Skip Navigation LinksHome-Nieuws-5 vragen aan...-Item

5 vragen aan Ruud Vreeman, voorzitter Nederlandse IJshockeybond 9 december 2014

Ruud Vreeman was onder meer vakbondsman, voorzitter van de PvdA, Tweede Kamerlid en burgemeester van zowel Zaanstad als Tilburg. Daarnaast bekleedde hij diverse functies in de sport. Tussen 1998 en 2003 maakte hij deel uit van het bestuur van NOC*NSF en tussen 2006 en 2011 was hij bestuurslid bij de hockeybond KNHB. Sinds 2011 is Vreeman voorzitter van de Nederlandse IJshockeybond en in die hoedanigheid protesteert hij tegen het in zijn ogen eenzijdige topsportbeleid van sportkoepel NOC*NSF. In zijn drukke bestaan als interim-burgemeester van Groningen maakte hij tijd vrij voor een uitgebreid interview met Sport Knowhow XL.

door: Leo Aquina | 9 december 2014

1. We gaan even terug in de tijd. Eind 2012 tekende u als voorzitter van de ijshockeybond formeel protest aan tegen de consequenties van de verdeling van de topsportgelden door NOC*NSF. Wat waren uw voornaamste bezwaren?
“Bij de verdeling van de topsportgelden moet je kijken naar de verhouding in de Nederlandse sport. De focus op medailles mag nooit ten koste gaan van de verscheidenheid in het sportlandschap. Elke bond moet een minimumbijdrage behouden om zijn taken te kunnen blijven doen. Een aantal bonden, waaronder de ijshockeybond, kreeg helemaal geen steun meer. Het gaat over ons voortbestaan. In het ijshockey speel je ieder jaar een WK. Als onze vrouwen naar China moeten, gaat het om een ploeg van 26 personen. Zulke toernooien kosten veel geld, maar als je afhaakt bij het internationale ijshockey verlies je je bestaansrecht. En naast de senioren-WK’s zijn er ook nog toernooien onder 20, onder 18 en onder 16 jaar.”

“Naast de pluriformiteit in het sportlandschap moet je bij de verdeling van de topsportgelden ook rekening houden met de verschillen die er tussen sporten bestaan als het gaat om opleiding. Die eenzijdige focus op olympische medailles is in het nadeel van veel teamsporten, zoals ijshockey, maar ook bijvoorbeeld handbal, volleybal of basketbal. In die sporten moet je heel jong beginnen om überhaupt kans te maken om aan de internationale top te komen. Dat geldt niet voor bijvoorbeeld BMX-en of roeien. Daar komt bij dat ijshockey, in tegenstelling tot bijvoorbeeld schaatsen, een wereldsport is met enorm sterke internationale concurrentie.”

"Toen puntje bij paaltje kwam, was er helemaal niets voor de ijshockeybond"

“In het ijshockey is het voor Nederland volstrekt onmogelijk om medaillekandidaat te zijn. De sport is internationaal zo sterk. Landen als Rusland, Canada, Zweden, Tsjechië komen allemaal met ijshockeymiljonairs het ijs op. Rusland heeft één miljoen actieve ijshockeyers. Aan de Olympische Spelen doen alleen de beste twaalf landen ter wereld mee. Als wij bij de beste zestien zouden komen, zou dat al een wereldprestatie zijn. Met de huidige middelen red je dat sowieso niet. Wij hebben zoals alle bonden een ambitienota opgesteld voor NOC*NSF. Zij zeiden dat ze onze problemen begrepen en ze hebben eigenlijk ook de verwachting gewekt bij te willen dragen aan onze langere termijnvisie. Toen puntje bij paaltje kwam, was er echter helemaal niets voor de ijshockeybond.”

“Wij krijgen nauwelijks steun van NOC*NSF. Eigenlijk worden we zelfs tegengewerkt. Onze hoofdsponsor is Jack’s Casino en dat botst met de Lotto want het zijn allebei gokbedrijven. Tot nu toe hebben we elk jaar toch onze bijdrage via NOC*NSF gekregen, maar het is iedere keer weer discussie. Een ander voorbeeld is het B-WK. Wij hebben bij de rijksoverheid geld gevraagd voor de organisatie van het WK voor B-landen in april 2015 in Eindhoven. De rijksoverheid legt dat voor aan NOC*NSF en zij zeggen vervolgens dat het niet bij de toptien bonden hoort, dus krijg je nul op rekest.”

