Skip Navigation LinksHome-Nieuws-5 vragen aan...-Item

5 vragen aan Nico Delleman, expert in sportinnovatie 13 maart 2018

Nico Delleman is opgeleid als bewegingswetenschapper. Hij promoveerde aan de Vrije Universiteit Amsterdam en werkte daarna voor TNO. Van 2006 tot 2015 was hij verantwoordelijk voor een nationaal sportinnovatieprogramma bij InnoSportNL. Op dit moment is hij actief voor Orange Sports Forum en heeft hij zijn eigen onderneming: Delta Sport Innovation. Daarmee zet hij zijn kennis, ervaring en netwerk in om bedrijven, sportorganisaties, overheden en kennisinstellingen te ondersteunen bij het realiseren van innovatie en innovatieonderwijs op het gebied van sport en bewegen. Delleman vindt dat er in Nederland te veel wordt gepolderd als het gaat om innovatie in de sport. “We moeten denken in termen van investering en rendement, en de eindgebruiker in de sport moet leidend zijn”, zegt hij.

door: Leo Aquina | 13 maart 2018

1. De term 'innovatie' wordt te pas en te onpas gebruikt tegenwoordig. Wat is volgens jou de definitie van 'innovatie'?
“Innovatie is datgene wat voorsprong creëert. Er wordt veel onder innovatie geschaard, maar vaak betreft het dan zaken waarmee een achterstand wordt ingehaald, of dingen die je onderhoud zou kunnen noemen. Bij innovatie loop je voorop, het gaat om die voorsprong." 

"Neem een fiets als voorbeeld. Iedereen is bezig met de afstelling van de fiets, de houding van de wielrenner en zelfs met windtunnels. Dat is dus niet iets waarmee je voorsprong creëert. Je voorkomt achterstand, het is noodzakelijk onderhoud. Wat de Britten indertijd deden, een compleet nieuw model fiets ontwikkelen voor Chris Boardman, dat was echte innovatie. Het gaat erom dat je iets nieuws uitvindt, dat je ook de randen van de regels opzoekt.” 

“Echte innovatie is iets anders dan het doorontwikkelen van de zaken die je al beheerst. Wil je echt innoveren, dan moet je met iets anders komen”

“De rek is er op dat gebied in Nederland eigenlijk al een paar jaar uit. Bijna alles wat onder de noemer innovatie valt, is simpelweg onderhoud. Begrijp me niet verkeerd, het is goed om dat proces onder controle te hebben en dat hebben we in Nederland. Als je ziet wat NOC*NSF en bonden bereiken met de beperkte middelen die er zijn, kun je daar alleen maar je hoed voor afnemen. Maar echte innovatie is iets anders dan het doorontwikkelen van de zaken die je al beheerst. Dat is het minimumniveau van onderhoud. Wil je echt innoveren, dan moet je met iets anders komen.”

“De innovaties die NOC*NSF voor PyeongChang 2018 in de schijnwerpers heeft gezet, zijn eigenlijk allemaal voorbeelden van noodzakelijk onderhoud. Neem de slee van skeletonster Kimberley Bos. Er is een traject geweest op het gebied van aerodynamica, de bevestiging van de ijzers in combinatie met de houding van de sporter. Dat klinkt mooi, maar dat doet iedereen. Het levert geen voorsprong op. Ik begreep uit een artikel in de Volkskrant dat zeventig procent van de skeletonsters op dezelfde slee rijdt. Waar wil je dan je winst uit halen? Het is goed dat de sport zichzelf het hoogste ten doel stelt en dat is de eerste plaats. Die doelstelling moet je ook hebben als het om innovatie gaat.”

2. Jij bent zelf bijna tien jaar werkzaam geweest voor InnoSportNL. Welke rol heeft die organisatie gespeeld bij de realisatie van sportinnovaties in Nederland?
“InnoSportNL heeft het nodige leergeld betaald. We hadden grofweg drie innovatiegebieden. Marc van der Zande ging over sportproducten, kortweg alle technologische ontwikkelingen die direct rendement hebben in wedstrijden, een bobslee, rolstoel, snowboard, enzovoort. Ik ging over alles wat met IT te maken had - monitoring, media - en later is Jeroen Wouters erbij gekomen op het gebied van voeding. Cees Verhoef heeft zich een tijd lang bezig gehouden met accommodaties, maar daar was het moeilijk om een rol van betekenis te spelen." 

“Iedereen met een idee klopte voor financiering aan bij InnoSportNL. We hebben in het begin zeker projecten gehonoreerd waarbij je achteraf vraagtekens kunt hebben”

XL9-5-vragenaanNicoDelleman-1"Terugkijkend zie je dat er eigenlijk pas na een paar jaar echt een visie ontstond. In het begin claimde iedereen ons geld. Iedereen met een idee klopte aan voor financiering. Bij ons lag druk om met resultaten te komen en we hebben in het begin zeker projecten gehonoreerd waarbij je achteraf vraagtekens kunt hebben. Daar werden we in de loop der jaren wel handiger in, met veel succesvolle innovaties en nieuwe functies als resultaat.”

