Bram Bakker kwam in 2008 in het nieuws met zijn boek ‘Runningtherapie’, een pleidooi, gericht aan artsen en patiënten om runningtherapie te gebruiken als alternatief voor pillen en/of psychotherapie. Eerder – in 2006 – verscheen van zijn hand ‘De halve van Egmond. Liever een marathon dan een burn-out’. Bakker behandelt als psychiater topsporters met mentale problemen, maar ziet volgens eigen zeggen slechts het topje van de ijsberg. Volgens hem zou NOC*NSF daarom speciaal voor topsporters een netwerk van psychiaters moeten opzetten.
door: Peter Hopstaken | 16 februari 2010
1. Sinds wanneer maakt sport deel uit van je
werk?
“Tijdens mijn opleiding tot psychiater werkte ik als assistent
bij de Valeriuskliniek in Amsterdam. In die tijd – zo rond 1994 - kwam ik op het
idee om patiënten wekelijks op vrijdagmiddag te laten hardlopen. Dat wekte in
het begin veel hilariteit, maar na verloop van tijd werd het heel populair. Veel
van die patiënten waren dik en inactief, dus het was sowieso goed dat ze in
beweging kwamen. Dat het ook nog een gunstig effect had op hun psyche had ik
niet zelf bedacht. Een vooraanstaand geleerde op dit gebied is Ruud Bosscher,
destijds ook werkzaam in de Valeriuskliniek. Tegenwoordig is hij universitair
docent aan de Vrije Universiteit en lector ‘Bewegen en Gedragsbeïnvloeding’ aan
de Christelijke Hogeschool Windesheim. Hij had zijn proefschrift geschreven over
hardlopen als behandeling van depressies.”
“Met actieve sportbeoefening kwam ik al veel eerder in aanraking. Als kind deed ik zelfs aan topsport. Van mijn zevende tot mijn achttiende jaar trainde ik vijf tot zes keer per week. Ik was Nederlands kampioen ponyrijden met achttallen. Dan moet je bijvoorbeeld tegelijkertijd in galop of de bocht om. Als ik dat vertel, wordt daar natuurlijk vaak wat lacherig over gedaan, maar ik deed niet fundamenteel veel anders dan een kind dat fanatiek aan turnen of zwemmen deed. Aan het beoefenen van topsport heb ik veel gehad. Daardoor weet ik wat discipline is, heb ik hoge ambities, ben ik in staat om het onderste uit de kan te halen, kan ik goed afzien en weet ik wat een blessure is. Sport maakt ook nu nog een belangrijk deel van mijn leven uit. Ik lees alles over sport, tot aan een dagelijkse portie teletekst toe. Als er een topsporter zich in mijn praktijk meldt, komt het dan ook zelden voor dat ik niet weet wie hij of zij is.”
2. Wat is het belangrijkste verschil tussen een sportpsycholoog
en sportpsychiater?
“Sportpsychologen leren sporters bepaalde
vaardigheden. Bijvoorbeeld hoe om te gaan met druk en spanning. Sportpsychiaters
kijken ook naar de mogelijke oorzaak van klachten. Als psychiater stel ik eerst
een diagnose, vervolgens behandel ik de sporter en schrijf ik eventueel
medicijnen voor. Bijvoorbeeld een kalmeringspilletje dat niet op de dopinglijst
staat. Een sportpsycholoog als Rico Schuijers kan een team beter maken, maar als
psychiater behandel ik alleen individuele sporters. Ik maak per definitie geen
onderdeel uit van het team van de sporter. Dat is veiliger voor de sporter, want
diegene moet alles tegen mij durven zeggen. Toch is het grensgebied tussen het
werk van een sportpsycholoog en een sportpsychiater soms wat vaag. Neem nu een
topsporter met faalangst. Een sportpsycholoog kan de sporter helpen om met die
angst om te gaan. Maar een sportpsychiater kan nuttig zijn als de faalangst
verlammend werkt waardoor de sporter niet meer functioneert.”
“Uit onderzoek is gebleken dat topsporters een drie keer zo grote kans hebben op psychische stoornissen dan ‘gewone’ mensen. Dat heeft verschillende oorzaken. Ten eerste staat topsport niet synoniem voor ‘gezond bewegen’. Topsporters zoeken grenzen op en gaan daar vaak moedwillig overheen. Ten tweede heeft een topsporter per definitie met competitie te maken en zijn er meer verliezers dan winnaars wat frustraties kan geven. Tot slot bevatten topsporters over het algemeen vaker karakterologische eigenaardigheden. Denk aan iemand met ADHD. Die zit liever niet rustig op een stoel achter een bureau. Veel sporten en bewegen is voor hem een goede uitlaatklep.”
3. Kan je voorbeelden geven van veel voorkomende psychische
problemen van sporters?
