Skip Navigation LinksHome-Achtergronden-Feedback XL-Item

Zinloze en zinvolle sportieve innovatie 23 november 2010

door: Ruud Stokvis

‘Innovatie’ is net zo’n woord als ‘excellent’, dat op een gegeven ogenblik rond gaat zoemen en dat iedereen die er voordeel mee denkt te behalen gaat gebruiken zonder zich erg om de betekenis ervan te bekommeren. In de reclamewereld dient het woord 'nieuw' (nieuwe Omo) ook vaak zo. Terecht merkte de voorzitter van de Koninklijke Academie van Wetenschappen op dat innovatie voor velen een schemerige term blijft. De term wordt niet alleen op sportgebied gebruikt maar overal in het economische leven.

Het falen van het in 2003 opgerichte Nederlandse innovatieplatform, dat bedoeld was om de innovatiekracht van Nederland te versterken, kan ook toegeschreven worden aan het gebrek aan inzicht in de aard en de functies van innovatie. Deze schemerigheid van het begrip vormde de achtergrond van de keuze van het onderwerp van mijn openingslezing bij het congres Sport en wetenschap en mijn artikel erover op Sport Knowhow XL. De reacties daarop van Heining en De Jong bevestigen mij in de indruk dat zij weinig begrijpen van de betekenis van innovatie voor de sport.

Neem de opmerking van Heining dat we zonder innovaties al decennia naar dezelfde rondetijden bij het schaatsen zouden kijken. Dat zou - als ik Heining goed begrijp - de sport voor de supporters oninteressant maken. Uit deze opmerking blijkt dat Heining elk benul mist van wat sport voor supporters interessant maakt. Dat zijn niet de records, maar dat zijn spannende wedstrijden waarbij de supporters hopen dat de atleten waarmee zij zich het meest identificeren winnen. Er is geen enkel bewijs dat records publiek trekken. Globaal kan men zeggen dat het publiek vooral belangstelling heeft voor de sporten die het zelf (ooit) beoefend heeft. Daar zijn uitzonderingen op, maar die hebben niets met records te maken. Heining getuigt natuurlijk van zijn eigen schemerige visie op innovatie als hij schrijft dat we innovatie niet scherp hoeven te definiëren en dat het vooral belangrijk is dat betrokken partijen om vooruitgang te boeken hun nek uitsteken. Waartoe dat precies dient en hoe dat precies zou moeten dat maakt hem niet veel uit. En als hij dan zegt dat dat dient om de sport voor de supporter interessant te maken gaat hij helemaal de mist in.

De Jong redeneert wel heel krom. Neem zijn voorbeeld van de klapschaats. Hij stelt dat die Nederland even een voorsprong gaf en dat vervolgens iedereen die schaats ging gebruiken en het voordeel ervan verdween. Hij concludeert daaruit dat je innovatie juist nodig hebt. Dat is natuurlijk onzin, het tegendeel is veel logischer. Als het voordeel verdwijnt had men net zo goed geen klapschaats kunnen gebruiken. Zoals ik al schreef, voor het publiek hoeft het niet. Over het korte voordeel dat Nederlandse schaatsers in 1996 en 1997 hadden, toen buitenlandse schaatsers er nog geen gebruik van maakten, kan men verschillend denken. Ik denk dat de wereldschaatsbond het gebruik ervan toen had moeten verbieden, omdat niet iedereen van het superieure middel gebruik kon maken, net zoals op atletiekgebied zo vaak gebeurt als er een nieuw soort polsstok, speer of discus op de markt verschijnt. Een uitvinding op roeigebied als de rolrigger is door de wereldroeibond verboden. De wereldzwembond heeft in 2009 volledig gefaald met de regulering van de badpakken. Ik noem het monopolistische gebruik van dit soort vindingen onsportief. Met mij doen dat de besturen van de goed functionerende internationale sportbonden. Ik geloof niet dat dit een uiting van conservatieve romantiek is.

Het gaat mij er echter niet om alleen maar kritisch te zijn en te laten zien dat er warrig over innovatie in de sport gedacht wordt. Ik sta volledig achter het streven van atleten om naar alle mogelijke middelen te zoeken om sneller, hoger en sterker te worden. Maar het is mij nu wel duidelijk geworden waar innovatie op topsportgebied wel en niet zinnig is. Het is zinnig als men zoekt naar zo goed mogelijke trainings- en bewegingsvormen en de mogelijkheden om de effectiviteit van varianten daarvan te meten. Daar kunnen atleten zelf beter van worden. Bij de introductie van nieuwe materialen en producten in de sport wordt sport alleen maar gebruikt als een podium voor het bedrijfsleven om reclame te maken. Het gebruik ervan leidt tot onsportieve toestanden of heeft geen betekenis voor de onderlinge verhoudingen tussen de atleten. Het vraagt van internationale sportbonden een waakzaam oog om de ondermijnende werking voor de sport ervan in te perken.

Klik hier voor een reactie op dit artikel van George de Jong (directeur van InnosportNL)

Dr. Ruud Stokvis is lid van het bestuur van het W.J.H.Mulier Instituut en hij superviseert onderzoekprojecten van dit instituut. Hij is verbonden aan het Amsterdam Istitute for Social Science Research (AISSR). Hij schreef vijf boeken over sport: ‘Strijd over sport. Ideologische en organisatorische ontwikkelingen’ (proefschrift 1978), ‘De Sportwereld. Een sociologische inleiding’ (1989), ‘Sport, publiek en de media’ (2003), ‘Fitter, harder, mooier. De onweerstaanbare opkomst van de fitnesscultuur’ (2008, samen met Ivo van Hilvoorde) en De sportwereld - een inleiding (2010, zie hier). In 2008 verscheen ook zijn bijdrage aan het jubileumboek van de Koninklijke Nederlandse Studenten Roeibond: ‘De naoorlogse geschiedenis van de KNSRB’.
« terug

Reacties: 0

Reactie toevoegen

Naam*
E-mailadres*
Reactie*