Skip Navigation LinksHome-Nieuws-5 vragen aan...-Item

5 vragen aan George de Jong, directeur InnosportNL 16 november 2010


George de Jong (56) is sinds 2008 directeur van InnoSportNL, matchmaker in sportinnovatie. Topsport is de rode draad in zijn leven. Hij voltooide de ALO in Groningen en behaalde in 1988 zijn master in Sportmanagement in de Verenigde Staten. Als topvolleyballer speelde hij 35 interlands en na zijn topsportcarrière verhuisde hij in 1982 naar Zwitserland. Daar werkte De Jong als manager voor het American College en als volleybalcoach van VBC Leysin waarmee hij de Zwitserse landstitel binnenhaalde. De Jong werd vervolgens technisch directeur van de wereldvolleybalbond (FIVB) in het Zwitserse Lausanne en in 1995 ging hij als directeur bij de Koninklijke Nederlandse Hippische Sportfederatie (KNHS) aan de slag.
door: Babette Dessing | 16 november 2010

1. U bent dertien jaar directeur geweest van de Koninklijke Nederlandse Hippische Sportfederatie (KNHF). De overstap naar directeurschap van InnoSportNL was voor velen uit de sportsector vrij verrassend. Heeft u dat zelf ook zo ervaren?
“Als directeur bij de KNHS hield ik me vooral bezig met de ontwikkeling van topsport. Toen NOC*NSF me in 2008 belde om te vragen of ik interesse had om bij InnoSportNL aan de slag te gaan, verraste me dat zeker. Maar na dertien jaar bij de KNHS kon ik een nieuwe uitdaging goed gebruiken en het leek me dan ook een mooi moment om het stokje bij de KNHS over te geven. Bovendien kwam ik niet volledig in een nieuwe omgeving terecht. InnoSportNL houdt zich immers naast de breedtesport ook bezig met topsportontwikkeling en daar heb ik binnen de KNHS ook altijd de nadruk opgelegd.”

“Intussen ben ik twee jaar directeur van InnoSportNL, dat in september 2006 is opgericht. Toen ik begon, heb ik de bestaande koers van de vorige directeur Jan Willem van der Wal overgenomen. Wel kreeg ik de specifieke opdracht om deze jonge organisatie nog meer op de kaart te zetten als gangmaker van de innovatie van sport. Dat betekent dat ik partijen als universiteiten, sportinstanties, kennisinstellingen en het bedrijfsleven bewust maak van de voordelen van innovatie, het creëren van nieuwe producten en het maken van analyses. En dat ligt me goed, want mijn grote kracht is misschien wel dat ik verschillende partijen goed bij elkaar kan brengen en visionair ben ingesteld. Ik weet welke richting ik op wil en hoe ik mensen kan stimuleren en enthousiasmeren.”

2. In hoeverre moet een directeur van InnoSportNL technisch onderlegd zijn?
“InnoSportNL zoekt steeds naar nieuwe oplossingen en methoden, brengt kennis op de juiste plek waardoor nieuwe producten ontstaan die positief zijn voor sport, wetenschap én het bedrijfsleven. We stimuleren sportinnovatie voor bonden en ondersteunen hun daarin. Maar ik denk dat het technische aspect bij mij eigenlijk niet zo van belang is. Het is vooral belangrijk dat ik me omring door mensen die technisch onderlegd zijn. Ik zie mezelf dan ook als een generalist met een topsportachtergrond. Bij een project zoek ik de juiste mensen. Vervolgens breng ik de sportsector in contact met kennisinstellingen en het bedrijfsleven, en laat de partijen samenwerken. Daarnaast heb ik veel contact met onze founders NOC*NSF en TNO. Met NOC*NSF werkt InnoSportNL zowel op het gebied van breedte- als topsport samen. Zo werken we er net als NOC*NSF naar toe om zeventig procent van de Nederlanders te laten voldoen aan de norm voor gezond bewegen. Dat doen we eveneens in samenwerking met het Nederlands Instituut voor Sport en Bewegen (NISB) én in ons InnoSportlab ‘Sport en Beweeg!’ in Eindhoven. Onze topsportambitie wordt ondersteund in onze andere InnoSportlabs die specifiek zijn gericht op één sport. Ook met TNO werken we veel samen, maar wat van belang is, is dat we een autonome stichting. NOC*NSF en TNO hebben dan ook geen doorslaggevende stem in onze besluiten.”