“Uit ambtelijke overwegingen is er in 2015 een eind gemaakt aan InnoSportNL. Daar is nooit echt een rationele reden voor gegeven, maar ik denk dat het te maken heeft gehad met het elimineren van wat gedoe tussen betrokken universiteiten en met de politieke wind. Onder premier Rutte wilde de politiek af van allerlei nationale instellingen en instituten. De politiek wilde liefst zoveel mogelijk overlaten aan de markt." 

"InnoSportNL was een bureau, daar werkten mensen en een dergelijk instituut was niet langer politiek wenselijk. Nu is die organisatie er niet meer en is er aan paar keer per jaar een call via Sportinnovator. Dat noem ik voor het gemak maar even het nieuwe koninkrijk, en dat nieuwe koninkrijk wil niets meer met het oude koninkrijk te maken hebben. Dat is jammer want er is al leergeld betaald.”

“In het verleden hebben we ons teveel bezondigd aan ‘polderinnovatie’. Er kwamen teveel verschillende belangen samen in één project, en dan werkt het niet meer”

“Ik zie nu bijvoorbeeld dat er geld wordt geïnvesteerd in mensen van wie ik denk: die hebben bij ons gewoon niet geleverd. Iemand heeft daar eens het woord subsidieslurpers opgepakt. Er zijn veel partijen die subsidieaanvragen doen, maar als puntje bij paaltje komt, nooit over de brug komen met resultaten. Als je een paar jaar met het bijltje hakt, filter je die partijen er op een gegeven moment wel uit. Belangrijker nog dan dat is echter dat we ons in het verleden teveel hebben bezondigd aan wat ik polderinnovatie noem. Er kwamen teveel verschillende belangen samen in één project en dan werkt het niet meer. Dat zie ik nu ook weer gebeuren.”

3. Kun je dat begrip ‘polderinnovatie’ toelichten en heb je er een voorbeeld van?
“Jazeker. We hadden met InnoSportNL ooit voor ogen om een talentvolgsysteem op te zetten, waarin we alle topsporttalenten van Nederland moesten onderbrengen. Alle partijen werden erbij betrokken: NOC*NSF, organisaties op het gebied van HR-management, bedrijfsleven, wetenschap. Dat werkt dus niet. Al die partijen willen andere dingen en uiteindelijk loopt het vast op conflicterende belangen." 

"NOC*NSF had een duidelijk beeld over wat zij in kaart wilden brengen, maar de wetenschappers hadden daar heel andere ideeën over. Als je van tevoren zegt 'dit is een talentvolgsysteem en het is voor de sport', moet je de sport leidend maken. Natuurlijk moet je bereid zijn te luisteren naar de inbreng van de wetenschapper, maar de wetenschapper moet uiteindelijk gewoon leveren wat wordt gevraagd. Wetenschappers zitten zo niet in elkaar. Die zijn niet gericht op praktische toepassingen. Wetenschappers werken altijd weer toe naar een nieuwe vraag.”

“Door die vermenging van belangen in één project, ontstaat polderinnovatie en dat zie ik ook nu weer teugkeren in veel projecten. Er zijn drie mogelijke trajecten als het gaat om innovatie in de sport: topsport, wetenschap en commercie. Topsport-gedreven innovatie is heel direct. Het doel is betere prestaties, medailles, rendement. De topsport is leidend. Als je de wetenschap inhuurt, moet die luisteren en leveren. Als je het bedrijfsleven betrekt, doe je dat ook vanwege een bepaalde expertise en daar moet je dan voor betalen." 

"Bedrijven hebben twee redenen om mee te werken aan innovatie: naamsbekendheid en commercie. In het eerste geval zijn ze eigenlijk gewoon sponsor en in het tweede geval heb je het over commerciële innovatie. Dat is een ander traject met andere belangen. Dan gaat het over aantallen, over de markt en over breedtesport, niet over topsport." 

"Je moet zorgen dat kennis uiteindelijk ook in de sport terecht komt. Verplicht wetenschappers bijvoorbeeld om hun resultaten te presenteren in coachopleidingen”

"Innovatie die wordt gedreven vanuit de wetenschap, moet je ook op die manier financieren. Dan stel je helder geld beschikbaar voor een onderzoekstraject, en ook daaraan moet je eisen stellen. Je moet zorgen dat die kennis uiteindelijk ook in de sport terecht komt. Verplicht wetenschappers bijvoorbeeld om hun resultaten te presenteren in coachopleidingen. Het is overheidsgeld, dus je moet er verantwoording over afleggen.”

