door: Klaas Faber
Dit artikel verscheen eerder in het Nederlandse Juristen Blad (jaargang 84, 18 December 2009, pagina's 2880-2883)
Anders dan de inmiddels uitontwikkelde alcoholtests, zijn dopingtesten nog altijd niet absoluut betrouwbaar. Ondanks het feit dat onverantwoorde conclusies kunnen worden getrokken in het laboratorium, kan de atleet zich hiertegen nauwelijks verdedigen. Op dit moment is een eerlijk proces niet mogelijk omdat enkel op procedurefouten gewezen kan worden.
Topsport vervult een belangrijke voorbeeldfunctie in onze moderne maatschappij. Het imago van de topsport wordt echter de laatste tijd met name door dopingschandalen bedreigd. Wie kent niet de beelden van de sporter die het gebruik van doping bekent, na jarenlang gebruik ontkend te hebben? En wie raakt niet verder teleurgesteld in het moreel van sporters door die opzichtige pogingen om juist door middel van procedurefouten aan sancties te ontsnappen? Hier wordt betoogd dat die doorgaans afkeurenswaardige strategie bepaald geen vrijwillige keuze van de sporter is. Het dopingreglement voorziet namelijk niet in de mogelijkheid tot het voeren van een inhoudelijk verweer. Dit brengt ons tot de hoofdstelling van dit artikel: er is geen sprake van een eerlijk proces doordat de verdediging formeel gezien geen ander middel resteert dan het wijzen op procedurefouten.
Bewijs van doping: elk ‘betrouwbaar middel’
Artikel 12
lid 1 van het dopingreglement[1] stelt het volgende:
‘Feiten die verband
houden met overtredingen van dit reglement kunnen worden bewezen met elk
betrouwbaar middel, waaronder bekentenissen.’
Uiteraard is dit artikel
een nauwgezette vertaling van een overeenkomstig artikel uit de World
Anti-Doping Code.[2]
In het vervolg zal ik me beperken tot dopingtesten als ‘betrouwbaar middel’. In de standaardsituatie wordt na een ‘positief’ A-resultaat een tweede test gedaan die het zogenoemde B-resultaat oplevert. Vanuit wetenschappelijk oogpunt is het belangrijk op te merken dat, behoudens grote uitzonderingen zoals in de zaak rond wielrenner Floyd Landis (Tour de France, 2006), beide analyses in hetzelfde laboratorium worden uitgevoerd. De B-analyse is zeker niet bedoeld als onafhankelijke contra-expertise; men loopt enkel de gevolgde procedures nog eens na. Dientengevolge is de B-analyse, in tegenstelling tot de A-analyse, met name niet anoniem. Dit is onmiskenbaar een ongewenste gang van zaken, omdat het zogenaamde confirmatiebias of tunnelvisie[3] in de hand werkt – de neiging om het eerdere resultaat te bevestigen. Men dient de waarde van de B-analyse t.a.v. het voorkomen van een foutieve conclusie dan ook niet te overschatten, zoals zelfs in gezaghebbende publikaties lijkt te gebeuren.[4]
Wijdverbreid misverstand: procedures zouden ‘betrouwbaar middel’
garanderen
Het testen op het gebruik van dopingmiddelen is iets
anders dan het testen van een bloedalcoholgehalte, zoals dat bijvoorbeeld van
het wegenverkeersrecht bekend is. Er bestaat een minder eenduidige relatie
tussen hetgeen bij de test wordt aangetroffen en hetgeen is ingenomen. Dat heeft
gevolgen voor de manier waarop we de uitvoering van de testen en de daarop
gebaseerde conclusies moeten waarderen.