3. Midden oktober is in Den Haag het vijfde InnoSportlab geopend, dat zich volledig focust op de zeilsport, na eerder soortgelijke labs in Eindhoven (zwemmen, sport en bewegen), Heerenveen (schaatsen) en Den Bosch (gymnastische sporten) te hebben geïnitieerd. Wat houdt zo’n lab in en hoe komt het tot stand?
“In het InnoSportlab werken (top)sport, bedrijfsleven en kennisinstellingen samen aan diverse innovaties. Belangrijk hierbij is de samenwerking tussen de sportcoach en de wetenschapper van het lab. Het InnoSportlab staat vervolgens onder leiding van een coördinator die het lab beheert, de meetapparatuur bedient en de projecten coördineert. Welke sporten er in aanmerking komen voor zijn lab? Daar zijn bepaalde criteria voor opgesteld. We vinden het erg belangrijk dat de sport een top acht of top zestien ambitie heeft. Oftewel, de sport moet kans maken op een medaille bij de Olympische Spelen. Hiervoor hebben we uiteraard nauw contact met de betreffende bond, want er moet wel voldoende draagvlak bij de coaches van de sport zijn. De bonden bepalen ook indien er een lab tot stand komt, waar deze geplaatst wordt. Het is veelal een plek waar topsport al beoefend wordt, denk aan het Nationaal Trainingscentrum de Tongelreep in Eindhoven. Daarnaast vragen we ook om de mening van NOC*NSF. En als laatste is de samenwerking met gemeenten en provincies voor de realisatie van het lab van groot belang. Voor gemeenten betekent zo’n lab immers ook economische bedrijvigheid, er worden nieuwe producten gerealiseerd en dus wordt niet alleen de sport, maar ook de economie gestimuleerd.”
 
“Nu het vijfde lab is geopend, zijn we aan het bekijken of we in Papendal - aangezien dat toch de basis is van de bonden en vele andere sportinstanties - een lab kunnen openen. Daar hebben we het in het verleden al met verschillende partijen als NOC*NSF over gehad, maar er is nog niks concreets uit die gesprekken gekomen. Verder zijn we ook in overleg met de roei- en judobond in hoeverre we wat voor hen zouden kunnen betekenen met een innovatielab. Maar mochten die gesprekken concreet op iets uitlopen, dan duurt het nog minstens twee jaar voor een dergelijk lab tot stand komt. En dat zijn dan ook meteen de laatste labs die we tot 2016 in de planning hebben staan.”
 
4. Ruud Stokvis stelde onlangs in een column op Sport Knowhow XL dat innovatie in de sport niet eerlijk is, omdat de omstandigheden van sporters dan niet meer gelijk zijn en er sprake is van oneerlijke concurrentie. Wat vindt u daarvan?
“Uiteraard ben ik het daar niet mee eens. Stokvis zie ik als een conservatieve romanticus, hij schreef een zeer theoretisch en verouderd ideologisch stuk. Hij zou graag zien dat sport door iedereen onder dezelfde omstandigheden wordt uitgevoerd. Innovatieprocessen jagen hem schrik aan, omdat die de ene sporter over betere materialen laat beschikken dan de ander. Maar sport wordt nooit onder dezelfde omstandigheden uitgevoerd; de een traint hier, de ander daar. De een heeft beschikking tot de allernieuwste sportvoorzieningen, de ander niet. In de sport ben je steeds bezig met het creëren van een moment naar vooruitgang. We streven daarom altijd naar nieuwe technologieën, de beste producten en het allerbeste materiaal. Maar er zijn steeds nieuwe innovaties. Denk aan de klapschaats. Dat is een revolutionaire ontwikkeling geweest waardoor Nederland even een grote voorsprong in de schaatswereld had. Maar je weet dat die ontwikkeling binnen no-time wordt ingehaald en dat anderen dan ook over die innovatie beschikken of hem zelfs verbeteren. In de sport heb je innovatie daarom juist nodig. Het voegt immers wat toe. En dat geldt helemaal voor Nederland. Als klein land hebben wij grote sportambities; we willen structureel bij de beste tien sportlanden ter wereld horen. Wil je dat realiseren, dan is innovatie een must!”

5. Wat wil InnoSportNL betekenen voor het Olympisch Plan 2028?
“Het Olympisch Plan (OP) 2028 is voor de sportsector in Nederland ontzettend belangrijk; het stimuleert de sport immers enorm. Ik hoop wel dat het OP 2028 meer wordt dan alleen een plan, soms maak ik me weleens zorgen of het wel tot concretisering komt. De acht ambities die in het OP staan zijn prachtig, maar het gaat om geld en middelen. Komen die er wel? Aan de andere kant; alleen al die ambities die op papier staan, vormen een enorme boost voor de sportsector. Denk aan al die initiatieven die sportinstanties, -bonden, -verenigingen en individuen die worden georganiseerd om de breedte- en topsport te stimuleren. Dat is ook een enorme winst.”

“InnoSportNL zal zich binnen het OP 2028 richten op drie van de acht ambities, te weten: topsport, breedtesport en de economische ambitie. Wij vinden het heel belangrijk dat de samenwerking met het bedrijfsleven wordt gezocht. Gezamenlijk moeten we de aanwezige kennisinfrastructuur uitbreiden en vergroten. Want dat zal voor Nederland erg belangrijk zijn. Ons budget voor de sportsector is nihil als je dat vergelijkt met bijvoorbeeld China, de VS en Rusland. Daarom hebben we de beste randvoorwaarden nodig om Nederland in de top tien-positie van sportlanden te brengen. Op innovatiegebied moeten we daarom voorop lopen.”
« terug

Reacties: 0

Reactie toevoegen

Naam*
E-mailadres*
Reactie*
Stuur mij een e-mail als er een nieuwe reactie wordt geplaatst