4. Als je kijkt naar de zes projecten die door Sportinnovator zijn beloond met extra geld richting Tokyo, vind je dat een logische selectie of zie je hier ook 'gepolder'?
“Van die zes projecten zijn eigenlijk twee echte innovatietrajecten: de aangepaste rolstoelwielen voor het paralympisch tennis en de zeilapplicatie voor een optimale vaarroute in Tokio (Sail Ghost for Enoshima). Twee andere innovatietrajecten zijn eigenlijk al compleet afgeronde producten: de inlegzool voor hardlopers van Arion en Row4, de realtime data voor het roeien. Dat zijn gewoon producten die je kan kopen. 

Waarom wordt daar nog innovatiegeld aan besteed? Met het project rond de anders sturende baanfiets en het project rond de krachtmeter voor klimsport ga je in Tokio 2020 helemaal niets bereiken. Dat zijn wetenschapstrajecten die veel te ver af staan van de sport. Dat soort trajecten duurt vier tot vijf jaar. Financier dat soort trajecten dan ook vanuit de wetenschap, en niet met geld dat is bedoeld voor sportinnovatie."

“We moeten niet meer over subsidie praten, maar over investeringen. We moeten vragen naar het rendement en daar moeten partijen ook op worden afgerekend”

XL9-5-vragenaanNicoDelleman-25. Polderinnovatie is dus geen goed idee. Hoe moet het wel?
“We moeten niet meer over subsidie praten, maar over investeringen. Een investering vraagt om rendement, dat geeft een andere mindset. Maurits Hendriks en andere leden van het Topteam Sport zouden de calls die zij uitschrijven als zodanig moeten beschouwen. Zij moeten altijd vragen naar het rendement en daar moeten de partijen ook op worden afgerekend." 

"Een wetenschapper die onderzoek doet, moet bijvoorbeeld verplicht worden te zorgen dat resultaten in de kleinste venen van de sport terecht komen. Dan is het geen vrijblijvende subsidie meer, dan eis je een prestatie. Je moet op gezette tijden deliverables vragen en je moet checken of er wordt geleverd. Je kunt daarbij ook denken aan financiering in delen: niet al het geld in één keer verstrekken, maar op gezette tijden waarbij voortgang moet worden aangetoond. Wordt er niet geleverd, dan komt er ook geen geld. Daar heb je een organisatie voor nodig en die is er op dit moment niet bij Sportinnovator.” 

“Je moet ook heldere calls maken. De sport moet de agenda bepalen. Kamiel Maase is Performance Manager Research & Innovation bij NOC*NSF. Hij moet die lijn uitzetten. Op welke domeinen willen we excelleren? Daarmee moet de wetenschap vervolgens aan de slag. Die trajecten moet je daarna afrekenen op rendement en dat is geen wetenschappelijk rapport; er moeten concreet toepasbare producten uit voortkomen. Op die manier gebeurt het ook in andere landen." 

"Ik zag tijdens het WK baanwielrennen vorige week bij de Australische ploeg iemand lopen met AIS op zijn jas, Australian Institute of Sports. Dat zijn embedded scientists. Zij hebben direct contact met de sporter en daardoor weten zij ook wat er van ze wordt gevraagd. In Duitsland gebeurt hetzelfde. Het nationale sportinsituut FES krijgt daar gewoon als opdracht om de snelste bobslee te bouwen en dat wordt gefinancierd. Daar is geen vermenging van belangen. Er wordt gewerkt in dienst van de topsport.”

“In Nederland is commerciële sportinnovatie zwaar onderbedeeld qua ondersteuning met menskracht en financiële middelen”

“Bij commerciële sportinnovatie bepaalt alleen de sportmarkt. Bedrijven kunnen meestal zelf heel goed besluiten wie ze daarvoor wel of niet nodig hebben. Dus leg dat niet op. Momenteel is deze vorm van innovatie – die Nederland in euro’s laat verdienen – zwaar onderbedeeld qua ondersteuning met menskracht en financiële middelen. Als we spreken over rendement, dan gaat dat tot en met export. Ik verwacht van de vertegenwoordigers van het bedrijfsleven in het Topteam Sport dat zij het maximale gaan doen om die situatie flink te verbeteren.”

“Tot slot moet je als klein land goed kijken op welke gebieden je iets kan betekenen. Bijvoorbeeld: innovatie op het gebied van voeding, ‘medische’ innovatie of innovatie als het gaat om materiaaltechnologie zijn eigenlijk te groot voor ons in de sport. Wij moeten het hebben van kleinere projecten, dingen die we kort en snel kunnen realiseren. We moeten daarbij gebruik maken van de voordelen die we als klein land hebben. De afstanden zijn kort, we kunnen elkaar makkelijk bereiken, dus we kunnen snel schakelen in kleine efficiënte teams met doelgerichte projecten.”

« terug

Reacties: 0

Reactie toevoegen

Naam*
E-mailadres*
Reactie*
Stuur mij een e-mail als er een nieuwe reactie wordt geplaatst