Per 1 februari 2010 verlaat Ton van de Wiel sportkoepel NOC*NSF. ‘Wie is dat?!’ zult u zich misschien afvragen. Welnu, Van de Wiel maakte op tijdelijke basis onderdeel uit van de directie. Hij werd in het najaar van 2008 aangesteld nadat NOC*NSF toenmalig directeur Marcel Sturkenboom plotseling uit zijn functie had ontheven. Per 1 mei 2010 zal ook Theo Fledderus - de algemeen directeur van NOC*NSF – zijn functie neerleggen. In diezelfde maand volgt André Bolhuis voorzitter Erica Terpstra op. Het zijn dus roerige tijden in de top van de nationale sportkoepel. Maar what’s new?
We gaan terug in de tijd. In 1998 trad toenmalig NOC*NSF-voorzitter Wouter Huibregtsen af nadat hij volgens Volkskrant-journalist Hans van Wissen kroonprins Willem-Alexander tijdens een telefonisch interview had uitgemaakt voor ‘judas’, ‘lafaard’ en ‘saboteur’. Niet niks, maar ja. Willem-Alexander had nu eenmaal aanspraak gemaakt op een vacante positie in het IOC die Huibregtsen zelf zo graag had willen bekleden. De ‘kroonprinsaffaire’ haalde alle voorpagina’s. Huibregtsen ontkende echter alles en won later zelfs een rechtszaak die hij tegen de Volkskrant had aangespannen. Maar zijn positie als voorzitter van NOC*NSF was meteen na de publicatie onhoudbaar geworden. Hij hield de eer aan zichzelf en trad af.
Huibregtsen werd opgevolgd door Joop van der Reijden (1927-2006), in die tijd de baas van Veronica en eerder onder meer staatssecretaris sport. Van der Reijden werd interim-voorzitter met maar één opdracht: een nieuwe voorzitter vinden en zichzelf dus overbodig maken. Hij kreeg zes maanden de tijd, maar uiteindelijk zou hij liefst anderhalf jaar op het pluche blijven zitten... Waarom zό lang? Van der Reijden vertelde het vlak voor zijn afscheid eind 1999 in een interview met SPORT Bestuur & Management:
“Om de nieuwe voorzitter goed te laten functioneren, moest er eerst een gloednieuw bestuur komen. Anders zou mijn opvolger meteen met de brandblusser hebben moeten rondlopen, net als ik in het begin.”
Van der Reijden verklaarde zich nader:
“Mij bleek al snel dat er flinke spanningen waren in het bestuur, het functioneerde niet optimaal. Elk afzonderlijk bestuurslid had de bevoegdheid verworven opdrachten te geven aan bureaumedewerkers, waardoor er erg veel ‘eilandjes’ ontstonden. Specialisten op de werkvloer discussieerden te vaak met elkaar over de aanwending van de beschikbare budgetten die natuurlijk altijd beperkt waren. Dat probleem verplaatste zich toen naar bestuursniveau met als gevolg dat bestuursleden met scheve ogen keken naar de plannen van collega-bestuurders. De concurrentie tussen bestuursleden was des te heviger, omdat ze individueel konden worden aangesproken op hun terrein. De besluitvorming vond gek genoeg ook plaats bij de afzonderlijke bestuursleden en niet collectief.”
Bovendien concludeerde Van der Reijden al kort na zijn aantreden dat hij er niet zou zijn als hij alleen het voltallige bestuur zou vervangen:
“Ik ben in het begin heel snel veel te weten gekomen over NOC*NSF. Ik vroeg gewoon 35 voorzitters van bonden langs te komen, één voor één. Allemaal hier in deze kamer, dan kostte het mij niet zo veel tijd. Wat ik aan ze vroeg? Heel simpel. Gaat u zitten meneer de bondsvoorzitter, en zegt u alles maar wat u wilt zeggen. Door die gesprekken is mij duidelijk geworden dat het niet genoeg was om alléén het bestuur te vervangen. Ook aan de organisatiestructuur van NOC*NSF moest het nodige worden veranderd.”
Kortom, Van der Reijden stelde een interim-manager aan: Bas Vos, ook goed bekend onder huisartsen en taxichauffeurs. Vos moest aan de gang met ’34 actiepunten’ die voortvloeiden uit het rapport ‘Een slagvaardiger NOC*NSF’ dat Van der Reijden samen met Coopers&Lybrand medio 1998 schreef. 12 van de 34 actiepunten moesten in het najaar van 1998 zijn gerealiseerd. Dat lukte bij lange na niet. Van der Reijden daarover:
“De dagelijkse werkzaamheden verdrongen al snel de gewenste herstructurering. Dat is Vos niet kwalijk te nemen, het leiden van NOC*NSF is een zeer hectische en complexe aangelegenheid.”
Opvolger van Van der Reijden werd uiteindelijk Hans Blankert. Hem gaf Van der Reijden de tip er goed op te letten dat bestuursleden niet weer ‘directeurtje’ zouden gaan spelen. Zoals onder andere Wim Cornelis en Erica Terpstra (!) gedaan hadden, volgens toenmalige medewerkers van NOC*NSF. In afstemming met Blankert werd ook na een lange zoektocht een algemeen directeur aangesteld. Na een mislukte eerste sollicitatieronde werd recruiter GITP gevraagd nog eens goed te kijken naar eerder afgewezen sollicitanten en eventuele ‘nabranders’. Daaruit werd Theo Fledderus gevonden die op 1 januari 2000 aan de slag ging.
Bron: SPORT Bestuur & Management, editie oktober/november 1999. Interview door Peter Hopstaken.
<< terug







