Skip Navigation LinksHome-Nieuws-5 vragen aan...-Item

5 vragen aan Erik de Winter, een leven lang werkzaam in de gehandicaptensport 5 december 2017

Hoe het koffiezetapparaat werkt? Erik de Winter (62) laat het zich rustig uitleggen in het nieuwe onderkomen voor Special Olympics en Gehandicaptensport Nederland aan de Orteliuslaan op het Utrechtse bedrijventerrein Papendorp, dat wordt gedeeld met onder meer de Nederlandse Golf Federatie en hockeybond KNHB. In het nieuwe gebouw wordt nog volop geklust, maar de Hoofddorper met een 27 jaar lange loopbaan in de gehandicaptensport (als directeur van de Nederlandse Sportbond voor Geestelijk Gehandicapten en later bij Nebas Nsg en Gehandicaptensport Nederland, tot 2009) en een bijna 9-jarig dienstverband als adjunct-directeur van het NISB en Kenniscentrum Sport (tot augustus dit jaar) ziet er nu al iets moois opbloeien. En dat kan nog belangrijk worden. Want hij gaat tegenwoordig dan wel als zelfstandige – en binnenkort officieel als gepensioneerde - door het leven, maar het hart blijft niet voor niets de sport in het algemeen en voor sporters met een beperking in het bijzonder tikken.

door: Marc Hoeben | 5 december 2017

1. Welke grote lijnen, ontwikkelingen en processen heb je langs zien komen in die lange tijd dat je werkzaam was in de gehandicaptensport in Nederland?
“De eerste, grote lijn is die van integratie. Sporters met een beperking zijn steeds zichtbaarder geworden, ze mogen en kunnen meer en meer meedoen in reguliere clubs. Dat vind ik echt een goede ontwikkeling. Het niveau is, doordat ze nu gebruik maken van de daar aanwezige kennis, enorm vooruitgegaan. En dat brengt me dan meteen bij de tweede, grote lijn: de prestaties zijn geweldig verbeterd, je ziet dat de sporten groeien en dat een evenement als de Paralympische Spelen is gegroeid en dat Nederland daar echt wat te zoeken heeft. Het leidt bovendien allemaal tot een volwassen benadering van gehandicapte sporters."

"De gehandicaptensport zit nu op een niveau dat het met de media-aandacht goed zit. Willen we dat nog meer, dan moeten we dat gewoon zien te verdienen met prestaties”

“De wereld is in die zin echt veranderd. Ik weet nog goed dat ik bewegingswetenschappen aan de Vrije Universiteit studeerde en onderzoek deed naar de effecten van sport voor mensen met een verstandelijke beperking. Wedstrijdsport bestond er voor deze groep bijna nog niet. Dan heb je het over eind jaren zeventig, begin jaren tachtig. Pas daarna zag je een kentering, begonnen her en der wedstrijdjes te komen. Een mooie anekdote is van weer veel later, van rond de eeuwwisseling. We hadden voor het eerst de verkiezing van de gehandicapte Sporter van het Jaar. De NOS vond het nog niet de moeite waard om dat uit te zenden en zo kon het dat Esther Vergeer als eerste deze prijs kreeg, maar dat het gebeurde op een moment dat iedereen de zaal inliep. Dat leidde tot een schaamtegevoel in de sport en vervolgens is het helemaal goed gekomen. Maar wij van Gehandicaptensport Nederland zeiden toen al dat we niet boos hoefden te worden. Omdat iedereen toch wel inzag dat het zo niet kon."

“Op dit moment krijgen gehandicapte sporters veel aandacht. Je kunt natuurlijk altijd meer aandacht willen en eisen. Vaak klagen mensen dat voetbal alle aandacht opslokt. Maar dan denk ik: kijk om je heen, dat heeft een reden. Voetbal heeft die plek ook verdiend. De gehandicaptensport zit nu op een niveau dat het met de media-aandacht goed zit. Willen we dat nog meer, dan moeten we dat gewoon zien te verdienen met prestaties.”

