door: Klaas Faber
Onlangs ontstond in de sportwereld enige ophef over Tom Boonen’s ‘positieve’ test op cocaïne, hetgeen sportfilosoof Ivo van Hilvoorde aanzette tot het schrijven van de column Mag Tom Boonen ook eens feesten?.
Het formele antwoord op die vraag is niet moeilijk te vinden. Slaat men er de meest recente dopinglijst op na, dan vindt men cocaïne in categorie II. Stoffen en methoden die zijn verboden binnen wedstrijdverband. Aangezien de test buiten wedstrijdverband is uitgevoerd, ging Boonen automatisch vrijuit. Het antwoord is derhalve ja, vanuit het perspectief van de dopingjagers. In België krijgt men dan nog te maken met het strafrecht, maar dat staat geheel los van het sportieve aspect.
Tijdstip van de test is bepalend
De vervolgvraag die ik
hier aan de orde wil stellen is:
‘Was Boonen eveneens correct behandeld als
hij later binnen wedstrijdverband ’positief’ was getest?’
Een ‘normaal’ mens zal zeggen: de handeling is kennelijk niet verboden en derhalve ook niet strafbaar. Als Boonen gewoon kan aangeven wanneer dat goedje in zijn lichaam is gekomen, dan gaat hij wederom automatisch vrijuit. Toch is dat niet het geval. Voor het doen van aangifte is het tijdstip van de test bepalend, niet het tijdstip (en derhalve onrechtmatigheid) van de handeling.
Logisch geredeneerd is dit volstrekt onzinnig, maar niettemin is het wel de realiteit anno 2009. Men kan niet vaak genoeg benadrukken dat in de sport andere wetten gelden dan in de ‘normale’ wereld!
Dan nu over naar de Nederlandse dopingzondaars van 2008.
Dopingcontroles en bevindingen 2008
Op 12 mei j.l. heeft
de Dopingautoriteit haar bevindingen over 2008 gepubliceerd. In 25 urinemonsters
zijn 27 stoffen aangetroffen, als volgt verdeeld over de drie categoriën uit de
dopinglijst:
I. anabole middelen (7), bèta-2-agonisten (1) en diuretica
/ maskerende middelen (1);
II. stimulantia (6) en cannabinoïden
(11);
III. bètablokkers (1).
Aangezien deze stoffen in 25
urinemonsters zijn aangetroffen, hebben deze laboratoriumbevindingen 25 maal
geleid tot het daadwerkelijk doen van aangifte.
Tot zover de droge opsomming. In het vervolg schenk ik geen aandacht meer aan categorie I omdat het daarbij om stoffen en methoden handelt die ten allen tijde verboden zijn. Het zijn categoriën II en III die een nadere bespreking verdienen, daar de bestrafte handeling buiten wedstrijdverband niet verboden is. Die sporters hebben enkel de pech dat zij ‘positief’ testten binnen wedstrijdverband.
Hoe onzinnig deze gang van zaken in feite is, volgt direkt uit de huidige definitie van doping. De volgende informatie komt van de site van de Dopingautoriteit, zie hier:
‘Wanneer komt een stof of methode op de
dopinglijst?’
Een stof of methode kan op de dopinglijst worden
geplaatst indien deze aan minimaal twee van de volgende drie criteria
voldoet:
1. (mogelijk) prestatiebevorderend;
2. (mogelijk)
schadelijk voor de gezondheid;
3. in strijd met de 'Spirit of
Sport'.
Met 'Spirit of Sport' worden de normen en waarden van de sport
bedoeld, zoals Fair Play.”
Bij doping denken veel mensen uitsluitend aan het eerste criterium, maar het ligt dus ingewikkelder. Veelgebruikte supplementen zoals vitaminetabletten worden bijvoorbeeld niet als doping gezien. De zuurstoftent, waar Maarten van der Weijden zijn Olympische titel (mogelijk) mede aan te danken heeft, is eveneens (nog) toegestaan. Dat laatste is bepaald opmerkelijk te noemen. De voormalige WADA-voorzitter Dick Pound was een uitgesproken tegenstander, maar kon geen meerderheid vinden om het derde criterium gehonoreerd te krijgen.
Voorbeeld 1: de voetballer Purrel Fränkel
Het AD van 3
maart j.l. kopte met ‘Joint kost Fränkel maand speeltijd’, waarna men
verder kennis kan nemen van het volgende:
‘Fränkel verklaart in het
persbericht van De Graafschap dat hij enkele dagen voor de wedstrijd samen met
wat vrienden een joint had opgestoken.’
Hooguit criterium 2 wordt gehaald in het onderhavige geval, maar criteria 1 en 3 kunnen absoluut niet hard gemaakt worden. Er is derhalve geen sprake van doping. N.B. Het derde criterium komt er bij als je een joint rookt in de pauze, bijvoorbeeld. Dat geeft uiteraard geen pas, vandaar dat je met die handeling een aangifte wegens doping riskeert. Maar een joint enkele dagen voor de wedstrijd?
