevallen zelfs als entiteit verdwijnen.

Eigenheid sport erkennen
Om de kracht van sport en bewegen volledig te benutten, is het veel effectiever om het sociale landschap blauw te verven en er gele accenten op aan te brengen. Die accenten brengen verdieping, benadrukken bepaalde onderdelen en brengen bovendien meer leven in het landschap. Alleen door de eigenheid van sport en bewegen te erkennen en te benutten, kunnen ze een effectieve bijdrage leveren aan welzijnsdoelstellingen. Zoals dat al vele jaren in de vorm van een aangenaam bijproduct is gebeurd.

In mijn woonplaats is sport binnen twee jaar van het beleidspodium verdwenen. Van een zeer actieve sportgemeente - met een gemeentelijk Team Sport van 13,1 fte - is nu nog slechts 1 fte specifiek gereserveerd voor sport. Bij de decentralisatie van zorgtaken is de uitvoering van zowel welzijn als sport uitbesteed aan een externe welzijnsorganisatie. Daarbij zijn alle combinatiefunctionarissen sport (10,1 fte) mee verhuisd. De drie fte-ambtenaren sport zijn gereduceerd tot slechts 1 fte. 

Reparatiewerk
Nu twee jaar later blijken alle geuite zorgen vanuit het werkveld bewaarheid: alle combinatiefunctionarissen zijn opgegaan in Wijkteams, met een focus op complete zorg. Verenigingsondersteuning en sportstimulering is tot een minimum beperkt. Sport is als entiteit en beleid volledig verdwenen. Zorg = welzijn. Blauw en geel zijn groen geworden. Gelukkig wordt nu getracht om wat reparatiewerk te verrichten, maar de komende twee jaar zal dit vanwege contractuele verplichtingen nauwelijks haalbaar zijn. Vier jaren verloren.

"Zorg is noodzaak en krijgt daarmee alle mogelijk aandacht en middelen. Sport en bewegen worden daarin meegezogen als slechts één van de vele interventies"

Ondanks veel wetenschappelijke publicaties over de positieve effecten van sport en bewegen blijkt het toch lastig om het de erkenning, en daarmee investering, te geven die het verdient. Waarom is het zo moeilijk om in één keer de stap te zetten naar een investering die het verschil kan maken? Volgens mij komt dit onder andere doordat de focus bij welzijn nog steeds heel veel gericht is op zorg (achteraf) in plaats van op preventie. Zorg is noodzaak en krijgt daarmee alle mogelijk aandacht en middelen. Sport en bewegen worden daarin meegezogen als slechts één van de vele interventies maar zijn aan de achterkant nauwelijks in staat om het verschil te maken. Een focus op zorg lijkt een voordehand liggende keuze, maar die gaat wel ten koste van investeringen in preventie zoals het op peil brengen en houden van een kwalitatief goede infrastructuur voor sport en bewegen.

Argumenten verzamelen
Bovendien is er een ongelooflijke drang naar onderbouwing, bewijsvoering en zekerheid van 'return on investment’. Weten we zeker dat goed bewegingsonderwijs leidt tot de gewenste resultaten? Is het meetbaar? Onderzoek na onderzoek wordt uitgevoerd om voldoende argumenten te verzamelen ter onderbouwing van te maken keuzes, waarvan iedereen stiekem wel weet dat het de juiste keuzes zijn. 

"Ieder wetenschappelijk onderzoek steevast eindigt met de opmerking: 'Er is meer onderzoek nodig'"

Het probleem bij onderzoek naar levenshouding en (beweeg)gedrag is echter dat zoveel variabelen een rol spelen, dat er nauwelijks geïsoleerde resultaten te verkrijgen zijn. Waardoor ieder wetenschappelijk onderzoek steevast eindigt met de opmerking: 'Er is meer onderzoek nodig'. Prima, maar laten we ondertussen alvast aan de slag gaan op basis van empirisch bewijs, vastgesteld door al die duizenden professionals op scholen en bij verenigingen, die dag in dag uit op de werkvloer zien wat sport en bewegen met kinderen doet.

Een klein voorbeeld: in het volleybal zien we al jaren een teruggang in het aantal jongens. Momenteel is dit nog slechts 18% van de jeugdige volleyballers. Net als in het onderwijs zien we dat het (trainings)aanbod en de trainers steeds meer zijn afgestemd op meisjesgedrag. Hoewel, volgens verschillende onderzoeken kun je eigenlijk niet spreken van typisch meisjes- of jongensgedrag. Er zijn weliswaar kleine feitelijke verschillen waar te nemen in de hersenen en in gedrag, maar onderzoekers buitelen over elkaar om te benadrukken dat er geen stereotype jongen of meisje is. 

Remmende werking
Meer onderzoek is nodig om daadwerkelijke verschillen vast te stellen. En toch ziet iedere docent of trainer dagelijks dat jongens meer de grens opzoeken, meer competitief zijn ingesteld en meer risico’s nemen. Of kijkend naar een vrij moment in de gymzaal: meisjes spelen de bal over, jongens schoppen er roekeloos tegenaan en rennen rond. Er is (nog) geen onderbouwing voor, maar in de praktijk zien we verschil. Wetenschap kan veel verklaren, maar trekt ook vaak conclusies die al jaren algemeen bekend zijn. Dus hulde voor degelijk onderzoek, maar pas op voor een remmende werking. 