Bij dopingtesten is de aandacht voornamelijk gericht op het nauwgezet volgen van procedures die bijvoorbeeld de integriteit van het geanalyseerde monster moeten waarborgen. Algemeen geldt echter per definitie dat procedures niet de inhoud bepalen (wat men wellicht nastreeft), doch slechts de vorm (hoe men in feite iets uitvoert). Het spreekt dan ook vanzelf dat procedures geen waarborg bieden met betrekking tot de juistheid van de analytische hypothese achter een dopingtest; die juistheid moet vóóraf zijn ingebouwd. Niemand verwacht bijvoorbeeld een overtuigende bevestiging te zien van voorspellingen gebaseerd op Einsteins relativiteitstheorie als een onvoldoende doordacht experiment vervolgens uiterst zorgvuldig wordt uitgevoerd. Binnen de huidige context van dopingtesten spreekt men over het stelselmatig onderschatten van mogelijke storingen door andere stofjes dan het gezochte.[5]
Het is mijns inziens derhalve een ernstig, doch helaas wijdverbreid misverstand om te veronderstellen dat betrouwbaarheid wordt geïmpliceerd door het nauwgezet volgen van procedures. Ik ben het binnen de huidige context dan bijvoorbeeld ook principieel oneens met de strekking van het stuk ‘Het werk in een forensisch laboratorium en het tot stand brengen van betrouwbaarheid’ in een overigens bijzonder verhelderend artikel van Toom.[6] Procedures, hoe zorgvuldig uitgewerkt en nagevolgd, zijn in de eerste plaats (hooguit) noodzakelijk. Echter, men dient te bewijzen dat ze, vanuit het perspectief van de analytische hypothese bezien, ook voldoende zijn. Immers, enkel die laatste – logisch sterkere – conditie is werkelijk van belang.
Ik beperk me tot twee illustratieve voorbeelden:
1. De
‘fout-positieve’ EPO-test die de Belgische triatleet Rutger Beke volstrekt
onnodig grote schade heeft berokkend. Ik benadruk: onnodig, vanwege het in
essentie enkel kunnen wijzen op procedurefouten. Men moet zich indenken dat het
laboratorium bepaalde diagnostische signalen automatisch aan (exogeen)
EPO toeschrijft, zonder dat ooit is vastgesteld dat uitsluitend EPO die
signalen kan geven. Basale logica gebiedt dat men enkel dán de pijl kan omkeren
in de uitdrukking ‘EPO → diagnostische signalen’. Beke is uiteindelijk niet
veroordeeld doordat onderzoekers van de Universiteit van Leuven de EPO-test
hebben nagebouwd.[7] Toen pas bleek dat een lichaamseigen stofje de EPO-test
stoorde, hetgeen voor de verdediging van meet af aan geen verrassing was.
Uiteraard hadden dergelijke voor de hand liggende storingen uitgesloten moeten
worden vóórdat men de test invoerde. Hier zij (wederom) benadrukt dat de
B-analyse enkel een misleidende indruk van betrouwbaarheid geeft, aangezien het
hier een nagenoeg ‘perfect’ reproduceerbare fout betreft.
Ik hecht er aan om te benadrukken dat Rutger Beke desondanks niet als fout-positief in de boeken staat. In een recent artikel in het NRC[8] claimt dr. Van Eenoo van het betrokken laboratorium: ‘Maar ik kan wel zeggen dat, in tegenstelling tot alle beweringen, nooit is vastgesteld dat Beke door ons foutpositief is getest. Hij is door de rechter vrijgesproken op basis van gerede twijfel. En dat is wat anders dan een foutpositieve dopinguitslag.’ Dat hier sprake is van een tunnelvisie in optima forma, is uit te leggen aan de hand van uiterst basale hypothesetoetsing, een van de peilers van onze moderne natuurwetenschappen. De situatie is bijzonder overzichtelijk. Er zijn twee elkaar uitsluitende hypothesen, namelijk (1) exogeen EPO-gebruik (=schuld) en (2) storing door lichaamseigen eiwit (=onschuld). De eerste hypothese (=schuld) komt pas in beeld als gevolg van een ‘fishing expedition’, waarbij op een heel scala van stofjes en methoden wordt getest. Anders gesteld: er was aanvankelijk geen enkel vermoeden dat door de test wordt bevestigd; Rutger Beke was een ‘cold hit suspect’. Er is achteraf ook geen enkel steunbewijs aangedragen. De tweede hypothese (=onschuld) behoeft daarentegen geen nadere onderbouwing. Wetenschappelijk gezien is er uiteraard geen reden om de voorkeur te geven aan de minder plausibele hypothese EPO-gebruik. Derhalve resteert mijns inziens een tunnelvisie die verhindert dat Van Eenoo de meer plausibele verklaring aanvaardt. Het inhoudelijk verweer kon als het ware geen indruk maken.