"Ik vond het prima om na die 27 jaar de tweede viool te spelen bij een andere organisatie"

2. In 2009 werd je adjunct-directeur bij het NISB, dat later opging in Kenniscentrum Sport. Wat was dat voor een stap? En waarom ben je onlangs, in augustus, samen met directeur Remco Boer gestopt?
“Ik werd destijds gevraagd door Clémence Ross. Zij was eerst staatssecretaris sport en werd daarna directeur van het NISB. Zij wilde het anders organiseren, met een Raad van Toezicht en een matrix-model op basis van projecten en inhoud. En ze vroeg of ik daarover wilde meedenken. Ik werd dus geen directeur, terwijl ik dat bij Gehandicaptensport Nederland wel was geweest. Dat was een bewuste keuze, ik vond het prima om na die 27 jaar de tweede viool te spelen bij een andere organisatie. Ik stapte in een veel grotere wereld, ik hoefde gelukkig niet meer zo veel naar het buitenland, en ik had wel trek in een nieuwe uitdaging. Ik had bij Gehandicaptensport Nederland makkelijk mijn pensioen kunnen halen. Maar zo zit ik als persoon nu eenmaal niet in elkaar."

“Bij het NISB heb ik vooral aan de inhoudelijke kant gezeten, aan de kant van de implementatie van allerlei processen. Zo kon het ook dat ik mocht adviseren over een fusie met Onbeperkt Sportief, die er op 1 januari 2016 is gekomen en waarvoor het ministerie van VWS opdracht had gegeven. Het was altijd wel duidelijk dat er van de twee directies met Remco, Willemijn Baken en ik maar eentje zou overblijven. Remco besloot dat hij toe was een aan nieuwe uitdaging en is gemeentesecretaris van Wychen geworden. Zelf vond ik het ook prima om nog een paar klussen te doen en dan te vertrekken.”

XL41-5vragenaanErikDeWinter300-13. Als je terugkijkt op je carrière: wat zie je als je grootste verdienste?
“Die dingen zijn natuurlijk nooit terug te voeren op één persoon. Maar wat ik wel kan zeggen: ik heb veel organisaties bij elkaar gebracht. Nog tijdens mijn studie ben ik erin gerold bij de NSG, de Nederlandse Sportbond voor Geestelijk Gehandicapten. Ik deed daar van alles, het was een kleine organisatie. Ik kan me herinneren dat ik op pad ging met een film van de bekende documentairemaker Jan Vrijman, om aan mensen uit te leggen dat sport prima was als je een beperking had. In die jaren had je zo’n tien organisaties die iets met gehandicaptensport deden. Allemaal probeerden ze subsidie te krijgen en geld van de Lotto. Dat stamde uit de tijd dat er geld genoeg was."

"Door bezuinigingen kwam er in de jaren tachtig minder geld. Het ministerie van VWS, de Stichting Nationale Sporttotalisator en het Nationaal Fonds Sport Gehandicapten waren de drie financiers. Ze wilden naar één organisatie gaan. Dat was een heel proces, met heel veel discussie, en het duurde twee jaar. Het resultaat was dat de NSG bleef bestaan en dat een aantal anderen samenging in de NEBAS. De toenmalige directeur daarvan, Paul van Maanen, en ik hebben er toen op aangestuurd om meer samen te gaan doen. Eerst samen wonen, dan samen werken, vervolgens samen gaan. Zo zagen we het voor ons. In vier jaar tijd. Na het eerste jaar ging Paul weg en werd ik directeur van beide organisaties. Dat versnelde nog eens het proces."

"Je zou kunnen zeggen dat het heel Nederlands is dat iedereen zijn eigen ding wil doen. Dat merkte je aan het Huis van de Sport ook"

“Wat ik nu wel jammer vind: ik was nog geen drie jaar weg bij de gehandicaptensport of de hele boel viel weer uit elkaar. De fondsenwerving zit nu apart, net als Gehandicaptensport Nederland en de watersport voor gehandicapten. Echt zonde. Het nadeel is niet alleen dat je meer overhead hebt. Je krijgt gewoon minder makkelijk dingen voor elkaar en je staat allemaal weer op dezelfde deuren te kloppen voor subsidie. Je zou kunnen zeggen dat het heel Nederlands is dat iedereen zijn eigen ding wil doen. Dat merkte je aan het Huis van de Sport ook. De intenties bij de daar verzamelde bonden was aanvankelijk goed, maar het is nooit tot een echte samenwerking gekomen. Dat gevoel heb ik hier trouwens wel weer, dat het besef er is dat het voordelig is om samen te werken. We zitten met bonden als de Nederlandse Ski Vereniging, het KNWV, de hockeybond, de Nederlandse Golf Federatie, mensen van de WOS, Gehandicaptensport Nederland en Special Olympics nu op Papendorp bij Utrecht. Je kent elkaar, je schiet elkaar makkelijker aan. Dat is toch het beste.”

