Skip Navigation LinksHome-Nieuws-5 vragen aan...-Item

5 vragen aan Sjors Röttger, technisch directeur handbalverbond 12 april 2016

Sjors Röttger (60) is technisch directeur van het Nederlands Handbal Verbond. Hij stond mede aan de wieg van de huidige generatie Oranjedames, die zilver in de wacht sleepten op het WK en zich kwalificeerden voor de Olympische Spelen van Rio de Janeiro. De geboren Achterhoeker combineert zijn passie voor handbal al een leven lang met een loopbaan als beroepsmilitair. Vijf jaar geleden was hij voor defensie op uitzending in Zuid-Soedan. Sport Knowhow XL sprak met hem over de passie voor handbal, de overeenkomsten met zijn werk bij defensie en natuurlijk over de kansen van de Oranjedames in Rio. Röttger gaat altijd tot het uiterste.

door: Leo Aquina | 12 maart 2016

1. Je loopt al een leven lang in het handbal rond. Waar komt die enorme passie voor handbal vandaan?
“Het is het mooiste spel ter wereld. Handbal is snel, dynamisch, verrassend en iedereen heeft in het veld een enorme verantwoordelijkheid. Als een van de zeven schakels in het veld ook maar heel even niet meedenkt, werkt het niet. Ik ben als jongetje begonnen met voetbal bij de fraters in Arnhem, eerst als keeper en later als speler. Als keeper maar ook als speler stond ik vaak stil. Er zijn teamsporten waarin je af en toe even kunt bijkomen of afwachten. In het handbal kun je je niet verschuilen.”
 
“Via een vriendje kwam ik toen ik een jaar of tien was in aanraking met handbal en ik was meteen verkocht. Ik speelde bij Swift Arnhem, in de jaren zeventig een topclub in Nederland. Ik moest het niet van talent hebben, maar van hard werken. Uiteindelijk heb ik het toch tot het eerste team geschopt. Het is helaas niet gelukt om international te worden, maar ik wist wel al snel dat ik trainer wilde worden. In mijn laatste jaren als speler was ik al vaak aanvoerder. Ik wilde graag een leider zijn. Toen ik een jaar of 26 à 27 was ben ik daadwerkelijk trainer geworden.”

"Als ik in de praktijk ergens tegenaan liep, ging ik zelf op zoek. Dan haalde ik bijvoorbeeld 30 boeken over psychologie uit de bibliotheek"

“Bij het Nederlands Handbal Verbond heb ik de benodigde trainerscursussen gevolgd. Makkelijk ging dat trouwens niet. In de opleiding kwam veel aan de orde dat ik ofwel al wist ofwel niet relevant vond. Ik was op dat moment al trainer en als ik in de praktijk ergens tegenaan liep, ging ik zelf op zoek. Dan haalde ik bijvoorbeeld dertig boeken over psychologie uit de bibliotheek. Opleiden gaat over ontwikkeling. Daarom ben ik ook zo blij met de huidige tijd, waarin we vanuit competentie zoeken naar de kennis en vaardigheden die iemand nodig heeft.”

“Naast het handbal ben ik op zestienjarige leeftijd bij defensie gaan werken. Ik was eigenlijk een kind-soldaat. Ik wilde leraar worden, maar school was niets voor mij. Ik wilde wel dingen leren, maar ik vond veel van wat ik moest leren irrelevant. Dat ervoer ik als ballast. Uiteindelijk is het allemaal goed gekomen en heb ik het geluk gehad dat ik bij defensie sportinstructeur kon worden. Handbal en defensie lopen als een rode draad door mijn leven. Nu ik eindelijk een beetje volwassen ben, kan ik wel zeggen dat ik ze allebei nodig heb gehad om me te ontwikkelen.”

2. Wat hebben defensie en topsport met elkaar gemeen?
“Het gaat allebei over wedstrijden. Een oorlog is een ultieme wedstrijd. Als een militair een wedstrijd verliest is hij misschien gewond of zelfs gestorven, maar in een handbalwedstrijd kun je ook tot het uiterste gaan om te winnen. Handbal bestaat uit vijf pijlers: techniek, tactiek, fysiek, mentaal en sociaal. Diezelfde pijlers kom je tegen in het werk bij defensie. De mensen die nu in Mali zijn, moeten niet alleen fysiek, maar ook mentaal top zijn om goed te kunnen functioneren.”