(2) Een opmerkelijk artikel betreffende mogelijke ‘fout-positieve’ uitslagen voor anabole steroiden.[9] De titel – ‘Unusual observations during steroid analysis’ – spreekt boekdelen. Echter, zonder onafhankelijke contra-expertise blijft het doen van ‘unusual observations’ het exclusieve domein van het dopinglaboratorium, terwijl uiteraard de verdediging toch zeker beter gemotiveerd is om een alternatieve verklaring voor een ‘positieve’ test te vinden. Dit geldt temeer voor de B-analyse die immers, in tegenstelling tot de A-analyse, niet anoniem is (confirmatiebias). Wagenaar et al. zouden in dit verband spreken van falsificatie van de hypothese dopinggebruik.[10]
Op grond van uitgebreide studie van de relevante wetenschappelijke literatuur en technische documenten durf ik de stelling te verdedigen dat op dit moment voor geen enkele dopingtest overtuigend is gedocumenteerd dat storingen niet eveneens een ‘positief’ resultaat kunnen veroorzaken.[5] Kortom: er is voldoende reden om de betrouwbaarheid van dopingtesten minder absoluut te bezien dan bijvoorbeeld die van een ‘simpele’ alcoholtest, waarvan men inmiddels genoegzaam mag aannemen dat deze uitontwikkeld is.
Geen eerlijk proces: enkel procedurefouten
Waar het
onverantwoord trekken van conclusies in het laboratorium de kern van mijn
kritiek bevat, is de ernst van dit probleem des te groter omdat de atleet zich
hier nauwelijks tegen kan verdedigen. De rol van de verdediging is in de
praktijk duidelijk gemarginaliseerd doordat er enkel op procedurefouten gewezen
kan worden. Binnen het reglementaire kader kan er enkel geargumenteerd worden
dat een procedurefout wellicht óók tot een ‘positief’ resultaat had kunnen
leiden (art. 12 lid 2 Dopingreglement). Vervolgens is het aan het laboratorium
om dit argument te weerleggen (art. 12 lid 3 Dopingreglement). De veroordeling
is een feit indien zij daarin slaagt voor alle procedurefouten die de
verdediging kan opsporen. Dit geldt tot en met een beroep bij de hoogste
instantie, namelijk het Court of Arbitration for Sport (CAS).
Voorbeeld 1: de zaak Simon Vroemen
De Nederlandse
steepleloper Simon Vroemen is in juni 2008 ‘positief’ bevonden op het anabool
metandiënon, maar claimt dat die test een ‘fout-positef’ resultaat geeft als
gevolg van storing met afbraakproducten van zijn thermisch instabiele
anti-astmamiddel (pulmicort). Die afbraakproducten zouden in zijn specifieke
geval het onnodige gevolg zijn van een slordig omgaan met de monsters:
deze zijn immers 5 dagen, grotendeels ongekoeld, op weg geweest naar
het dopinglaboratorium in Keulen.
Deze zaak is ondergebracht bij het Instituut Sportrechtspraak en, zoals te
doen gebruikelijk, werd de Dopingautoriteit gevraagd om een standpunt in te
nemen naar aanleiding van het door Vroemen gevoerde verweer. De directeur Ram
heeft vervolgens die taak op zich genomen. Ik citeer uit een brief[11] d.d. 20
januari 2009 – een half jaar ná de positieve test:
‘Ten overvloede wijs
ik u erop dat op basis van het Dopingreglement in deze zaak alleen relevant is
of de International Standard for testing (IST) dan wel de International Standard
for Laboratories (ISL) op een wijze geschonden zijn die invloed zou kunnen
hebben op de integriteit van het monster of de procedure. Hiervan is geen sprake
geweest.’