Toch volgde hier een aangifte op grond van de volgende overtreding van het
dopingreglement:
‘Artikel 3 - Aanwezigheid verboden stof(fen) en/of
verboden methode(n)
1. De aanwezigheid van een verboden stof en/of een
verboden methode, de afbraakproducten daarvan en/of markers in een monster van
een sporter vormt een overtreding van dit reglement.’
Mijns inziens volkomen ongerijmd: aan de huidige definitie van doping wordt niet voldaan, maar toch is men in overtreding van het dopingreglement!?
Voorbeeld 2: de basketballer Charles
Richardson
Richardson testte op maandag 23 februari j.l. ‘positief’
op cannabis. Het betrof hier een eigen test van de vereniging (Rotterdam
Challengers). De dopingzondaar werd op staande voet ontslagen, ofschoon de test
buiten wedstrijdverband was uitgevoerd en de goede man dus feitelijk
niet in overtreding was.
Eigenaar Johan van Haga:
‘Bij de laatste vergadering van de Federatie
Eredivisie Basketbal vertelde de Nederlandse Dopingautoriteit dat het gebruik
van cannabis bij basketbal schrikbarend hoog was. Vandaar dat wij, net als
andere clubs, gecontroleerd hebben.’
Het officiële Nederlandse standpunt anno 2003
De
onredelijkheid van het huidige dopingbeleid wordt pijnlijk duidelijk als men het
oude officiële, wetenschappelijk onderbouwde, Nederlandse standpunt in
herinnering roept. N.B. In dat standpunt is geen plek voor het vage derde
criterium ('Spirit of Sport').
Receptor 11 (september 2002; zie hier):
Het én/én
principe
‘In het kader van het onderzoek “Denksport en doping”
heeft het NeCeDo pas dan stoffen als doping aangemerkt wanneer die én potentieel
prestatiebevorderend zijn én schadelijk voor de gezondheid. Dit heeft geleid tot
een gefundeerde denksportdopinglijst als basis voor een geloofwaardig
antidopingbeleid. Een principe waar ook in internationaal verband veel lof voor
werd verkregen. Dit door Nederland gekoesterde ‘én-én principe’ wordt ook met
kracht richting WADA gecommuniceerd.’
Bij de laatste zin moet men m.n. denken aan oud-schaatser Harm Kuipers.
Receptor 13 (mei 2003
zie hier)
Onverdraaglijk
‘Als
bestuurslid van NeCeDo en als aanstaand voorzitter van de Wetenschappelijke
Adviescommissie van NeCeDo, huldigt Marx het principe dat dopinggebruik
bestreden moet blijven worden. Wel vindt hij dat er zeer kritisch gekeken moet
worden naar de lijst van verboden middelen. “De lijst is lang en herbergt
middelen waarvan niet is aangetoond dat ze zowel prestatiebevorderend als
schadelijk zijn. En daarmee maak je het leven van de sporter onnodig zuur,
waarbij zelfs medisch noodzakelijke medicijnen vermeden zouden kunnen worden uit
angst voor een dopingcontrole. Wat dat betreft ben ik niet erg gelukkig met de
uitkomsten van de WADA-conferentie vorige maand in Kopenhagen. Ik krijg niet de
indruk dat de IOC-gedachte leidt tot een kortere lijst, terwijl ik denk dat de
sport daar juist zo mee gebaat is.’
Het is helaas anders gelopen. Inmiddels schrijven we het jaar 2009 en worden er aan de lopende band dopingzondaars geproduceerd dankzij een onnodig lange lijst, die overigens niet eens logisch uit de huidige definitie van doping volgt (!)
Voorbeeldfunctie
Partydrugs verdragen zich slecht met de
voorbeeldfunctie die topsporters onmiskenbaar hebben. Een korte bespreking van
dat aspect is hier derhalve zeker op zijn plaats. In navolging van anderen wijs
ik dan op een inconsistentie van jewelste: waarom bijvoorbeeld cannabis
verbieden, maar alcohol niet? Alcohol is enkel binnen wedstrijdverband
in bepaalde sporten verboden, waarbij dan ook nog eens een grenswaarde geldt. Ik
moet het antwoord schuldig blijven. Naar de achtergronden van die willekeurige
keuze kan men slechts gissen.
Afrondend en vooruitkijkend
Ruim 50% van de Nederlandse
dopingaangiftes over 2008 is twijfelachtig. Ik durf gerust te stellen dat niets
of niemand er mee gediend is dat hier te lande een aantoonbaar inconsistent en
willekeurig buitenlands beleid klakkeloos wordt uitgevoerd.
Klaas Faber is in 1994 aan de Radboud Universiteit te Nijmegen
gepromoveerd in de chemometrie. Hierop volgden twee jaar onderzoek in de VS.
Tussen 1996 en 2002 heeft hij chemometrisch en statistisch advies gegeven binnen
het Nederlands Forensisch Instituut (Rijswijk) en de Agrotechnology and Food
Sciences group (Wageningen). Vanaf 2002 voert hij deze activiteiten zelfstandig
uit, zie www.chemometry.com. Daarnaast onderhoudt hij contacten
met meer dan tien verschillende universiteiten voor het verder ontwikkelen en
toepassen van methoden voor onderzoek.
<< terug