"Op het sociale vlak is 'vertrouwen' het sleutelwoord. Dat is de belangrijkste pijler voor samenwerking in een groep"

“Vroeger was ik me alleen bewust van de eerste drie pijlers, maar ik heb daar later zelf in de opleidingen bij het handbalverbond ook de mentale en de sociale pijler aan toegevoegd. Het mentale en sociale aspect speelt mee in alle wedstrijden. Op het sociale vlak is 'vertrouwen' het sleutelwoord. Dat is de belangrijkste pijler voor samenwerking in een groep, zowel in de sport als bij defensie en dat mis ik in de maatschappij nog wel eens.”

“Respect is het uitgangspunt. Ik respecteer iedereen, ook al ken ik iemand niet. Uiteindelijk moet je van respect naar vertrouwen. Om zover te komen, heb je soms een conflict nodig. Om echt goed te kunnen samenwerken moet je naar gevoelsniveau. Als ik merk dat iemand zijn gevoelens niet wil uitspreken, zoek ik dat conflict op. Sommige mensen worden boos, andere kruipen in hun schulp. Als je op het hoogste niveau met elkaar doelen nastreeft, moet je niet alleen tegen elkaar kunnen zeggen wat je ervan vindt, maar ook wat je erbij voelt.”

“Mijn zoons die werkzaam zijn in het onderwijs en in de commerciële wereld, wuiven dat wel eens weg. ‘Leuk hoor, dat je dat allemaal vindt, maar in een groot deel van de maatschappij is het echt niet relevant.’ Voor Sjors Röttger is het dus wel essentieel. Ik maak me best zorgen om de wereld. We hebben hier in Nederland zo weinig respect voor elkaar. We plakken stickers op mensen, zonder die mensen echt te kennen of daar moeite voor te doen. Respect betekent dat je open staat voor elkaar, dat je met iemand praat vanuit het gegeven dat die ander een goed mens is. Daar ben ik tegenwoordig misschien iets voorzichtiger in dan toen ik dertig was, maar het blijft mijn uitgangspunt.”

“Ik was in 2010 en 2011 op uitzending in Zuid-Soedan. Er kwamen verkiezingen aan en er waren allerlei partijen die ruzie met elkaar hadden. Wij waren daar als blauwhelmen, moesten de partijen uit elkaar houden. Daarbij liepen we zelf ook gevaar. Er zijn allerlei stammen en er lopen ook religieuze conflicten doorheen, al merkte ik dat godsdienst bij de gewone mensen eigenlijk helemaal niet speelde. Het gaat eigenlijk pas fout op het moment dat je mensen macht geeft. Het is een heel complexe situatie waar ook anderen schuld aan hebben. De Engelsen hebben Soedan aan Bashir (president Omar al-Bashir van Soedan, red.) overgeleverd en dat is gewoon een oorlogsmisdadiger. Maar we hebben hem nog nooit voor het internationale strafhof in Den Haag gezien.”

“Terug naar de vraag: de overeenkomsten tussen defensie en topsport. Er komt spanning bij kijken. Vluchten, vechten, vriezen, dat is wat er met iemand kan gebeuren die onder hoge spanning komt. Ik heb het allemaal ervaren. Spanning heb je nodig om goed te kunnen functioneren, maar het kan je ook belemmeren. Zowel een topsporter als een militair moet om leren gaan met die spanning. Het is essentieel dat je jezelf goed kent. Je moet voelen wat er gebeurt en dan zijn er verschillende strategieën om die spanning op het juiste niveau te krijgen.”

"Toen ik als jongetje net ging handballen, schopte ik gewoon een jongen omver die mij voorbij liep"

3. Tot het uiterste gaan om te winnen. Wat betekent dat in het handbal?
“Dan kom je op een gebied waar ik niet trots op ben. Ik ben geboren met de genetische afwijking van gedrevenheid en het heeft tot ongeveer mijn dertigste geduurd voordat ik daar echt controle over had. Toen ik als jongetje net ging handballen, schopte ik gewoon een jongen omver die mij voorbij liep. Gelukkig had ik een grote sterke coach die mij tot de orde riep, maar die gedrevenheid was niet weg en ik heb nog behoorlijk wat onsportieve dingen gedaan. In het normale leven ben ik totaal niet agressief, maar ik heb behoorlijk veel gele en rode kaarten gepakt. Het ging altijd in een reflex. Ik werkte zo hard dat ik op een gegeven moment ondoordachte dingen deed. Het was wel altijd vanuit een gevoel voor verantwoordelijkheid voor het team. Ik deed het niet voor mezelf, maar ook voor anderen. Ik ben een echte teamspeler. Het team en mijn gezin, dat zijn de plekken waar ik me het veiligst voel.”