Het is mijns inziens opmerkelijk dat iemand zonder aantoonbare achtergrond in
dopingonderzoek zo stellig kan zijn in zijn uitlatingen. Schending van zowel de
IST als de ISL is inmiddels aannemelijk gemaakt in twee wetenschappelijke
artikelen.[12,5] Ram vervolgt met:
‘De verdediging van de heer Vroemen
gaat in op een groot aantal zaken die met het voorgaande geen enkele relatie
hebben. Hoewel al deze aspecten in principe als niet relevant terzijde hadden
kunnen worden gelegd, hebben wij ervoor gekozen om ook deze niet-relevante
aspecten uitgebreid van commentaar te voorzien.’
Een van die commentaren wil ik u niet onthouden:
‘Ten overvloede zij
hier nog opgemerkt dat tijdsverloop de detecteerbaarheid van (metabolieten van)
dopinggeduide stoffen alleen kan doen afnemen, zodat een langere vervoerstijd
hoogstens in het voordeel en nooit in het nadeel van de sporter kan uitpakken.
Het verweer van Vroemen is in die zin dan ook absurd.’
Echter, die conclusie gaat enkel en alleen op, als vast zou staan dat daadwerkelijk doping is gebruikt. Dat dopinggebruik staat nu juist ter discussie. Doordat de Dopingautoriteit reeds als uitgangspunt neemt, wat nog bewezen moet worden, geeft de Dopingautoriteit mijns inziens blijk van partijdigheid.
Hoe buitengewoon lastig het is om inhoudelijk verweer te voeren, wordt verder geïllustreerd door de reactie van het laboratorium.[11] Hierin claimt dr. Geyer dat informatie omtrent storingen te vinden is in een wetenschappelijk artikel.[13] Dit blijkt echter aantoonbaar onjuist te zijn. Als reactie is dit probleem in een algemene context in een wetenschappelijk artikel aan de orde gesteld,5 waarop het laboratorium op zijn beurt aangeeft dat die informatie te vinden is in standard operating procedures (SOPs).[14] Hier stopt het effectief voor de verdediging omdat SOPs niet beschikbaar gesteld hoeven te worden.[15]
Voorbeeld 2: de zaak Jessica Kürten
De Ierse
springamazone Jessica Kürten verloor recentelijk haar beroep bij het CAS tegen
de uitspraak van het tribunaal van de Fédération Equestre Internationale (FEI).
Ik beperk me tot punt 6 in de CAS-uitspraak:[16]
‘The request of Mrs
Jessica Kürten that a neutral and scientifically reliable expert opinion on the
test method and test procedure shall be obtained is dismissed.’
De reactie van de secretaris-generaal van de FEI, Alex McLin is mijns inziens
ronduit schokkend te noemen:[17]
‘The FEI welcomes the decision of the
Court of Arbitration for Sport, which is not surprising,’ FEI Secretary General
Alex McLin said. ‘The FEI judicial process is fair and respects the rights of
the parties. The CAS now routinely confirms this, which is encouraging, and
should each n as such by those who seek justice before the FEI Tribunal.
In this case the CAS panel needed fewer than three days of deliberation to
each this conclusion. While of course no two cases are ever the same, this is a
positive and noteworthy trend.’
De FEI heeft Jessica Kürten het recht ontzegd van een onafhankelijke contra-expertise; een inhoudelijk verweer is immers reglementair gezien niet relevant. Dit hoger beroep heeft mijns inziens alles van een hamerstuk (‘...CAS now routinely confirms this...’). De lezer oordele zelf. Kan men hier spreken van ‘a positive and noteworthy trend’?
Hoe verder?
Het is van groot belang dat stappen worden
gezet richting een gelijkwaardige rol voor de deskundige van de verdediging. Op
dit moment is een eerlijk proces niet mogelijk, simpelweg omdat enkel op
procedurefouten gewezen kan worden. De rol van de verdediging wordt verder
bemoeilijkt doordat het laboratorium slechts zeer beperkte gegevens ter
beschikking hoeft te stellen.15 Dit is consistent met de veronderstelling dat
het analyseresultaat, behoudens procedurefouten, niet ter discussie staat, want
verkregen met een ‘betrouwbaar middel’. Hoe anders en mijns inziens beter is het
geregeld binnen het strafrecht, waar de verdediging iedere gewenste informatie
bij het Nederlands Forensisch Instituut kan opvragen op grond van de Wet
openbaarheid van bestuur en aanpalende wetten op de privacy. Het gaat tenslotte
om de monsters van de sporter.