2. Het 'medaillecriterium' werd volgens u ook niet consequent toegepast. Kunt u dat uitleggen?
“Onze dames horen bij de beste vijftien landen van de wereld en onze heren moet je inschatten tussen de 22ste en de 28ste plek op de wereldranglijst. Het moet mogelijk zijn om bij de beste twintig van de wereld te komen. Landen waar wij nog niet zo heel lang geleden van hebben gewonnen, zoals Zwitserland en Denemarken, zitten tegenwoordig bij de beste zestien. De plek die we met het Nederlandse ijshockey internationaal innemen, is vergelijkbaar met die van het volleybal of het basketbal. Toch krijgen die bonden wel topsportgeld en wij niet. Ik heb dat aangekaart bij NOC*NSF. Volgens hen is er in het basketbal een heel talentvolle lichting. Dat is natuurlijk moeilijk hard te maken. Wij hebben er nog een rechtszaak over gevoerd, maar die hebben we verloren. Er werd heel procedureel gekeken met het argument dat we in de algemene ledenvergadering akkoord zijn gegaan met de procedure. NOC*NSF wil geen uitzondering maken.”

3. NOC*NSF bepaalt de verdeling van de topsportgelden. Zou dat op een andere manier moeten of kunnen?
“Op dit moment maakt het ministerie een lumpsum over aan NOC*NSF, dat het geld vervolgens naar eigen inzicht tussen de verschillende sporten verdeelt. De overheid gebruikt NOC*NSF als een soort ministerie en ik vind dat de rijksoverheid zelf verantwoordelijkheid moet nemen als het gaat om de pluriformiteit van het Nederlandse sportbeleid. Daarbij moet méér worden gewogen dan alleen de topsportambitie van NOC*NSF. Het is geld van belastingbetalers en verscheidenheid van het sportaanbod is een algemeen belang. Die eendimensionale benadering gericht op topsport gaat ten koste van de diversiteit.”

 “Het ministerie van VWS heeft, als compensatie voor het wegvallen van de topsportgelden, onlangs wel een nieuwe subsidie aan NOC*NSF verstrekt die speciaal bedoeld is voor de bonden die buiten de boot vallen. Ik weet niet precies hoe dat fonds heet, maar in de wandelgangen wordt het ook wel het verschralingsfonds genoemd. NOC*NSF moet dat geld inzetten bij bonden die buiten de toptien vallen. Ik ben benieuwd wat we daarvan terug gaan zien.”

"Als het voortbestaan van een sport wordt bedreigd, schiet je te ver door"

“Het focusbeleid van NOC*NSF heeft ertoe geleid dat de ijshockeybond langs het randje wordt geduwd. Het is vreemd dat NOC*NSF de partij is die dat moet corrigeren. Ik heb dat tegen de ambtenaar van het ministerie van VWS gezegd. Het gaat ook om het democratisch gehalte. De grote bonden die het geld krijgen zijn in de meerderheid. Die bonden kunnen zichzelf vaak al bedruipen dankzij de inkomsten via de leden. De ijshockeybond heeft maar vijfduizend leden. Daar kunnen we de bond niet van financieren. Onze inkomsten komen uit recettes van wedstrijden. Het is een semiprofessionele sport, vergelijkbaar met het amateurvoetbal. Het is scharrelen met sponsors in het MKB. Ik begrijp de focus op topsport en medailles van Maurits Hendriks, maar je moet de verhoudingen niet uit het oog verliezen. Als het voortbestaan van een sport wordt bedreigd, schiet je te ver door.”

4. In de jaren tachtig speelde Nederland mee met de A-landen. Dat lijkt met de financiële middelen van dit moment niet meer haalbaar. Hoe staat het Nederlandse ijshockey er op dit moment voor en wat zijn – binnen de beperkte financiële mogelijkheden – de ambities voor de toekomst?
“We hebben in Lake Placid (1980) meegedaan met de Olympische Spelen. Dat was natuurlijk nog wel in de tijd van de Canadese Nederlanders. Destijds betaalde het NOC alle reizen voor de nationale ploegen. Dat is tegenwoordig niet meer zo. Dat maakt het voor het ijshockey moeilijk om internationaal mee te blijven doen. Er zijn in het verleden veel zaken misgegaan. Clubs hebben in het verleden te veel geleund op buitenlandse spelers, er is roekeloos omgegaan met geld, er waren faillissementen. Op dit moment is er sprake van een tweedeling. De twee beste clubs, Heerenveen en Tilburg, zijn het niveau van de Eredivisie ontstegen. Zij gaan volgend jaar meespelen in de Duitse competitie. Ze beginnen op het derde niveau. Dat geeft in Nederland ruimte voor een bredere Eredivisie op een iets lager niveau. Er kunnen weer clubs meedoen uit alle landsdelen.”

“We willen in de nationale competitie minder buitenlanders, meer nadruk op de jeugdopleiding en stabielere clubs die niet meer geld uitgeven dan ze hebben. De ambitie van de bond zit in de opleiding. We hebben in Eindhoven een ijshockeyacademie, waar de jongens acht keer per week trainen, waar ze wonen en op school zitten. Dat staat op de tocht. We hadden de ambitie om op het WK voor B-landen in Eindhoven te promoveren uit onze poule, waardoor we bij de beste 22 van de wereld zouden komen. Dat zou een keer moeten kunnen, maar de concurrentie is groot en wij zijn inmiddels ingehaald door landen die meer faciliteiten hebben.”