“Veel sporters hebben eetproblemen. Er zijn
bijvoorbeeld enorm veel vrouwelijke topsporters die anorexia hebben. Dat
signaleert de directe omgeving niet altijd, want het referentiekader in de
sportwereld is zo verschillend van de normale wereld. Zo vindt niemand het gek
dat vrouwelijke hardlopers geen borsten hebben. Anorexia komt trouwens ook veel
bij mannen voor. In Scandinavië hebben ongelofelijk veel mannelijke
schansspringers last van eetproblemen is gebleken uit onderzoek. En natuurlijk
hebben sporters vaak relatieproblemen. Ze moeten immers focussen op hun
trainingen en prestaties en zijn vaak lang van huis. Als je van een topsporter
die voor een groot toernooi staat weet dat hij problemen in de relatie heeft,
dan kan je diegene de suggestie meegeven zich te laten behandelen. Anders kan
het gevolgen hebben voor de prestaties. Tijdens de Olympische Spelen in Peking
zag je dat aan zwemster Inge Dekker. Het was bekend dat zij net haar relatie had
beëindigd. Ondanks de gouden medaille van de estafetteploeg – toen Dekker goed
presteerde - zwom zij op de individuele nummers ver onder haar kunnen. Kijk maar
naar haar tijden, dat had niet gehoeven.”
4. Wat moet er gebeuren om psychische problemen bij topsporters
zoveel mogelijk te voorkomen?
“Ik vind dat topsporters standaard
gescreend moeten worden op psychische klachten. Daar zou een faciliteit voor
ontwikkeld moeten worden. Nu zit daar een gapend gat, want sporters melden zich
niet uit zichzelf. Ze durven niet en schamen zich ervoor. Volgens mij zou er in
Nederland een netwerk van sportpsychiaters opgezet moeten worden. Via NOC*NSF
zou je dan als topsporter bij zo’n netwerk terecht moeten kunnen. Als sporter
vul je dan in eerste instantie een formulier in en als je boven de norm valt,
komt er automatisch een vervolgstap in de vorm van een consult. Waarom heeft
NOC*NSF wel een ‘Meldpunt seksuele intimidatie’ en geen ‘Meldpunt psychische
problemen’? Ik ken profwielrenners die een keer flink gevallen zijn en daar nu
verschrikkelijk bang voor zijn geworden. Zij slikken op doktersvoorschrift
antidepressiva, maar dat heeft geen gunstig effect op hun prestaties. En denk
aan het drugsprobleem van Yuri van Gelder. Als hij eerder behandeld zou zijn,
zou de schade veel minder groot zijn geweest. Als je vroeg bijstuurt, is de kans
op succes het grootst.”
5. Waarom gebeurt er op dat gebied zo weinig?
“Tja,
ik snap het ook niet. Ik ben lid van de Vereniging van Sportpsychologie
Nederland. Daar heb ik het wel eens aangeroerd, maar ze doen niks, het is
allemaal politiek die men bedrijft. Het moet allemaal via contacten achter de
schermen, maar een sporter met een acuut probleem heeft de tijd niet om daar op
te wachten. Als ik op televisie roep dat topsporters gescreend zouden moeten
worden op psychologische klachten krijg ik meteen een geprikkeld mailtje van
sportpsycholoog Rico Schuijers, de voorzitter van die club, dat ik zo’n
uitspraak niet via de media mag doen. Ook Maurits Hendriks van NOC*NSF heb ik
wel eens benaderd, maar hij heeft me laten weten dat het onderwerp niet hoog op
zijn prioriteitenlijstje staat. Zijn doel is om Nederland zo veel mogelijk
medailles te laten halen. Dat staat kennelijk te ver van mijn plan om dropouts
te voorkomen. De bond die voor mij – gezien mijn hardloopervaringen – het meest
voor de hand ligt om mee samen te werken, is de atletiekunie. Maar het vreemde
is dat deze bond – net als de andere bonden overigens - zich wel richt op
gehandicaptensport, maar niet op atleten met psychische klachten.
Oud-marathonloper Gerard Nijboer heeft er doorlopend voor gelobbyd. Tevergeefs.
Ik denk dat de atletiekunie er gewoon nog niet rijp voor is. De sportwereld is
sowieso wat conservatief. Ik had laatst te maken met een suïcidale
profvoetballer. Pas daarna vroeg de voorzitter van zijn club mijn mobiele
telefoonnummer, maar eigenlijk had hij dat eerder moeten doen. Eerst moet het
flink mis gaan, voor er gehandeld wordt. Maar voorkomen is beter dan genezen. Je
ziet tegenwoordig gelukkig wel steeds vaker dat ziektekostenverzekeraars
‘sporten’ proberen te stimuleren. De volgende stap is waarschijnlijk dat de
verzekeraars met verschillende polisvoorwaarden gaan komen. Zoals al het geval
is bij rokers en niet-rokers, zullen sporters een andere premie gaan betalen dan
niet-sporters.”
<< terug