“Als coach heb ik ook bewust onsportieve dingen gedaan. Ik ben een keer het veld ingelopen met nog zeven seconden op de klok. Ik wist dat ik naar de tribune zou worden gestuurd, maar het spel werd daardoor even stilgelegd en in die tijd kon ik mijn spelers nog de laatste instructies geven om het winnende doelpunt te maken. Gelukkig lukte dat niet, want dan hadden de kranten er de volgende dag vol van gestaan. Op een gegeven moment heb ik mijzelf als coach een spiegel voorgehouden. Wilde ik linksaf, onsportieve dingen blijven doen om te winnen ten koste van alles? Of wilde ik rechtsaf, op een fatsoenlijke manier verder met mijn sport? Ik heb voor rechtsaf gekozen. Ik ben de sport dankbaar. In de sport kom je erachter wie je echt bent.”

4. Je hebt in het handbal alle functies gehad. Wat vind je het mooiste zelf spelen, coachen of je huidige rol als technisch directeur?
“Als jongeman had ik ooit het doel om in Oranje te spelen en dat is helaas niet gelukt. Daarna wilde ik bondscoach worden, maar daarvoor moest ik me conformeren aan een bepaald systeem en dat wilde ik niet. Vanaf dat moment heb ik voor mezelf besloten dat ik gewoon een goede trainer wilde worden. Daar kwam uiteindelijk uit voort dat ik alsnog bondscoach werd. Bij defensie was ik ook nooit bezig om generaal te worden. Ik wilde mezelf in mijn werk ontwikkelen. De ervaring die ik als handbalcoach heb opgedaan en de ervaring die ik bij defensie heb opgedaan hebben er uiteindelijk toe geleid dat NOC*NSF en het NHV mij hebben gevraagd om technisch directeur te worden.”

"Met de ervaring die ik nu heb, vind ik het mooi om technisch directeur te zijn. Op dit moment heb ik geen enkele behoefte meer om coach te zijn"

“Een groot deel van mijn handballeven vond ik coachen het allermooiste, zelfs mooier dan zelf spelen. Een coach geeft leiding aan het team, aan het team achter het team en tenslotte ook nog aan het geheel. In totaal moet je 21 mensen managen. Als technisch directeur zijn mijn taken veel breder. Ik ben verantwoordelijk voor opleiding, talentontwikkeling en topsport. Ik moet mensen aannemen, begeleiden en ondersteunen. En helaas moet ik soms ook tegen mensen zeggen dat het voor de handbalsport of voor die persoon in kwestie beter is als hij of zij iets anders gaat doen. Met de ervaring die ik nu heb, vind ik het mooi om technisch directeur te zijn. Op dit moment heb ik geen enkele behoefte meer om coach te zijn.”

“Als technisch directeur werk je vooral aan de visie. Dat heb ik continu voor ogen. Ik heb met Ton van Linder, Bert Bouwer en Henk Groener een handbalvisie van 67 pagina’s geschreven, waarin precies staat hoe we het spel willen spelen. Dat moet je als technisch directeur invullen en bewaken en daar zijn we hard mee bezig. Als ik dat vergelijk met de KNVB... Voetbal is onze volkssport, maar ze hebben daar niet eens een technisch directeur. Ik las in de krant dat ze denken dat er geen werk voor hem is. Waar is de voetbalvisie? Met wie zou ik eens kunnen sparren over opleidingen, talentontwikkeling en topsport? Ik zie zoveel trainers langs het veld staan die niets anders doen dan die kinderen vertellen wat ze moeten doen. Een goede trainer vertelt zijn spelers niet wat ze moeten doen, een goede trainer stelt zijn spelers de goede vragen. Daarom is Henk Groener (bondscoach van de oranjedames, red.) ook zo’n goede trainer.”