Klaas Faber is in 1994 aan de Radboud Universiteit te Nijmegen gepromoveerd in de chemometrie. Hierop volgden twee jaar onderzoek in de VS. Tussen 1996 en 2002 heeft hij chemometrisch en statistisch advies gegeven binnen het Nederlands Forensisch Instituut (Rijswijk) en de Agrotechnology and Food Sciences group (Wageningen). Vanaf 2002 voert hij deze activiteiten zelfstandig uit, zie www.chemometry.com. Daarnaast onderhoudt hij contacten met meer dan tien verschillende universiteiten voor het verder ontwikkelen en toepassen van methoden voor onderzoek.
Noten
1. Instituut Sportrechtspraak, Dopingreglement,
Amsterdam, 2009.
2. World Anti-Doping Agency, World Anti-Doping Code,
Montreal, 2009.
3. Rassin E. (2007) ‘Waarom ik altijd gelijk heb. Over
tunnelvisie’ (Schiedam: Uitgeverij Scriptum).
4. Abbott A. (2000) ‘What
price the Olympian ideal?’, Nature 407/6801: 124-127.
5. Faber
N.M. (2009) ‘Validation of specificity in doping control: problems and
prospects’, Accreditation and Quality Assurance
14/7:399.
6. Toom, V.H. (2009) ‘Betrouwbaarheid in een Nederlands
laboratorium voor DNA-onderzoek’, Nederlands Juristenblad 84/7:
416-423.
7. Beullens, M., Delanghe, J.R. en Bollen, M. (2006)
‘False-positive detection of recombinant human erythropoietin in urine following
strenuous physical exercise’, Blood 107/12:
4711-4713.
8. Stouwdam, H. (2009) ‘Wij zijn geen stel prutsers’. NRC 24
juni.
9. Kwok, W.H., Leung, D.K.K, Leung, G.N.W., Tang, F.P.W., Wan,
T.S.M., Wong, C.H.F. en Wong, J.K.Y. (2008) ‘Unusual observations during steroid
analysis’, Rapid Communications in Mass Spectrometry 22/5:
682-686.
10. Wagenaar, W.A., Israëls, H. en van Koppen, P.J. (2009) ‘De
slapende rechter’ (Amsterdam: Uitgeverij Bert Bakker).
11. http://www.chemometry.com/Index/Anti-doping/090120%20Reactie%20Doping%20Autoriteit%20en%20verklaring%20Dopinglab.pdf.
Geconsulteerd op 18 oktober 2009.
12. Kuenen, J.G. en W.N. Konings, W.N.
(2010) ‘The importance of cooling of urine samples for doping analysis’,
Accreditation and Quality Assurance in druk.
13. Schänzer, W.,
Geyer, H., Fußhöller, G., Halatcheva, N., Kohler, M., Parr, M.-K., Guddat, S.,
Thomas, A. en Thevis, M. (2006) ‘Mass spectrometric identification and
characterization of a new long-term metabolite of metandienone in human urine’,
Rapid Communications in Mass Spectrometry
20/15:2252-2258.
14. Flenker, U. en Schänzer, W. (2010) ‘Comment on
“Validation of specifity in doping control: problems and prospects”’,
Accreditation and Quality Assurance 15/1:53-55.
15. Faber, N.M.
(2009) ‘On the unacceptable reporting of results in doping control’,
Accreditation and Quality Assurance 14/6:341.
16. CAS, Decision
No. 6685, Lausanne, 12-12-2008.
17. http://www.fei.org/ATHLETES_AND_HORSES/NEWS/Pages/summ.aspx?newsName=news-Kuerten-CAS-12Dec08.aspx&inc=1.
Geconsulteerd op 18 oktober 2009.
<< terug