5. Tot slot iets heel anders. U heeft zich in het verleden sterk gemaakt voor het Olympisch Plan 2028, dat door het kabinet is afgeblazen. Wat vindt u daarvan?
“Ik vind dat een onbegrijpelijk besluit van het kabinet. Het was ook helemaal nergens voor nodig. Het was een richting die we als land op wilden en daar zat een hele filosofie achter. Het ging om de weg er naartoe, het versterken van de sportinfrastructuur en het verhogen van de sportparticipatie. Er was een stip aan de horizon in 2028 en er hoefde nog helemaal niets te worden beslist. Ik heb dat echt nooit begrepen, ook niet van mijn eigen partij.”

“Op gemeentelijk niveau worden nog altijd wel de vruchten van het Olympisch Plan geplukt. Je vindt nog veel van de gedachten terug op scholen, die bijvoorbeeld verbindingen aangaan met accommodaties in de buurt om zo problemen en overgewicht en obesitas aan te pakken. Er zijn nog wel initiatieven, maar niet meer met die vlag erboven en dat was wel een heel krachtig symbool. We hadden de ambitie om als land sportiever te worden. Dat vind ik zelf wel een mooie gedachtegang.”

"Voetballen in Qatar, dat is natuurlijk allemaal onzin"

“Of het plan nog ooit nieuw leven wordt ingeblazen? Ik denk dat toekomstige Olympische Spelen steeds meer het karakter krijgen van duurzaamheid. Er zijn zoveel slechte voorbeelden uit het verleden. Kijk hoe de stadions er in Athene bijstaan, of in Beijing. Sotsji was natuurlijk ook geen lichtend voorbeeld. Voetballen in Qatar, dat is natuurlijk allemaal onzin. Als de Olympische Spelen geen megalomaan prestigeproject zijn, denk ik dat we er in de toekomst best wat mee kunnen.”

« terug

Reacties: 2

Loek Jorritsma
09-12-2014

Ik ben het volstrekt eens met de hartenkreten van Ruud Vreeman. NOC*NSF is inmiddels dé uitvoeringsinstantie van VWS als het gaat om het sportbeleid. Meer nog, daar wordt inmiddels ook het beleid bepaald. En de Tweede Kamer is het daar volstrekt mee eens. Ik herinner me in de jaren tachtig nog dat de NSF volstrekt serieus meende dat het geld van de sportbegroting hún geld was. Doof voor het argument dat de betrokken bewindspersoon daarover aan de Kamer verantwoording diende af te leggen. Dat konden zij ook wel, was het antwoord. Op dat punt zijn we nu aanbeland. De top 10-ambitie vaagt het integrale sportbeleid van tafel. In 2006, bij mijn afscheid, probeerde ik dat brede sportlandschap (9 hoofdstukken) te schetsen en met name de plaats daarin van de rijksoverheid.

 

Hieronder de korte zinnen waarmee ik de hoofdstukken 4 t/m 8 aangeef. Misschien toch de moeite waard om hier eens over na te denken. Mede tegen de achtergrond van bijvoorbeeld Europa met staatssteun (zijn de bijdragen van Utrecht aan de ASO voor de start van de Tour de France juist aan te merken als ongeoorloofde staatsteun?), groepsvrijstelling voor sport (solidariteit) en de vier vrijheden; de klachten van Tuitert cs inzake de ISU en de Wet Markt en Overheid.
 
Ik citeer:
“Daarna wordt 4) de vraag beantwoord waarom het juist de sportorganisaties zijn die het meest gerede instrument zijn om het rijksoverheidsbeleid ten uitvoer te leggen: zij zijn – via hun sportverenigingen - immers de leveranciers van verantwoorde sportbeoefening. Sportorganisaties weten zich daarvoor van oudsher verantwoordelijk. Daarmee komt ook aan de orde wanneer er, in de ogen van de overheid, nu eigenlijk sprake is van 5) een spórtactiviteit. Want door aan te geven dat sportorganisaties verantwoorde sportactiviteiten aanbieden, wordt tegelijkertijd manifest welke activiteiten niet-verantwoord zijn, resp. daardoor niet als spórtactiviteit (voor het rijksoverheidsbeleid!) worden gezien.

