Skip Navigation LinksHome-Nieuws-5 vragen aan...-Item

5 vragen aan Herman Ram - directeur Dopingautoriteit – na de biecht van Yuri van Gelder 16 juli 2009


De bekentenis deze week van turner Yuri van Gelder dat hij al jarenlang regelmatig cocaïne gebruikt, heeft veel stof doen opwaaien. Op een 
discussiestelling die naar aanleiding van deze bekentenis een dag later op Sport Knowhow XL is geplaatst, is massaal en soms emotievol gereageerd. De meest essentiële elementen uit deze reacties zijn voorgelegd aan Herman Ram, directeur van de Dopingautoriteit.
1. Waarom staat een drug die niet prestatiebevorderend is wel op de dopinglijst?
“Cocaïne kan wel degelijk prestatiebevorderend werken. Het is een stimulantium (net als bijvoorbeeld amfetamine) en het kan dus gebruikt worden om vermoeidheid te verdrijven. Het geeft ook een tijdelijke extra energie-impuls. Daarnaast vormt cocaïne een gevaar voor de gezondheid, en om die twee redenen samen staat het op de dopinglijst. Er is overigens nog een derde criterium om een stof op de lijst te zetten, namelijk 'in strijd met de geest van de sport', en veel mensen vinden dat dat ook voor cocaïne geldt. Omdat voor alle sporten en in alle landen één en dezelfde lijst geldt, geldt het verbod op cocaïne ook voor Belgische wielrenners en Nederlandse turners.”

2. Is gebruik van doping alleen strafbaar als het tijdens de wedstrijd aantoonbaar in het lichaam aanwezig is? Waarom niet ook daarbuiten? Dat zou wellicht een remmende werking op het gebruik hebben.
“De meeste soorten doping zijn voor sporters altijd verboden. Bij dopingcontroles binnen en buiten wedstrijdverband wordt naar deze stoffen gekeken, en als ze worden aangetroffen volgt een tuchtprocedure. Een betrekkelijk klein aantal stoffen (waaronder cocaïne) is alleen verboden als het bij een dopingcontrole binnen wedstrijdverband wordt aangetroffen. Bij dopingcontroles buiten wedstrijdverband wordt hier niet naar gekeken. De belangrijkste reden om alleen binnen wedstrijdverband naar deze stoffen te kijken, ligt in hun korte werkingsduur: als ze geruime tijd vóór een wedstrijd gebruikt zijn, hebben ze tijdens de wedstrijd geen effect meer. Sporters kunnen dergelijke stoffen dus gebruiken buiten wedstrijdverband zonder daarmee een dopingovertreding te begaan, maar ze moeten dan wel rekening houden met het feit dat deze stoffen vaak nog dagen of zelfs weken na het gebruik in hun bloed of urine kunnen worden aangetoond, zodat ze toch positief kunnen testen bij een dopingcontrole binnen wedstrijdverband.”

3. Waarom legt de ene bond een andere straf op dan de andere bond bij eenzelfde soort overtreding? Waarom is er geen uniform beleid op dopinggebied? Kan de Dopingautoriteit daar een rol in spelen?
“De dopingregelgeving is juist voor alle bonden gelijk. Er is een mondiaal uniform, 'geharmoniseerd' beleid en op dezelfde overtreding staat dan ook in principe dezelfde straf, in alle sporten. Voor de meeste overtredingen is de standaardstraf een schorsing van twee jaar, en dat geldt ook voor de aanwezigheid van cocaïne in het lichaam van de sporter. Een wielrenner die positief bevonden wordt na een dopingcontrole binnen wedstrijdverband, moet dezelfde straf krijgen als een turner die dat overkomt, maar er zijn natuurlijk wel verzachtende en verzwarende omstandigheden die invloed kunnen hebben op de strafmaat. De Dopingautoriteit speelt hierin een rol doordat wij alle uitspraken in dopingzaken toetsen aan de regelgeving. Als er een straf is opgelegd die niet in overeenstemming is met het dopingreglement kunnen wij beroep aantekenen. In Nederland is er bovendien de Auditcommissie Dopingzaken die eveneens toeziet op de juiste toepassing van de dopingregelgeving.
NB1: cocaïne is alleen verboden als het binnen wedstrijdverband wordt aangetroffen. Buiten wedstrijdverband uitgevoerde dopingcontroles kunnen nooit tot een dopingprocedure wegens cocaïne leiden. Tom Boonen wordt dus terecht niet vervolgd wegens een dopingovertreding. Maar in België gebruikt de overheid de resultaten van dopingcontroles ook als bewijs in drugszaken, en dat is anders dan in Nederland. Het verschil tussen de situatie in Nederland en in België zit dus niet in de dopingregelgeving (die is in essentie gelijk), maar in een verschil in de strafrechtspleging.
NB2: er zijn nog wel meer verschillen aan te wijzen, zoals een verschil in arbeidsrecht (de ene werkgever ontslaat een gebruiker wel en de andere doet dat niet) of een verschil in civiel recht (de ene sponsor verbreekt het sponsorcontract en de andere niet). Maar dat zijn allemaal verschillen die niet direct met de dopingregelgeving te maken hebben.”

4. Wordt een sporter zwaarder gestraft naarmate hij gedurende langere tijd gebruikt heeft? Ook als dat niet is aangetoond maar blijkt uit een bekentenis?
“Herhaald gebruik kan soms als verzwarende omstandigheid gelden, maar in beginsel is de duur van het gebruik niet van belang voor de hoogte van de sanctie. Als een sporter méér dan eens betrapt wordt op een dopingovertreding, telt dat wel mee. Voor de meeste dopingovertredingen geldt twee jaar uitsluiting als de standaardstraf bij de eerste overtreding, maar bij de tweede en volgende overtreding worden de straffen (veel) zwaarder, met levenslange uitsluiting als zwaarste sanctie.”

5. Wordt een sporter die openlijk bekent doping te hebben gebruikt minder zwaar gestraft dan iemand die dat niet doet?
“Dat hangt er vanaf op welk moment de sporter bekent. Als de bekentenis gedaan wordt zonder dat de sporter al betrapt is (dat wil zeggen: zonder dat de sporter weet of kan weten dat er bewijs tegen hem is gevonden), dan geldt zo'n bekentenis als een grond voor strafvermindering. Een sanctie van twee jaar schorsing kan dan verlaagd worden naar één jaar (of iets tussen één en twee jaar in). Maar als een sporter bekent nadat het bewijs geleverd is, dan kan die bekentenis niet meer tot strafvermindering leiden. De sporter is dan 'te laat'.”

« terug

Reacties: 0

Reactie toevoegen

Naam*
E-mailadres*
Reactie*
Stuur mij een e-mail als er een nieuwe reactie wordt geplaatst