XL41-5vragenaanErikDeWinter300-24. Vanaf 1 augustus ben je een zelfstandige met het bedrijf ‘WinterWerkt.’ Wat ben je daarmee van plan?
“Ik heb geen grote ambities meer, hoor, als je dat bedoelt. Enerzijds krijg ik vanaf 1 januari pensioen. Ik zou kunnen stoppen met werken, maar daar heb ik toch niet helemaal zin in. Dus ik ben op afroep voor klussen op het gebied van organisatieadvies beschikbaar. Tot het eind van dit jaar ben ik op basis van één dag per week directeur van Special Olympics, een wereldwijde organisatie voor gehandicaptensport die vanuit Amerika is komen overwaaien en die ik in de jaren negentig al naar Nederland heb gehaald. Daarna gaat mijn opvolgster Ragna Schapendonk aan de slag." 

"Verder doe ik momenteel een klus voor NOC*NSF en de WOS. Ik ben bezig een businesscase te ontwikkelen in het kader van de transitie van de sport, hoe we beter en meer gezamenlijke HR-activiteiten kunnen ontplooien. Dat soort klussen blijf ik graag doen en ik wil zeker actief blijven voor de gehandicaptensport. Het is zo mooi om te zien hoe kinderen met een beperking door sport kunnen groeien. Of dan hoor je ouders zeggen dat het kind eerst hun zorg was, maar nu hun trots. Ik zie het niet als roeping, maar ik heb er persoonlijk wel wat mee." 

"Als er ergens gefuseerd wordt, mogen ze me bellen. Zolang ze maar niet verwachten dat ik mensen ga ontslaan. Daar krijg ik geen energie van”

"Mijn vijf jaar jongere zus Ariane had zware epilepsie en was verstandelijk gehandicapt. Ze is op 22-jarige leeftijd overleden, waarschijnlijk aan een hersenbloeding. Het is geen toeval, zou je kunnen zeggen, dat ik in de gehandicaptensport terecht ben gekomen. En daarbij vind ik het heel leuk om mensen samen te brengen. Als er ergens gefuseerd wordt, mogen ze me bellen. Zolang ze maar niet verwachten dat ik mensen ga ontslaan. Daar krijg ik geen energie van.”

5. Hoe kijk je naar de toekomst van de sport en vooral die van de georganiseerde sport?
“Oef, daar heb ik heel veel over nagedacht. Kijk, het is natuurlijk wel uniek hoe we het in Nederland hebben georganiseerd en hoe laagdrempelig mensen binnen al die organisaties kunnen sporten. We hebben iets van 1,2 miljoen vrijwilligers en dat maakt het mogelijk dat de kosten relatief laag zijn. Maar we zullen ons wel moeten aanpassen aan de wensen van het publiek. Het is niet meer zo vanzelfsprekend dat ik op woensdagavond ga trainen voor voetbal en op zaterdag of zondag een wedstrijd speel. Dat zal allemaal veel flexibeler moeten en dat roepen we al tien jaar, maar we zijn er nog steeds niet heel erg goed in. Absoluut gezien neemt het aantal sporters in ons land toe. Maar bij de meeste bonden loopt het aantal leden terug. Het betekent dat we naar de klanten moeten luisteren. We zullen meer aan kruisbestuiving tussen verschillende bonden en tussen verschillende sporten moeten doen. Als ik de kinderen naar hockey breng, wil ik misschien zelf wel een potje voetballen. Daarnaast hebben we te maken met een groep van zo’n 3,5 miljoen mensen boven de zestig jaar. Ze willen wel sporten, maar doen dat veel meer op eigen gelegenheid. Kijk maar naar al die clubjes van fietsende mannen.”

« terug

Reacties: 0

Reactie toevoegen

Naam*
E-mailadres*
Reactie*
Stuur mij een e-mail als er een nieuwe reactie wordt geplaatst