 

En dat geldt ook voor spórtaccommodaties. Niet elke accommodatie of ruimtelijke voorziening (weg, water en lucht) waar een ‘bewegingsactiviteit’ plaatsvindt is daarmee ook een spórtaccommodatie (voor het rijksoverheidsbeleid). Maar dan is ook van belang vast te stellen dat 6) sportorganisaties in hun tak van sport een monopoliepositie innemen. Een positie waarvan de betekenis nog wordt versterkt door het feit dat de sportkoepel NOC*NSF bepaalt wie er lid mag worden van haar organisatie en daarbij de eis stelt dat er maar één organisatie per tak van sport lid mag zijn.

 

Voorts weten we dat zowel de rijks- als de lokale overheid voor haar subsidiebeleid vaak verwijst naar het lidmaatschap van NOC*NSF, zie ook de Mediawet. Daarmee deze organisatie de ‘poortwachterfunctie’ gevend voor toegang tot overheidssubsidie, resp. voor een afwijkende overheidsbemoeienis in het algemeen.

 

Vervolgens wordt in deze notitie ingegaan op de vraag of 7) élke sportorganisatie de rijksoverheid even ‘lief’ zou moeten zijn. Die vraag wordt ontkennend beantwoord. De ene organisatie draagt nu eenmaal meer bij aan de doelstellingen van de rijksoverheid dan een andere organisatie. En omdat de overheid haar geld zo verantwoord mogelijk dient in te zetten, is het logisch om organisaties die een grotere bijdrage aan het beleid leveren dan andere, daarvoor ook ruimer in te zetten en te belonen. Betekent dat nu ook dat dergelijke ‘bevoordeelde’ sportorganisaties mede daardoor in staat moeten worden gesteld om andere sportorganisaties uit de markt te drukken?

 

Want we zien ook een verborgen competitie tussen de sportorganisaties om zo veel mogelijk leden aan zich te binden. Zou daardoor een kleine sport als het roeien, boksen, schermen, worstelen, ijshockey, sport door gehandicapten, etc. geen bestaansrecht meer kunnen hebben?

 

In een vrije marktsituatie misschien wel. Maar dan wordt voorbij gegaan aan de kwalitatieve betekenis die elk van die sporten voor haar leden en de samenleving kan hebben. Denk daarbij onder meer aan de potentiële toppers in die takken van sport bij Olympische Spelen. Denk daarbij ook aan het streven van de sport om te willen behoren bij de mondiale toptien in de sport en de steun voor die ambitie van de rijksoverheid.

 

Van de succesvolle sporten mag daarom worden verwacht dat zij 8) naast horizontale en verticale solidariteit, ook blijk geven van ‘onderlinge solidariteit’ met deze organisaties. Gezamenlijk vormend een integrale solidariteit binnen de sportfamilie.

 

Voorstel is om een fonds in het leven te roepen van waaruit jaarlijks een afdracht van 5 % van de opbrengst van de verkoop van tv-rechten van alle sportevenementen plaatsvindt. Deze middelen komen ter beschikking aan alle leden van de sportfamilie. De verdeling hiervan zou plaats kunnen vinden via een onafhankelijke instelling. Voor de verdeling daarvan kan worden gedacht aan de helft voor toekenning aan de ‘armere’ bonden en de andere helft aan een grootscheeps project voor talentherkenning en –ontwikkeling.”

 

Einde citaat.

Frank van Overeem
09-01-2015

In mijn tijd als actief topsporter (volleybal) waren NOC en NSF nog twee afzonderlijke entiteiten. Om toenmaals moverende redenen is een fusie tussen deze twee organisaties tot stand gekomen. Dat heeft lang goed gewerkt, NOC/NSF was er voor de hele sport.

Om begrijpelijke redenen, voornamelijk van financiele aard, is er bij het NOC/NSF een focus gelegd op sporters en sporten die medaillekansen bij de Olympische Spelen hebben. Op zich een goed uitgangspunt als NOC, echter hiermee verliest de organisatie m.i. het mandaat om te spreken voor de totale nationale topsport, laat staan voor de totale sport in Nederland.

M.i. moet het ingenomen standpunt van het NOC/NSF leiden tot een afsplitsing van het NSF als zelfstandige organisatie met eigen budgetten, waarbij NSF weer verantwoordelijk wordt voor de sport in de breedste zin des woord, en met name ook voor die sporten, zowel individueel als teamsporten, die niet behoren tot de olympische familie.

Uiteraard zal het NOC dan de verantwoordelijkheid blijven behouden voor hun eigen selectienormen die toegang tot deelname aan de Olympische Spelen geven, het NSF zal moeten beslissien over deelname aan EK's en WK'.

Ook bij gescheiden organisaties, met eigen verantwoordleijkheden, kan men m.i. zeer goed gezamenlijk gebruik blijven maken van het in Nederland hoogwaardige sporttechnisch kader en de sportaccommodaties.

Frank van Overeem,
Den Haag, januari 2015

 

Reactie toevoegen

Naam*
E-mailadres*
Reactie*
Stuur mij een e-mail als er een nieuwe reactie wordt geplaatst