5. Met Henk Groener komen we op het huidige succes van de Nederlandse handbaldames. Zelf werd je als bondcoach op het WK van 2005 vijfde met de dames. Kun je die twee generaties met elkaar vergelijken?
“Zowel de generatie van toen als de generatie van nu wil de beste van de wereld zijn. Het grote verschil zit in de programma’s. Een groot deel van het team in 2005 had bij Bert Bouwer de ‘Meiden met een Missie’ gevolgd, een 'Bankrasmodel', waarin zij zich drie jaar hebben kunnen ontwikkelen. Uiteindelijk leidde dat tot die vijfde plaats en als het toernooi nog twee dagen langer had geduurd waren we ook nog wel derde geworden want we zaten in een flow. Maar we werden vijfde op het verkeerde moment, een jaar na de Olympische Spelen. Toen de meiden van Bert Bouwer naar het buitenland gingen gebeurde er niet veel. Er viel eigenlijk een gat.”

"Voor een topsportprogramma heb je ongeveer tien jaar nodig"

“Eind 2001 hebben we de handbalvisie ontwikkeld en dat is eigenlijk nog altijd het fundament van wat we nu doen. We gingen meer aandacht besteden aan de jeugdselecties en in 2006 zijn we begonnen met de Handbal Academie. Eigenlijk was dat het dak. Daar hebben we later een huis onder gebouwd. We scouten talenten al jong en vanaf het moment dat kinderen naar de middelbare school gaan bieden we talenten extra trainingen op een handbalschool. Dat zijn zo’n 600 à 700 kinderen. In verschillende stappen selecteren we door tot ze op de leeftijd komen van de eerste jeugdselecties als ze zestien jaar oud zijn. Dan hebben we nog zo’n tien tot vijftien plaatsen op de Handbal Academie, waar totaal twintig tot vijfentwintig meiden trainen.”

“Die structuur werkt. Van de huidige generatie speelsters heeft een aantal ook met de jeugdselecties al medailles gepakt. Voor een topsportprogramma heb je ongeveer tien jaar nodig. In 2007 pakten we brons op het WK voor meisjes met de speelsters onder 16. In 2011 pakten Estavana Polman en Lois Abbingh zilver met Jong Oranje op het EK. Diezelfde speelsters zijn nu tweede van de wereld. 2005 was geen toevalstreffer, daar zat drie jaar heel hard werken achter, maar nu hebben we een betere structuur. De gemiddelde leeftijd in 2005 was 27,8 jaar. Het huidige team is met 23,8 jaar al tweede van de wereld. Uiteindelijk is het mijn droom om structureel bij die wereldtop te horen.”

“Waarom de Nederlandse heren niet dezelfde prestatiecurve laten zien als de dames? Dat komt in de eerste plaats omdat er niemand is opgestaan die het oppakte. In 1997 heeft Bert Bouwer bij de dames echt de boel op zijn kop gezet en hij heeft toen met hulp van sponsor Ton van Born iets neergezet. Ten tweede hebben we bij de heren veel minder spelers in het buitenland. In de sterke buitenlandse competities kunnen spelers doorgroeien. En je moet ook eerlijk zijn, in het herenhandbal is de top internationaal ook breder, waardoor het nog moeilijker is.“

"We zijn nu zover dat er bij clubs 12 uur per week wordt getraind. Dat moet naar 14 uur en dan naar 16. Daarvoor is geld nodig, maar we hebben in Nederland geen topsportcultuur"

“Handbal is in Nederland op dit moment in Nederland geen professionele sport. Spelers krijgen incidenteel wel wat geld, maar niemand kan ervan leven op een paar trainers na. Ik zou graag zien dat we professionaliseren. Daar moeten alle verenigingen ook in mee. We zijn inmiddels zover dat er bij clubs twaalf uur per week wordt getraind. Dat moet naar veertien uur en dan naar zestien. Daarvoor is geld nodig, maar we hebben in Nederland geen topsportcultuur. Ik ben ervan overtuigd dat er in landen als Duitsland en Frankrijk veel meer overheidsgeld naar topsport gaat. Hier hebben we dat er niet voor over.”

“Media-aandacht genereert ook geld. We hebben goede vooruitzichten op weg naar Rio. We horen bij de beste tien van de wereld en de verschillen zijn heel klein. Iedereen kan van iedereen winnen. Als je gaat, ga je voor een medaille. Het EK is het zwaarste toernooi, omdat alle toplanden uit Europa komen, op Zuid-Korea en Brazilië na. Het WK is minder zwaar omdat je ook daar 24 landen hebt, maar daar zitten ook zwakkere landen uit de rest van de wereld bij en dat geldt eens te meer voor de Olympische Spelen.”