"Multisport is geen zorginterventie, maar wordt als sportaanbod wel extra benut voor zorgdoelstellingen"

Ik hoop dat het nieuwe kabinet (en straks de gemeentepolitiek) kleur bekent door de kracht en eigenheid van sport en bewegen te erkennen en te waarderen. Door te zoeken naar logische combinaties, zonder de eigenheid van de ingrediënten uit het oog te verliezen. Dus een derde gymles op het Schoolplein14, waar ook buiten de les volop mogelijkheden zijn om vrij te spelen. Schoolplein14 is dus geen sportaccommodatie, maar kan wel als zodanig worden benut. Of multisport-aanbod bij de vereniging als extra kans voor motorische scholing voor moeilijk bewegende kinderen. Daarmee is multisport geen zorginterventie, maar wordt het als sportaanbod wel extra benut voor zorgdoelstellingen. Ik kijk uit naar blauw welzijnsbeleid met gele accenten.

Peter van Tarel is ruim achttien jaar werkzaam bij de Nederlandse Volleybal Bond, momenteel als Manager Sportontwikkeling. Hij heeft dagelijks te maken met ontwikkelingen binnen de sport en met de diverse sportstimuleringsregelingen. Daarnaast is hij voorzitter van een omnivereniging met ruim 800 leden en vader van drie sportende kinderen. Voor meer informatie: peter.van.tarel@nevobo.nl.

« terug

Reacties: 1

Piet van Loon, orthopeed Houdingnet
05-12-2017

Een goed pleidooi, eigenlijk voor een meer geslaagde lichamelijke opvoeding van de jeugd, dan dat we nu zien. Het RIVM stelt al stevig, dat de zittende leefstijl van kinderen hen in zeer grote getale naar latere pijn en chronische aandoeningen leidt. Daar zit dus de clou!

Maar welzijnsbeleid, van welke kleur dan ook, verandert niets aan de biologie van het kind. De ontwikkeling loopt goed als het kinderleven geen verstorende of afremmende facteren kent. Omdat iedere pasgeborene een hele lange weg van groeiprocessen voor zich heeft, waar werkelijk iedere cel en ieder orgaan moet leren om met alle omgevingsfactoren ( en zeker de wetten van de zwaartekracht!) toch de gezonde volwassene te kunnen worden, waar de biologie voor staat, is niet alleen de beleidsmaker verantwoordelijk. Dit zijn alle ouders en opvoeders, alle leerkrachten van peuteropvang tot in het wetenschapelijk onderwijs, de sportbegeleiding en alle zorgverleners, die wat met kinderen van doen hebben. Onderz\oek en "wetenschap"heeft geen enkel zin, als niet al deze partijen van de zelfde biologisch kennis uitgaan, die vroeger aardig goed tot in de huiskamers geborgd was, toen we de hygienemaatregelen, juist die rond houding en bewegen uit de Gezondheidsleer, al op school kregen voorgeschoteld. Buikligging, kruipen, stoeien, rennen, draven, buitenspelen, touwtjespringen waren bijna een automatische leerschool om motorisch ver te komen. Zitten door kinderen is door artsen al 200 jaar als een remmende factor op gezondheid aangewezen. Missen we soms kennis, die er eerst wel was? 

Maar inderdaad het grote biologische verschil tussen jongens en meisjes kan zich nauwelijks nog ontwikkelen als je ze bij elkaar motorische ontwikkeling wil bijbrengen, die toch bij hun biologisch verschil past. We voeren de meisjes geen testosteron en de jongens geen oestrogeen in de ( overigens nu) gezonde hap in de schoolkantines. Jongensspieren en jongenszenuwen vragen om ander zaken dan die bij meisjes ( gemiddeld)! XX en XY ligt een heel eind uit elkaar ( gemiddeld)

We moeten de schadelijke effecten van de almaar sterkere sedentaire leefstijl vanaf de geboorte op de biologische groeiprocessen van bot, spier en zenuw met zijn allen serieus nemen.

Een kind in de vrije natuur hoeft niet gestimuleerd te worden om te bewegen, het zenuwstelsel heeft dit namelijk heel hard nodig om zich in te regelen. Maar in een wereld vol technologie, moeten de volwassenen ervoor zorgen , dat al deze technologie ( buggies, auto's, electrische fietsenTV, tablets, phones, games etc.) de goede ontwikkleing niet meer zo afremt , zoals nu ernstig het geval is. Hun lichaam heeft door stijfhid of door pijn "geen zin" meer en gaat afhaken bij sport uit zelfbescherming. De natuur is niet gek.

Houding en flexibiliteit zijn goede graadmeters of deze groeiprocessen nog en beetje natuurlijk verlopen. Houding Netwerk Nederland deed eigen onderzoek op een VO school met schrikbarende resultaten als het om flexibiliteit gaat. Om zo snel mogelijk heel veel meer kinderen te scoren is de Quicktest uitgezet en vragen we scholen, leerkrachten en/of therapeuten zoveel mogelijk klassen te scoren om te zien hoeveel jongens en meisjes met gestrekte benen de grond nog kunnen raken met de vingers. Misschien dat dan bij het welzijnsbeleid code rood een tijdje gaat gelden. Zie instructies op www.facebook.com/houdingnet

Reactie toevoegen

Naam*
E-mailadres*
Reactie*
Stuur mij een e-mail als er een nieuwe reactie wordt geplaatst