« terug

Reacties: 6

Mark Theelen
12-04-2016

Mooi inspirerend verhaal Sjors, dank. Voor mij is de kern: "Een goede trainer vertelt zijn spelers niet wat ze moeten doen, een goede trainer stelt zijn spelers de goede vragen"! Ik heb met enkele bonden contact en heb niet de indruk dat daar bij veel bonden structureel aandacht en behoefte naar is. Of is het 'slechts' een geld-kwestie. Heb jij, cq wie heeft daar zicht op?

Vr.groet, Mark

Bert Roosenboom
12-04-2016

Ik sluit me aan bij de reactie van Mark Theelen.

Ik voeg er aan toe dat ik het mooi vind dat je meerdere mensen laat delen in het huidige succes. Zoals je zegt het is een proces van jaren waarbij je het committment van mensen hard nodig hebt, van de speelsters maar ook van omgeving.

Succes in Rio met het damesteam, als ik je goed begrijp op het zwakste toernooi van de internationale competitie ;-)

Vriendelijke groet, Bert

een zeer boze ouder
12-04-2016

Leuke praatjes Sjors, maar in de tussentijd de jongens van de HandbalAcademie een doodsteek geven door de stekker er uit te trekken. Om vervolgens zelf de slachtoffer te spelen! 

Ton van Born
12-04-2016

Ik ben in 1986 begonnen als hoofdsponsor van het NHV, beste Sjors. Vanaf 1986 is er geprobeerd met de heren iets te bereiken oa met Guus Cantelberg als trainer/coach. Dit is uiteindelijk slecht afgelopen omdat de heren weinig zelf wilden of konden investeren en omdat het toenmalige NHV-bestuur geen keuze durfde te maken tussen dames en/of heren. De verdeling van mogelijke sponsorgelden MOEST 50/50 zijn. Deze "eis" is uiteindelijk na heeeeeeel lang duwen en trekken komen te vervallen. Ook in 2011/2012 heb ik samen met Guus Holscher geprobeerd de nationale herenploegen een veel beter perspectief te geven. Het huidige bondsvoorzitter en ex-directeur hebben er persoonlijk voor gezorgd dat dit niet is doorgegaan en hebben zonder overleg/kennisgeving vooraf gekozen voor de Limburgoptie.  

Ad Elsinger
12-04-2016

Ik loop al heel wat jaartjes mee in het handbal wereldje en natuurlijk zijn er op bepaalde momenten beslisingen genomen die je met de wetenschap van nu ongelukkig zal vinden. Een gegeven is wel dat de groei van de dames en de plaatsing voor RIO de belangstlling voor het Handbal enorm is toegenomen.  Wanneer we als handballers in staat zijn de aandacht ook op de heren te krijgen  en die aansprekende resultaten gaan halen.. weet ik zeker dat er uiteindelijk een gelijkwaardige presentaie zal komen.  Ik ben heel erg blij met de ontwikkeling nu een reken op een verbreding voor het hele handbal. #handbalisleuk

Loek Jorritsma
15-04-2016

15 oktober 2008 legden we in Noord Holland de laatste hand aan ons werkdocument ten behoeve van de Handbalschool Noord Holland. Daarbij sloten we aan bij de visie van het NHV zoals hier door Sjors geschetst. De handbalschool was en is bedoeld voor jongens en meisjes. Werken vanaf de basis en zorgen voor een infrastructuur voor talentontwikkeling. De verenigingen VOC, Volendam, SEW en Aalsmeer waren de peilers waarop hier de plannen rusten. Wiebe Zoethout, Piet Kes, Guus Holscher en Joost Ooms zetten zich in hun vrije tijd in. De discussies met het NHV over de certificering van de Handbalscholen, de samenwerking met de LOOT-scholen en de financiering van het geheel waren stimulerend. En leidden tot succes. Ik ben er trots op een bijdrage te hebben mogen leveren aan het NHV en aan de visie van Sjors. Voor mij persoonlijk is zijn verhaal heel herkenbaar.   

Reactie toevoegen

Naam*
E-mailadres*
Reactie*
Stuur mij een e-mail als er een nieuwe reactie wordt geplaatst